De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk V. Artikel 7. De weg der boetvaardigheid.

9 minuten leestijd

Want, eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit Zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere, vernieuwt Hij hen zekerlijk en krachtiglijk door Zijn Woord en Geest tot bekering; opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn; vergeving door het bloed des Middelaars, door het geloof, met een verbroken hart begeren, en verkrijgen; de genade van God, Die nu met hen verzoend is, -~ wederom gevoelen; Zijn ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hun zaligheid met vrezen en beven des te naarstiger werken. 

L VROEGINDEWEIJ

Hoofdstuk V.

Artikel 7.

De weg der boetvaardigheid.

De gelovige kan vallen. Dat hebben we gezien. Hij richt daarna zichzelf niet op. Dat is een merkwaardig feit. Het is veeleer zó, dat door de val de oude lust in de zonde weer bovenkomt. Van nature immers is de mens van harte verenigd met de zonde. Bij de uitverkorenen echter werkt God een breken met de zonde. Hij begiftigt hen met het ware geloof, rechtvaardigt hen, zet hen over uit de stand des doods in de stand des levens. Deze uitverkorenen zijn niet zonder zonde. De overblijfselen der begeerlijkheid wonen in hen. In het goede te doen blijft een tekort, daar zijn vele zonden van nalatigheid, onvoorzichtigheid, begin van het kwaad: Maar deze zonden verbreken de stroom van Gods ontferming niet: de rechtvaardigmaking blijft en het erfrecht tot het hemels Koninkrijk wordt niet afgebroken. Naar de strengheid der wet is elke zonde, ook de lichtste, dodelijk. Zij sluit de zondaar uit de gunst en uit het Rijk Gods. Maar met Zijn kinderen, die in Christus Jezus zijn, handelt God nimmermeer ten strengste. Inderdaad zijn er zonden, die uit de zaligheid sluiten. „Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven". (1 Cor. 6 : 10). In Galaten 5 : 19—21 lezen we: „De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke, van de welke ik u tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven".

Door deze zonden worden ook de uitverkorenen van het licht van Gods aanschijn beroofd. Maar er zijn andere, om welke de barmhartige God Zijn kinderen niet de vrees der verdoemenis of des doods aanjaagt. Welke zijn dat? Dat zijn al die verlangens en wederspannige begeerten, die in de mens opkomen. De gelovige voelt het verlangen, de begeerte om ze te bedenken, de lust om ze te doen. Maar hij bestrijdt die innerlijke bewegingen, hij wendt zich daarvan af. Voorts zijn er de feilen en gebreken, die de allerbeste werken aankleven. Dan zijn er ook nog de dagelijkse verkeerdheden, die zonder opzet worden begaan. Deze allen worden vergeven op het gebed om vergiffenis. Dit zijn de struikelingen uit Jacobus 3 : „Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. Want wij struikelen allen in vele".

In 1 Joh. 1 : 8 lezen we van deze zonden: „Zo wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, verleiden wij onszelf". Niettegenstaande deze zonde zal ieder gelovige toch mogen weten, dat er geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn". (Rom. 8 : 1). Al zijn er veel zwakheden, dan geldt toch het woord des Heeren voor elk gerechtvaardigde: „Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht".

Maar nu de anderen. Dat zijn wedergeborenen die in grote zonden vallen en daarmee, de vaderlijke toorn Gods op zich laden, onder een verdoemelijke schuld komen te staan en de bekwaamheid verliezen om in het Koninkrijk der hemelen in te gaan. Dat is meestal niet een losse daad, maar een uiting van een bedorven stuk van hun hart. Die daadzonde wordt geboren uit een wortelzonde. En die zonde leeft dan op en legt zwaar beslag op hun ziel. Dan kan men wel spijt hebben, maar waar blijft het ware berouw en het zich afwenden van de zonde? Vanwege de verlichting des Geestes zien ze wel, dat het nu een verschrikkelijke toestand is, die bestaat in: de zonde willen en weten dat men met deze zonde verloren gaat, maar de zonde toch niet de scheidbrief willen of kunnen geven. Zij ondervinden het woord uit Rom. 2 : 9: „Verdriet en benauwdheid over alle ziel des mensen, die kwaad werkt". En van binnen voelen zij: „Is het dat gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven". (Rom. 8 : 13). Deze wedergeborenen zijn schuldig aan een dodelijke zonde, maar nog niet in de dood. Daar zullen ze ook niet in geworpen worden, gezien Gods vaderlijke liefde. Maar wel is 'het nodig, tot hun behoud, dat zij uit deze zonden getrokken worden en alzo uit de schuld des doods. Als het zo met hen blijft, kunnen ze echter in de hemel niet komen.

