De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Vergeving krijgen

9 minuten leestijd

Want; eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit Zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere, vernieuwt Hij hen zekerlijk en krachtiglijk door Zijn Woord en Geest tot bekering; opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn; vergeving door het bloed des Middelaars, door het geloof, met een verbroken hart begeren, en verkrijgen; de genade van God, Die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen; Zijn ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hun zaligheid met vrezen en beven des te naarstiger werken. 

Hoofdstuk V.

Artikel 7.

Vergeving krijgen.

Wij struikelen allen dagelijks in vele dingen. Dat zegt de apostel Jacobus. Met deze „wij" bedoelt hij de Christgelovigen. Bovendien zijn er onder de struikelingen enkele ernstige gevallen. Wat doen we daar nu mee? Ik meen te zien, dat velen aan hun zonde wennen. Dan kan er nog wel een betreuren zijn, doch geen echt haten en laten. Velen bidden het Onze Vader en houden het er nu voor, dat hun zonden elke dag opnieuw vergeven worden. Maar hoe gaat het bij een oprecht levend christen? Deze leert verstaan, dat hij, ook na ontvangen genade, een zeer verdorven natuur overgehouden heeft, die dikwijls in zondige daden uitbreekt. Daarom heeft elk waar christen een walg van zichzelf. Dit is het wat aan mondchristenen en praatchristenen ontbreekt. Wat gebeurt er nu bij bepaalde zonden, ook al zijn ze niet van zeer groot formaat? De zonden van Gods kinderen maken onbekwaam om gemeenschap met God te oefenen, zolang de gelovige daarover niet verootmoedigd is geworden. De gemeenschap met God is niet een mechanische zaak, zo'n soort druk op de knop. Het is niet zo, dat wij zondigen, automatisch om vergeving bidden, liturgisch mag men van mij ook zeggen, en, dat het dan Gods beroep is om te vergeven. Wanneer Gods kind gezondigd heeft, trekt de Heere zich terug.

De mens, die de verborgen omgang met God kent, en in merkbare mate Gods gebod schendt, wordt gewaar, dat er een scheiding gevallen is tussen de Heere en zijn hart. In zijn bidden, horen, lezen en overdenken is een ledigheid, God is er niet in. De psalmist kermt daarover: „O Heere; waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid? " Ps. 10 : 1). Een openstaande schuld doet een nevel opkomen tussen God en Zijn kind. Dan wordt alles donker voor het innerlijk, hoewel het verstand soms nog scherp waarneemt. Het zou wel eens kunnen zijn dat vele ware Christenen, die nog veel en verstandelijk recht van de dingen Gods spreken, toch ziek zijn, wat die onverzoende zonde en die duisternis van hun hart betreft. Wanneer deze onverzoende zonde er is, verdwijnt ook de vrijmoedigheid om op een gemeenzame wijze met de Heere Jezus te handelen. Comrie merkt op: „Als de zonde bedreven is en de ziel nog niet tot verootmoediging en dadelijke en particuliere geloofsoefening gebracht, zo ontstaat, vrees, kommer en schroom en achterdochtige gedachten, en hoe de ziel de hand des geloofs uitsteekt om Jezus aan te grijpen, zo kunnen zij Hem niet gewaar worden, maar hun hand keert ledig weder".

Wat werkt een onverzoende zonde nog meer uit? Dit, dat deze gelovige geen vermaak vindt in het denken aan God. Wanneer het geestelijk leven bloeit, vermaakt de gelovige zich met te denken aan Zijn God en Vader. Maar als er enige schuld op de ziel ligt, dan denkt de christen aan God op z'n best als aan een vriend, die men vertoornd heeft. Daar is geen inwendig geestelijk vermaak in. Ik zal nog één ding noemen. Mijn vrees is, dat er veel over de zonden heen geleefd wordt, ook door Gods kinderen en niet minder door mond-christenen, die zich alles toe-eigenen, maar op zand bouwen. En als men over de zonde heenleeft, zij het met geregeld gebed om vergeving, worden de zonden en begeerlijkheden al maar sterker. Een onverzoende zonde doet de oude mens sterker worden. Wanneer iemand echt door Christus verzoening en vergeving heeft ontvangen, kan hij zijn liefste zonden in de modder trappen. Maar een onverzoende zonde waarover hij niet verootmoedigd is, heeft dezelfde gevolgen als het afknippen van Simsons haarlokken.

Het is dus nodig, dat Gods kinderen, die aan enig kwaad zijn blijven haken, vergeving gaan zoeken. Doch dat heeft alleen effect als zij de vergeving zoeken met een verbroken hart. Het is niet genoeg, dat men vroeger verootmoedigd is. Een christen kan het met de vorige genade, doch ook met de vroegere verbrijzeling niet doen. De zonde moet hem ook ditmaal tot zonde gemaakt worden, zodat hij het verschrikkelijke ervan ziet. Zijn ongerechtigheden kennen is niet alleen een weten, dat deze en die dingen slecht zijn, maar ervan gruwen, omdat men deze boosheden in hun wezen aanvoelt en haat. Verder wordt het hart verbroken door een gedurig gezicht op de schuld van ons kwaad. Men bouwt op zandgrond, als men een kwartier last heeft van een zonde, bidt en z'n gedachten er vervolgens van af wendt. Dat is bouwen op zand. Een waar gelovige zegt: „Mijn overtredingen zijn steeds voor mij". Het gaat niet zo, dat men een hele dag in de zonde doorbrengt, 's avonds een paar nepen in z'n geweten krijgt en dan Psalm 32 : 1 zingt, zo vroom als men maar kan.

