De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

Nu het tweede Vaticaans concilie op 14 september j.l. zijn vierde zittingsperiode begonnen is, is de R.K. kerk weer dagelijks in het nieuws. Onwillekeurig vraagt men zich af, welke definitieve beslissingen er ten aanzien van verschillende vraagstukken uit de bus zullen komen en op welke wijze deze de verhouding Rome-Reformatie zullen beïnvloeden. Wat gebeurt er in Rome? Betekent de door deze kerk ingeslagen koers ook inderdaad koerswijziging? Zijn de verschuivingen die daar zich voltrekken ook inderdaad vrucht van een Bijbelse vernieuwing? Dat zijn de vragen die aan de orde gesteld worden in een briefwisseling tussen prof. dr. H. Berkhof en ds. A. A. Spijkerboer in het blad „In de Waagschaal" (van 4 en 18 september). Het geheel is te uitvoerig om het hier onverkort weer te geven. Wie deze briefwisseling dus in zijn geheel wil lezen, moge ik verwijzen naar de beide genoemde nummers van „In de Waagschaal". We willen hier een enkel punt uit deze briefwisseling overnemen.

Verschuiving of vernieuwing?

Ds. Spijkerboer opent de briefwisseling met een aantal opmerkingen over Rome’s kerkbegrip — dit naar aanleiding van een publicatie van Herman Diependal, De Kerk van Christus, waarin deze onder meer de gedachte uitwerkt, dat de kerk als nieuwe mensheid, als gemeenschap van allen met de Eerstgeroepene, de herleefde, de voortlevende Christus is. Zij is het oer-sacrament, de bron van de stromen waarlangs Christus Zijn genade meedeelt. In Maria wordt — aldus Diependal — duidelijk, wie de kerk eigenlijk is en wat zij worden moet. Ds. Spijkerboer heeft tegen deze gedachtengang groot bezwaar. De Bijbel is het boek, dat ons spreekt van Gods trouw en de ontrouw der Kerk. We zijn als kerk juist niet Christus, maar in afhankelijkheid voortdurend aangewezen op Hem, Die ons rechtvaardigt en heiligt. Van hieruit stelt Spijkerboer de vraag of de Roomse theologie bij alle accentsverschuivingen wel waarlijk ooit gebroken heeft met de gedachte van de kerk als oersacrament. Staan wij in de twintigste eeuw wel werkelijk tegenover een ander Rome dan Luther en Calvijn?

Is het - waar, dat het hele gesprek tussen Rome en de. Reformatie zich toespitst op de leer over de kerk? Is niet de - wezenlijke zwakte van de Reformatie op het ogenblik, dat zij heimelijk verlangt naar de glorie die Rome — vanuit haar standpunt volkomen consequent en terecht — voor de kerk opeist? Van waar de treffende parallellen tussen sommige moderne protestantse theologen en het Rooms-Katholieke denken? Wanneer Jezus niet meer boven ons staat en niet meer Zelf door Zijn Woord en Geest aan ons handelt, wanneer Hij een soort „voorman" bij het geloven wordt die ons in de door Hem uitgevoerde beweging betrekt en dan in feite terugtreedt, vervalt men dan niet in de oorspronkelijke fout van het Rooms-Katholieke denken? Waarom heeft men toch zo een haast met het trekken van praktische consequenties terwijl er nog niets duidelijk is geworden? Waarom lopen pastoors en dominees gezamenlijk Bijbels te colporteren? Zijn ze het er dan al over eens, wat ze zeggen zullen als ze eens iemand ontmoeten die vragen gaat stellen, bij voorbeeld over de kerk? Waarom slaat men elders gezamenlijk aan het evangeliseren als men het er niet over eens is wat het evangelie is?

Prof. Berkhof meent dat het boek van Diependal, waartegen ook hij grote bczwaren heeft, niet kenmerkend is voor de RK. kerk en theologie. Hij wijst op de sterke nadruk die in de Constitutie over de Kerk op het tweede Vaticanum gelegd is op de kerk als volk van God. Berkhof meent dat Spijkerboer de Reformatie eenzijdig belicht. Bij alle aarzelingen en bezwaren die hij heeft t.a.v. de huidige koers in de Catholica ziet de Leidse hoogleraar toch in Rome tekenen van een Bijbelse vernieuwing. 

