De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Het Reveil 9

5 minuten leestijd

BET RÉVEIL

IX.

Ik weet, dat ik door het aantasten van dit stelsel van onmiddellijke en buitengewone verzekering, in de oogen van sommigen eene soort van heiligschennis bega. Maar ik weet óok, dat dit stelsel bij de wederdoopers, en niet in de Gereformeerde kerk te huis hoort, en dat de vaderen het uitdrukkelijk als eene schadelijke dwaling hebben veroordeeld. Ik weet, dat met dit stelsel niet alleen de kinderdoop, maar ook de bejaardendoop onmogelijk, het genadeverbond onnut, het bestaan eener heilige algemeene christelijke kerk eene ongerijmdheid, en de waarachtige evangelische verzekering, in verband met onze voorverordineering, onbereikbaar wordt".

Tot zover de kinderdoop.

Men kan de verleiding haast niet weerstaan nog meer te citeren uit dit, ook voor onze tijd, nog bij uitstek praktische geschrift. Overigens had Wormser wel goed gezien, dat bestrijding niet zou uitblijven. 27 juli 1854 schreef hij aan Groen: „Bij onze eigene rigting zit veel kwaad en daarom is het genadig van den Heer, dat Hij ons in dezen toestand geen overwinning schenkt. Zwolse vromen hebben mij doen weten dat ik, wegens mijn schrijven over den Kinderdoop, waardig was dat mij een molensteen om de hals gedaan en ik in de diepte der zee geworpen werd; het is te ruim geschreven. Gelukkig zijn niet al onze vromen zóó; doch deze bekrompen rigting is zeer sterk, en haar triomf is af te bidden". Overigens was hij er ver vandaan eenvoudigen te kwetsen: (november 1852) „Mijn laatste opstel over den Kinderdoop kost mij moeite; ik moet de Nederlandsche natie confronteeren met haren doop. Een teeder onderwerp! Het tafereel wordt van zelf donker, en toch wensch ik te trachten dat de moed der strijders eerder aangevuurd dan nedergeslagen worde. Ook kan ik niet ontkennen, dat ik bij het stellen eenigszins gebukt ga onder een gevoel van onvrijmoedigheid, terwijl ik nogtans ondanks mijzelven word medegevoerd om harde dingen te zeggen. De Heer regeert; — het schrijven over den doop was mij zelven dikwijls tot bemoediging en sterkte".

Indien ergens, bleek de kerkelijke onenigheid van de Réveilmannen wel zeer duidelijk bij de beroeping van Dr. L. S. P. Meyboom naar Amsterdam. Nadat reeds vele adressen en protesten tegen de overkomst van deze moderne predikant waren gezonden aan het Classicaal Bestuur van Amsterdam en aan de Synode, werd deze stroom besloten door een door Wormser opgesteld Eindprotest. Op de bijeenkomst van de Chr. Vrienden van 23 oct. 1854 te Amsterdam werd het ter tekening gelegd. De adhaesieverklaring, die de Vrienden opstelden, luidde aldus: „De ondergetekenden, leden der Nederlandsche Hervormde Kerk, bekend geworden met de uitspraken van het Classicaal Bestuur van Amsterdam, van het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland en van de Algemeene Synodale Commissie, in de zaak van Dr. Meyboom, overtuigd dat zoodanige toepassing van de bestaande reglementen waardoor inderdaad èn de belijdenis èn de Heilige Schrift van alle verbindende kracht beroofd wordt, met slooping van de Kerk als Hervormd, als protestantsche en als Christelijke Kerk zou gelijk staan; — Vereenigen zich in die hoofdgedachte met het eindprotest van de leden der A'damsche gemeente, waarbij met smart en tevens met onwankelbaar geloofsvertrouwen van het gepleegde onregt, op Christus, het eeuwigblijvend Hoofd der Gemeente, hooger beroep geschied is".

Da Costa keurde het Eindprotest waardig om „als schakel in de geloofsgetuigenissen onzer kerk, achter de Belijdenis en de Formulieren in onze kerkboeken te worden geplaatst". Maar Beets en Chantepie, de predikanten van „Ernst en Vrede", wilden niet tekenen. Op de twintigste vergadering van de Chr. Vrienden kwam ook deze ondertekening ter sprake, doch de van de predikanten gewenste adhaesie werd niet gegeven. Wormser schreef er over aan Groen: „sedert jaren hebben wij verlangd dat de vergadering van Chr. Vrienden kerkelijk zou worden; naen wilde niet; thans dringen de omstandigheden" Kort tevoren was men uiteen gegaan zonder over het kerkelijk vraagstuk tot eensgezindheid te zijn gekomen. 10 febr. 1855 schreef Wormser: „Wat de bijeenkomsten van Chr. Vrienden aangaat, moet ik, ofschoon ik anders in dergelijke gevallen zeer behoudend ben, uwe bezwaren deelen". Groen had twee dagen te voren aan hem geschreven: „We zouden nu weldra praeparatoire maatregelen moeten nemen voor de bijeenkomst van April. Ik gevoel daarvoor zeer weinig opgewektheid. In de tegenwoordige omstandigheden heeft het telkens publiek maken van onze verdeeldheden, van ons onvermogen en redekavelen zonder uitkomst, weinig nut en veel nadeel misschien. Ook zie ik geen reden om mij aldus telkens, bij een nooit doeltreffend overleg, op den voorgrond te stellen". Wormser antwoordt: „Ook ik zie niet in waarom U zich steeds op den voorgrond zult laten plaatsen in eene vergadering, die slechts met moeite en weerzin (wat de leiders betreft) wordt zamengehouden. Zelfs het zamenbrengen van het bagatel kosten heeft moeite gehad. Ik, die geen vermogen heb, zie mij altoos tusschen de aanzienlijke heeren geplaatst en betaal mijn aandeel met vreugde. Maar des te meer erger ik mij, wanneer ik zie dat, ook voor deze vergaderingen, rijke menschen scherpe aanmerkingen maken of weigeren mede te betalen. Men droomt van evangelische gezindheid en evangelische rigtingen, en bedekt onder die benamingen zijn afkeer en onverschilligheid voor de Kerk, hare belijdenis en belangen. Ik geef U in bedenking dat wij trachten de bijeenkomsten van Chr Vrienden te doen vervangen door vergaderingen van de Hervormde Vereeniging van Ds. Heldring, en er op aan houden dat de predikanten zich daarbij op den voorgrond plaatsen en de leiding in handen nemen. Het is altoos een gebrek dat aan de kerk het minst door predikanten, aan de school het minst door onderwijzers gearbeid wordt. Daardoor is onze positie valsch en onhoudbaar". Het lijkt ons geen wonder, dat Wormsers toon, misschien ondanks zichzelf, toch wel wat biter is geworden!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's