De volgende dag begint men dan van voren af aan. Maar bij Gods ware volk gaat het anders. Hun hart wordt net zo lang bewerkt tot het breekt. En dan gaat het niet om de zonde in het algemeen, maar om zeer bepaalde boosheden, die het hart gevoelig drukken. Gods Geest overtuigt van bijzondere en bepaalde zonden. Zo wordt de gelovige gevoelig. De psalm zegt: “Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad. Mijn zonde zie 'k mij steeds voor ogen zweven". De mens krijgt een walg aan zichzelf. Daardoor ontstaat dat gebroken hart. De ziel wordt diep verootmoedigd voor de Heere en verbrijzeld; in haar gedachten kruipt zij als een worm voor de voetbank van Gods voeten.

Wat hoort nog meer bij het verbroken hart, dat vergeving zoekt? Als het van binnen goed ligt, gevoelt de gelovige op een innerlijke, diepe en geestelijke wijze de bitterheid van de zonde, waarover hij de verzoening in Christus' bloed begeert. De profeet zegt: „Uw boosheid zal u kastijden en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij de Heere uw God verlaat". (Jer. 2 : 19).

Wat maakt de zonde zo bitter? Het overdenken van de vorige goedertierenheid des Heeren en het levendig besef van het gemis der vroegere vreugde. Een kind des Heeren, die waarlijk een kind des Heeren is, heeft eenmaal ondervonden, wat Paulus noemt: de uitnemendheid der kennis van Christus. Hij heeft de weergaloze schoonheid van Christus gezien en is door deze Vorst en Zaligmaker lieflijk omhelsd. Maar de zonde neemt dit weg. Een grote bittere smart is daarvan het gevolg. Dat proeven van de bitterheid der zonde is onmisbaar. Er wordt wel eens gesproken over tijdgelovigen. Die zijn er meer dan men denkt. Wat is hun kenmerk? Dat zij wel een bitterheid kennen over de zonde omdat zij er een bedrukt geweten van hebben of om de straf, maar dat zij niet bedroefd zijn over de zonde puur als zonde. Wat is het gevolg? Dat de tijdgelovigen altoos in een verborgen vereniging leven met deze of gene verdorvenheid. Alleen als men de bitterheid van de zonde als zonde proeft, wordt men ervan afgescheiden

Daarom is een verbroken hart een hart, waarin het geloof een diepe en volkomen haat tegen alle zonde werkt. Voor God mag de christen ongeveinsd belijden, dat het hem tot groot vermaak zou strekken als zijn verborgen hartezonden gedood werden. Zijn ziel wordt door het zien der zonde ontroerd, hij verfoeit haar en is bang voor de gelegenheden om te zondigen. Daarom verbergt de gelovige niets als hij vergeving zoekt. Hij is eer geneigd om de zonde voor God te vergroten dan te verkleinen.

De zonde kan moeilijke dingen voortbrengen: een benauwde consciëntie, een moeilijk leven, smart en ziekte en tegenspoed. Hoe is de gelovige daaronder, als hij zich van zijn zonde en schuld, ook na ontvangen genade, bewust is? Een verbroken hart heeft een ootmoedige gestalte, waardoor de gelovige voor God bukt. Hij keurt Gods doen goed, als Deze hem kastijdt. Hij veroordeelt vrijwillig zichzelf. Al is de nood en de pijn erg hoog, toch probeert hij te zeggen: „De Heere is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond wederspannig geweest". (Klaagl. 1 : 18).

Neen, vergeving van zonde verkrijgen is geen mechanische zaak. De gelovige begint ze te zoeken en te begeren: Hij is weer belast en beladen. Daarom roept hij: „O Zone Davids, ontferm u mijner". Hij pleit op de belofte, hij worstelt met de Heere. Het is niet genoeg dat wij mensen tot God spreken in ons gebed. Een echt gelovige heeft er behoefte aan, dat God tot hem spreekt, zodat hij ontferming ondervindt en het woord der vergiffenis hoort.

Tot zulke smekelingen daalt God af. Er komt een nieuwe verlichting des verstands. De genadeweg wordt andermaal ontsloten. De bedroefde christen mag weer geloven, dat de drie-enige God berouwvolle zondaars niet verstoot. Als er een echte verbreking des harten mag wezen en een laten en haten van de zonde opnieuw, wordt deze zon­ daar bepaalt bij de Borg des Verbonds. Hij mag het Lam Gods weer helder aanschouwen en de kracht van Zijn bloed. Dat schept opnieuw een Jezusbehoefte. De Christus wordt weer dierbaar, de kracht der zonde door het zien op Hem, gebroken, het geloof aangevuurd. Zo komt er een innige begeerte om dichter bij Hem te komen en opnieuw Zijn vrede te ondervinden.

Onze vaderen hebben niet geredeneerd, maar het leven der ziel beschreven, zoals God in de weg der dagelijkse bekering met Zijn volk handelt. Er is een dichterbij komen en dan legt de gelovige al zijn zonde op het Lam. Doch daarvoor moet de Christus nabij de ziel komen. Door Christus kan nu Gods volk weer tot de Vader naderen. Dat gaat niet zomaar. Niemand komt tot de Vader dan door de Zoon. Van de Vader ontvangt de schuldige gelovige de vrijspraak. Nu daalt wederom de vrede af, het vertrouwen, de sterkte. Het omhelzen van Christus, het aangrijpen van Zijn sterkte. Die gerechtvaardigd was, is weer gerechtvaardigd (Openb. 22 : 11).

Het is niet zo, dat alle dagelijkse zwakheden zulk een duidelijke weg van terugkeer nodig maken, doch het is wel zo, dat ernstige struikelingen alleen in deze weg van het verbroken hart en het begeren en het verkrijgen hersteld kunnen worden. Laat niemand zichzelf de genade inbeelden.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's