Maar: de R.K. kerk ondergaat op allerlei punten een Bijbelse vernieuwing die haar echtheid bewijst in de pijnlijke zelfkritiek waarmee die gepaard gaat. Ik zie dat als één der machtigste tekenen van de werkzaamheid van de Geest in onze tijd. Dat proces is in volle gang. Allerlei stellingen die wij tot voor kort als typisch-rooms beschouwden, zijn prijsgegeven. En nog is het einde niet te zien. Het Concilie is maar een fase, en zijn uitspraken zijn een compromis (net als vaak bij onze synode). In Nederland zijn vele katholieken alweer een stuk verder in dit proces der reformatie. In zo'n situatie vertik ik het om fronten te gaan opstellen. Dan veronderstel ik een statische situatie. Ik wil meedenken met de mensen daar die aan hetzelfde nieuwe lezen der Schrift deelhebben als ik. Ik gedenk ze elke zondag in de voorbede. Ik vraag me af, wat ik van hen leren kan. En in dat kader tracht ik hun ook duidelijk te maken waar ze mijns inziens nog verder moeten gaan. Misschien liggen straks de fronten weer vast. Misschien moet ik dan zeggen: „Spijkerboer en zoveel anderen hadden gelijk. Met de r.k. vernieuwing is het niets geworden! Maar de liefde hoopt alle dingen. Zij gelooft niet in statische structuren, maar in de Geest die Gods volk onderweg en op weg houdt.

In zijn tweede brief gaat ds. Spijkerboer nogmaals in op deze kwestie. Hij wijst op de pauselijke encycliek „Ecclesiam Suam", waar met nadruk sprake is van een identificatie van Christus en de kerk. Hij wijst ook op allerlei praktische punten (o.a. de herdoop van Prinses Irene). Wij protestanten, aldus Spijkerboer, zijn geneigd deze dingen te negeren of te bagatelliseren. In dat verband spreekt hij van een „romaniserende mode":

De toon, waarop er over de ontwikkeling van de laatste jaren gesproken wordt, stemt mij sceptisch. Is er een eerste ontmoeting tussen afgevaardigden van de Wereldraad en Rome, dan gaat dat niet zonder een dreunende verklaring over een „wending na vier eeuwen". Van waar toch deze behoefte om het kerkgeschiedenisboek tot op de laatste minuut bij te houden? Ook in de berichtgeving over het concilie struikel je over de „aardverschuivingen" en de „nieuwe tijdperken". Ik heb van mijn leven nog niet zo massief over de Heilige Geest horen spreken als sinds het concilie. Hij schijnt de laatste jaren een enorme activiteit te ontwikkelen en zich voornamelijk in de Sint Pieter te Rome op te houden. Hoe weet men dit alles? Trouwens je begeeft je zelf ook in het gezelschap van deze pneumatic! door te spreken over „een Bijbelse vernieuwing, die haar echtheid bewijst in de zelfkritiek, waar- 'mee zij gepaard gaat en "die één van de machtigste tekenen van het werk van de Geest" zou zijn. Zelfkritiek kan ook betekenen, dat de kerk met haar betere ik in gesprek is en ook het Concilie van Trente heeft zeer ingrijpend zelfkritiek geoefend door het kerkelijk leven op een volkomen nieuwe leest te schoeien. Toch denk ik bij het — door de deelnemers aan dit concilie uitdrukkelijk gevierde — Concilie van Trente niet meteen aan de Heilige Geest.

Is er iets aan de gang in Rome?

Er is dus volgens ds. Spijkerboer in de R.-Katholieke kerk wel beweging, maar geen reformatorische vernieuwing. Allerlei woorden krijgen in de moderne roomse theologie een dubbele of meerzinnige betekenis. Oude formuleringen worden op een nieuwe wijze geïnterpreteerd, zonder dat men vaak weet waar men aan toe is.

Een echt-reformatorische beweging verwerpt oude woorden en kiest nieuwe. Een leeruitspraak van de Rooms-Katholieke Kerk betekent a) wat er staat, b) na deskundige interpretatie het tegendeel van wat er staat en dan plotseling c) heel weinig meer. Dat er delen van het R.K.-kerkvolk in beroering komen en vragen: — Wat geloven wij nu eigenlijk nog? vind ik geen symptoom van reformatie, want wie hervormd wordt, roept: — Ja, dat geloven wij!

