De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IN GESPREK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IN GESPREK

7 minuten leestijd

Zo nu en dan merkt men, dat het niet eenvoudig is, een goed gesprek te voeren. Goed, in die zin, dat het inhoud heeft, maar ook, dat we werkelijk samen in gesprek raken. Vaak praten we wat langs elkaar heen, en tegen elkaar aan. Dat treft geen doel, en heeft geen zin. Het is alsof wij hardop, onze eigen gedachtengangen vervolgen, zonder dat de ander daarin betrokken wordt. Wie een echt gesprek tracht te voeren, weet hoe moeilijk dat is, aan beide kanten. Niet alleen, omdat de ander zo duister spreekt, voor mijn oren althans, maar ook omdat ik zo slecht luisteren kan. Luisteren is namelijk een nog grotere kunst dan praten, en een eerste voorwaarde voor een goed gesprek.

Dominees kunnen lang niet altijd goed luisteren, hoewel dat in hun pastorale praktijk heel erg nodig is. Ze praten er vaak maar op los, en bedelven de ander onder hun woorden, stichtelijke woorden misschien, maar woorden, waar de ander niet mee gediend is, omdat ze niet ingaan op zijn vragen en zijn gedachten. Dat heeft al heel wat onheil aangericht. De mensen worden doodgepraat en u zou zo'n woordenkramer willen toeroepen: Man, luister toch eens. Zoals de mensen trouwens ook dood gepreekt worden, omdat de predikheer niet luisteren kan, noch naar het Woord Gods, noch naar de mensen, met wie hij voor Gods aangezicht bezig is. Wij, predikanten, moeten ons daarvan telkens rekenschap geven.

Wij, predikanten, spreken over het algemeen weinig met elkaar. Wij praten over allerlei dingen, over gemeenteleden en gemeentezaken, een enkele keer — o, schande — over het Woord en de dienst des Heeren. Maar praten over is iets anders dan spreken met. Het is een rijk voorrecht, wanneer men als collega's, werkelijk een gesprek voert, en ik kan er niet dankbaar genoeg voor zijn, dat dit doorlopend plaatsvindt, nu met deze, dan met gene. Wij oefenen dan gemeenschap met elkaar, en die gemeenschap is sterkend van aard.

Hoe ik daarop kom?

Wel, er is een gesprek aan de gang tussen dr. C. Graafland en ds. J. v. d. Haar. Ik vermoed niet, dat zij met elkaar gesproken hebben, hoewel dat voor de hand zou liggen en naar de H. Schrift geboden is. Het gesprek wordt in het publiek gevoerd, naar aanleiding van het pas verschenen boekje: ‘Verschuivingen in de gereformeerde bondsprediking’. Het is niet mijn bedoeling om over dit boekje te handelen. Het daarin gebodene verdient nadere bezinning. Uiteraard behoeft men het niet met alles eens te zijn en ik meen te weten, dat collega Graafland dat ook niet wenst. Het viel te verwachten, dat het heel wat tongen en pennen in beweging zou brengen, en daartegen is geen enkel bezwaar. Wat aan de orde gesteld wordt is in onze kring van grote betekenis en niet alleen in onze kring.

Collega Van der Haar heeft een begin gemaakt in het Gereformeerd Weekblad. Maar welk een begin! Het moet  mij meteen maar van het hart: Een schandalig begin. Hij spreekt niet met zijn collega, hij schreeuwt tegen hem, hij scheldt hem uit. Een gesprek moet behoorlijk gevoerd worden. Die eis mag men toch aan predikanten stellen. Maar wat hier geschreven wordt is onbehoorlijk. De toon is geringschattend, de stem slaat zo nu en dan over, en uit de hoogte — geen theologische hoogte overigens — wordt collega Graafland den volke aangewezen als een beeldenstormer en een kerkverwoester. Die er niets van weet, die ernaast is, die zich verbeeldt dat hij, die enz. enz. Het zegt meer van de man die zich van zulke onbehoorlijke methoden bedient, dan van de man, die erdoor wordt getroffen, maar het geeft geen pas. Dit gooi- en smijtwerk hoort misschien thuis in een circus, maar niet in een discussie.