Zoals ik reeds schreef, is er van hun kant geen terugkeer te wachten. Zij zijn weer met de zonde verenigd. Maar van Gods kant wordt er wel een terugkeer gewerkt. God werkt ook in dezen het willen en het werken. Worden zij nu ineens in 'de vergeving gezet? Neen, voor deze vergeving moet eerst plaats gemaakt worden. Gods uitverkorenen worden allen zalig. Daar staat de Heere voor in. Degenen die in Christus zijn ingelijfd, worden alle zalig. Ook hier staat de Heere voor in. Maar als zij van God zijn afgevallen worden de gelovigen niet zalig dan in de weg van vernieuwde daden van boetvaardigheid en geloof. De uitverkorenen worden alleen zalig in de weg der middelen. Als een gelovige de weg opgaat van onreinheid en onboetvaardigheid, die recht toe recht aan naar de hel leidt, zal hij nooit in de hemel raken, tenzij hij wederkeert. Als hij zou sterven zonder terugkeer, valt hij in de eeuwige dood. Niemand wordt zalig uit kracht van de verkiezing, als hij in de zonde blijft leven. Het besluit, dat de uitverkorenen zalig zullen worden is vast, maar even vast is het besluit, dat zij alleen zalig worden in een weg van bekering, geloof en heiligmaking. „Zonder heiligmaking zal niemand God zien". (Hebr. 12 : 14). De metgezellen van Paulus zouden behouden worden, dat stond vast. Doch het stond even vast, dat zij dan allen in het schip moesten blijven.

Komen de wedergeborenen dan niet uit kracht van hun wedergeboorte tot nieuwe bekering en nieuw berouw? Neen, dat komen zij niet. De Heere moet een Nathan zenden, Jezus moet Petrus aanzien. Artikel 7 spreekt van een zekere en krachtige vernieuwing door Woord en Geest. De eerste vrucht daarvan is het berouw, een droefheid naar God. Is er ook een andere droefheid over de zonde? Ja, er is ook een droefheid der wereld. Wat is het verschil tussen die twee? De droefheid naar God is een droefheid, zoals God die wil. Zij is een droefheid, die ziet op wat men God aangedaan heeft. Het is een droefheid, zoals God deze werkt. Dit is een belangrijk iets. Er is een verklaring, die zegt, dat het een droefheid is, die door God wordt opgevangen en geleid. Dan zou de droefheid het werk van de mens zijn, en God maakt van deze droefheid dankbaar gebruik. Zoals deze verklaarder zegt: “Zij wordt door God aangegrepen om de bedroefde in het licht en tot het leven te brengen". Als ik goed zie, zijn er twee soorten verklaarders: de een gaat uit van de vrije wil op elke bladzij, die hij schrijft, en de ander gaat uit van de zondeval en dus van de knechtelijke wil. Men is een vriend van Erasmus of van Luther. Een middenweg is er, als het er op aankomt niet. Zo zegt de andere verklaarder, dat God droefheid geeft. Ik dacht ook, dat het zo lag. Eerst geeft God de droefheid over de zonde. Daardoor wordt de wedergeborene, die afgevallen is, weer losgemaakt van de zonde. Zij wordt hem weer een last. De begeerte er heen gaat hem tegenstaan. Hij neemt een vast besluit om zich geheel van dit kwaad af te wenden. De droefheid bewerkt, dat de zonde om Gods wil losgelaten wordt. Zij werkt bekering. Dit is een onberouwlijke bekering. De mens heeft er wat van geleerd. David heeft maar ééns een Bathseba genomen. Petrus heeft Jezus slechts één keer verloochend. Het was een onberouwelijke bekering.

En de andere droefheid, wat is dit? Daar komt geen bekering en dus geen zaligheid uit voort. De droefheid, die vanzelf uit het menselijk hart voortkomt, is smart over de gevolgen der zonde. Maar niet omdat de wet Gods is overtreden. Wij zien voorbeelden in Kaïn, in Ezau en vooral in Judas. En als het daarbij blijft is het noodzakelijk gevolg van deze droefheid de eeuwige dood. Een mens blijft dan voortgaan met de zonde, hoewel hij spijt heeft over de straf, maar er komt geen bekering naar God toe, die tot de zaligheid brengt. De droefheid van de wereld is een droefheid om de wereld.

't Is voor iedere lezer duidelijk, dat de droefheid het eerste is in deze tweede wederkeer tot God. Het is ook een teruggebracht worden. Natuurlijk liggen de zaken tussen God en mens de tweede keer anders dan de eerste keer. Daar is nu een Vaderlijke verbolgenheid bij God en geen Rechterlijke. De Almachtige wil Zijn kinderen niet om de zonde verdoemen. Maar Hij wil ook niet, dat zij in hun zonde blijven ronken. Daarom heeft Hij deze orde ingesteld, dat de daad der boetvaardigheid de weldaad der vergeving zal voorgaan. Dat was de ondervinding van David: „'k Bekend', o Heer, aan U oprecht mijn zonden .... en Gij vergaaft mij de misdaad mijner zonde".

Blijven het dan kinderen Gods nadat zij in zware zonde gevallen zijn? Ja, dat blijven ze. Zij behouden een recht op het Koninkrijk der hemelen. Maar zij kunnen dat recht niet uitoefenen. De vrucht der rechtvaardigmaking wordt voor een tijd opgeschort, totdat de nieuwe schuld door toerekening van de gerechtigheid van Christus in de weg van boetvaardigheid en geloof ook is weggedaan. Al deze dingen zijn uit God.

En zo volgt: Dat de wedergeborenen in hun zonde vallen niet voor goed van geloof en heiligmaking afvallen, komt niet uit hen of uit hun wil voort, maar uit een bijzondere liefde Gods, uit een Goddelijke werking en uit het aanzien van Christus, zoals Hij Petrus aanzag met Zijn voorbidding en bewaring. Zij worden dus zekerlijk en krachtig vernieuwd in de weg van boetvaardigheid, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 september 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's