Op dit nogal scherp gestelde schrijven heeft prof. Berkhof geantwoord dat ook hij bang is voor een goedkoop oecumenisme. Ook hij ziet vele verontrustende symptomen. Niettemin meent Berkhof, dat er toch iets aan de gang is in Rome en dat het niet aangaat te zeggen, dat de Kerk van Rome met haar betere ik in gesprek is.

Jij ziet daar géén reformatie. Uit je brief maak ik op, dat dit mede komt doordat jij je een zeer speciale opvatting van reformatie hebt gevormd. Dat is een periode van profetische helderheid, van ondubbelzinnig belijden en verwerpen, en als gevolg daarvan van brandstapels en concentratiekampen. Dan kan men slechts aan West-Europa 1525-1575 en aan Duitsland 1934-1945 denken. Maar vergeet dan niet, dat aan deze explosies een lange incubatietijd voorafging, waarin inderdaad „de Heilige Geest op zijn kousevoeten de kerkgeschiedenis in" ging; en dat ook Luther een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt voordat het hem duidelijk werd waar de waterscheiding lag. Ik spreek dan ook niet van een „reformatie" in de R.K. Kerk (daarvoor is veel meer nodig), maar wel van een vernieuwingsbeweging, van een gevecht om vernieuwing vanuit nieuwe Bijbelse inzichten. Die beweging kan de voorbereiding tot een echte reformatie zijn. In elk geval zijn de tendensen naar de nu reeds 550 jaren uitgestelde reformatie, in de R.K. kerk nog nooit zo sterk geweest.

De briefwisseling eindigt dan met in het vooruitzicht te stellen dat een r.k. vernieuwingstheoloog zijn mening zal geven over deze zaak. Uit de summiere weergave moge blijken welke belangrijke dingen hier aan de orde gesteld worden.

Dingen die geen enkel reformatorisch christen onberoerd mogen laten. Wie de R.K. kerk volgt op haar weg door deze wereld ziet inderdaad allerlei verschuivingen. Ds. Spijkerboer is ten aanzien van dit alles nogal pessimistisch gestemd. Ik meen, dat we hem dankbaar mogen zijn voor de nuchtere wijze waarop hij gewezen heeft op het gevaar van veel oecumenische actie, die gevoerd wordt zonder dat men op de wezenlijke vragen die Rome en de Reformatie gescheiden houden ook maar enigermate ingaat. Men krijgt uit allerlei publicaties en acties van protestantse zijde wel eens de indruk dat velen zo geïmponeerd zijn door wat er in Rome aan de gang is, dat ze in een zekere eenheidsroes zonder meer bereid zijn over de confessionele verschillen heen te stappen. Of dat men zich eigenlijk wat geneert voor eigen reformatorisch erfgoed, en de formuleringen van b.v. de Heid. Cat. liefst zoveel mogelijk verzacht of verdoezelt. Ik meen, dat men op deze wijze geen werkelijke bijdrage levert. Rome is niet gediend met een gesprekspartner die zich wat geneert voor eigen belijden.

Ziet Spijkerboer de zaak te negatief en te donker? Ja, zegt prof. Berkhof, want hij redeneert vanuit een versmalde opvatting van de Reformatie en heeft er te weinig oog voor, dat de Heilige Schrift op een nieuwe wijze aan bod komt. Er zijn Bijbelse inzichten die zich daar baanbreken. Nu is dat laatste zonder meer waar. Ook Spijkerboer erkent dit, dat de Bijbel in Rome meer gelezen wordt dan vroeger. Allerlei commentaren en studies leggen getuigenis ervan .af, hoe er een zekere „openheid" is in de R.K. kerk voor het getuigenis van de Schrift.