Een gesprek moet zakelijk gevoerd worden. Tot nu toe is daarvan geen sprake. Collega Van der Haar heeft toch ook wel eens gehoord van de na-reformatorische scholastiek? Is het hem ontgaan, dat de filosofie al spoedig de theologie gaat beïnvloeden, om niet te zeggen bederven? Mij was dat tenminste van huis uit reeds bekend! Wanneer collega Graafland deze ontwikkeling, die hij als een verwijdering van de hervormers laakt, tracht aan te wijzen, dan is dat niet het einde van alle tegenspraak, maar wèl onderwerp voor een zakelijk gesprek. En het is wel heel triest, als exclamaties hier explicaties moeten vervangen, zo in de trant van: Arme Beza . .. arme Urzinus ... arme Graafland!! Arme.... Van der Haar! Bo­vendien wordt de indruk gewekt alsof dr. Graafland Calvijn niet kent, en alle latere theologen van de kaart veegt! Alsof hij heult met de middenorthodoxie en de moderne theologen. Alsof . .. Wat een onzakelijke veronderstellingen, wat een verdachtmakingen. Wie daarin zijn kracht moet zoeken, staat niet sterk. Voelt collega v. d. Haar nattigheid, wanneer hij opmerkt: Het gaat niet op met een man als dr. Graafland, in dit bestek, een gesprek te gaan beginnen? Toppunt van onzakelijkheid ! Maar inderdaad in het bestek van zulke methoden, komt er geen gesprek op gang. Terwijl wij met een zakelijk gesprek allen onze winst konden doen. Ook dr. Graafland en zelfs ds. Van der Haar.

Een gesprek moet broederlijk gevoerd worden. Wij zijn in ieder geval ambtsbroeders! Collega Graafland en collega Van der Haar dienen de gemeente van de Heere Jezus Christus. Dat maant tot voorzichtigheid. Het gaat er niet om, dat wij wat laatdunkend verklaren ik mag hem als mens heel graag, maar dat wij elkaar in waarde houden als dienaren des Woords.

Broederlijk heeft nog meer in. Het betekent dat wij elkaar vasthouden in het Woord des Heeren. Daar wenst dr. Graafland zich aan te houden en ook ds. Van der Haar. Maar uit dit gesprek blijkt dat niet' Daarom is het onbroederlijk. Wij, die zo'n belangstelling aan de dag leggen voor het werk van de Hei­ lige Geest, kennen blijkbaar de vruchten van die Geest nauwelijks. Broeders, blust de Geest niet uit!

Het is hoog tijd elkaar tot de orde te roepen, tot de behoorlijke, zakelijke en broederlijke orde, en ik doe dat in volle ernst. Discussie sluit kritiek niet uit. Maar de kritiek zij een geestelijke bezigheid! En zo niet, dan verteert ze zichzelf. Want indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.

Het lust mij niet —- en dat in de letterlijke zin — om mij met deze artikelen in te laten. Ik zou, mettertijd, wel eens aan het gesprek willen deelnemen, en ik hoop dat anderen dat metterdaad zullen doen. Dit is geen gesprek. Ik krijg de onplezierige indruk, dat collega Van der Haar de gelegenheid aangrijpt — en laat hij nu alstublieft niet van diepe droefheid spreken, want dat gelooft niemand die het leest — om collega Graafland te lijf te gaan. Hij stroopt de mouwen op en gaat hem ten aanhore van het publiek op de tribune, afblaffen en afstraffen! Het publiek, dat is de lezerskring van het Gereformeerd Weekblad. Dat is breder gezien, „het gereformeerde volk". Nu zijn er onder ons, die dat met applaus begroeten. Zij weten nauwelijks waarover het gaat, wat collega Graafland zakelijk bedoelt, en komen dat uit deze artikelen ook niet te weten. Zij hebben weer een vijand ontdekt en vinden dat die maar heel hardhandig aan de kaak gesteld moet worden. Ik zeg, zulke mensen zijn er, en misschien meer dan wenselijk is. Maar dat gereformeerde volk is mij toch te lief, en, eerlijk gezegd, te goed, om op deze wijze te worden voorgelicht!

En het Gereformeerd Weekblad is toch eigenlijk ook te goed, om zijn ruime verspreiding voor dit soort voorlichting misbruikt te zien. Kortom, niemand is gelukkig te prijzen, noch collega Graafland, noch collega Van der Haar, noch het gereformeerde volk, noch het Gereformeerd Weekblad. En daarom: taakt het vuren, uit hinderlagen en et katapulten. Treedt elkaar in 't open veld tegemoet, onder de hemel van Gods waarheid en trouw, om behoorlijk, zakelijk en broederlijk met elkaar te spreken. L. Kievit.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IN GESPREK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's