Toch menen we dat de kritiek van prof. Berkhof de wezenlijke bezwaren van ds. Spijkerboer niet raakt. Er mag een „gevecht om vernieuwing" zijn, dat betekent nog geen toenadering tot de Reformatie. Want daar blijft alsnog de dogmatische kloof tussen Rome en de Reformatie. De R.K. theoloog gebonden aan de dogmata van zijn kerk tracht eigen visie en nieuwe, moderne inzichten daarmee te verbinden via een herinterpretatie van de oude formuleringen. Ik meen dat hier het grote probleem ligt. Herinterpretatie betekent nog geen verwerping van het dogma zelf. Ieder r.k. theoloog, hoe vrij ook in zijn interpretatie blijft gebonden aan de leeruitspraken van zijn kerk. Dat maakt op niet Rooms-katholieken vaak een wat irritante indruk, — men weet niet waar men aan toe is — maar we zullen moeten bedenken dat de R.K. theoloog gezien zijn kerkopvatting en gezien zijn opvatting aangaande de verhouding tussen Schrift en kerk deze weg wel op moet. Daarom moeten we inderdaad ds. Spijkerboer toegeven: Met het woord beweging is zo weinig gezegd. Het eigenlijke probleem in het gesprek Rome-Reformatie is en blijft de verhouding Schrift en Kerk,

Traditionele leer gehandhaafd.

Het bovenstaande wordt geaccentueerd door de jongste encycliek van paus Paulus VI over het sacrament van de eucharistie, het H. Avondmaal. Zoals u weet vormt de viering van de Mis het hart van de roomse eredienst. Niet de prediking staat centraal, maar het Misoffer. En de dogmata t.a.v. de eucharistie vormen een onoverkomelijk struikelblok in de verhouding tussen Rome en Reformatie. Men zie antwoord 80 van de Catechismus waar in felle bewoordingen de gedachte van de mis als onbloedige herhaling van het kruisoffer en de leer van de transsubstantiatie van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus wordt afgewezen.

In de huidige roomse theologie klonken de laatste jaren allerlei stemmen die ook t.a.v. de wezensverandering nogal wat bezwaren hadden. Prof. dr. A. J. Bronkhorst schrijft hierover in „Hervormd Nederland" van 25 september n.a.v. de pauselijke encycliek.

Waar kwam deze neiging vandaan? Mag ik hier vermoeden, dat het enerzijds een poging was om minder speculatief en meer existentieel over het avondmaalsgeheim te spreken en dat hier anderzijds ook de invloed van een meer bijbels-theologische benadering van het r.k. dogma krachtig was gaan meespreken? Het is mij trouwens de laatste jaren meer dan eens opgevallen, dat r.k. priesters soms grote moeite met de leer van de transsubstantiatie hebben en zich ernstig afvragen of zij nog wel voort mogen gaan met hun dienst bij het altaar te vervullen. Het is alles zo miraculeus, zo toverachtig en de vormen der vroegere (? ) r.k. vroomheid rondom de mis onderstreepten dit nog eens extra. De poging om tot een geestelijker verstaan van het eucharistisch geheim te komen is m.i. dan ook volkomen begrijpelijk.

Bovendien had de liturgische beweging binnen de R.K. Kerk twee andere problemen acuut gemaakt. Enerzijds de vraag of de eucharistie geen gemeenschapsviering behoeft, zodat de viering van de priester met één enkele misdienaar in een overigens geheel lege kerk toch eigenlijk buiten de orde is. En in de tweede plaats de vraag of de geconsacreerde hostie na afloop der viering nog wel iets bijzonders is. Het dagblad „De Tijd" weet van minstens één kapelaan, die meende dat men met geconsacreerde hosties de kippen kon voeren.

Nu heeft paus Paulus VI in de encycliek „Mysterium Christi" in deze discussie ingegrepen en gewaarschuwd voor allerlei nieuwe opvattingen die zich met de traditionele kerkleer niet verdragen. De praktische consequenties die uit dit alles voortvloeien zijn:

a. Ook de privéreis van de priester en de misdienaar verdient aanbeveling

b. Het eigenlijke geloofsgeheim van de wezensverandering mag niet verdoezeld worden.

c. Na de viering blijft Jezus Christus aanwezig in de geconsacreerde hosties, zodat deze op de meest eerbiedige wijze moeten worden behandeld.

Dat alles is duidelijke taal. Het laat ons zien hoe moeizaam het gesprek Rome-Reformatie zelfs maar opgang kan komen. De pauselijke encycliek maakt duidelijk dat de breuk in wezen nog even scherp ligt als in antwoord 80 van de Heid. Catechismus.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's