DISCUSSIE
Moet de gezondmaking van de kerk en het geloofsleven verwacht worden van een terugkeer tot en een nieuw verstaan van de Reformatie met terzijdestelling van het Piëtisme?
Van dr. Graafland en ds. van Sliedregt *)
Deze vraag met nog vele andere vragen zijn mij door coll. Van Sliedregt gesteld n.a.v. mijn boekje „Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking".
Dankbaar ben ik, dat deze vragen worden gesteld, omdat dit juist ook de bedoeling van mijn schrijven is geweest. Omdat de vragen van zulke grote betekenis zijn, zijn we samen, met goedvinden van het Hoofdbestuur, overeengekomen om het stellen en beantwoorden van deze vragen in „De Waarheidsvriend" te doen, plaatsvinden, in de hoop, dat ook anderen met ons zullen meedenken.
De bovengestelde vraag heeft betrekking op mijn uitspraak in het genoemde boekje op blz. 12: „De gezondmaking der kerk is niet te verwachten van een voortgaan in het spoor van de Nadere Reformatie, maar in een terugkeer tot en opnieuw verstaan van de Reformatie zelf".
Deze uitspraak heb ik nader omschreven en gefundeerd in de blz. 22—33, waarin ik in grote lijnen heb trachten aan te wijzen, dat het Piëtisme een aanvulling heeft willen zijn op de Reformatie, maar in feite een aanvulling is geweest op de Gereformeerde Orthodoxie, zoals deze onmiddellijk na de eerste Reformatie in de Gereformeerde theologie is doorgedrongen. Het heeft daarbij niet onderkend, althans niet voldoende, dat deze Orthodoxie niet een aanvulling behoefde, nl. van de kant van de beleving der ziel, maar een grondige correctie, omdat het zaligmakend geloof nu eenmaal niet bestaat uit een historisch geloof plus het vertrouwen van het hart, maar een gave van de Heilige Geest is, waardoor de gehele mens met verstand en hart vernieuwd wordt tot de kennis Gods en van Christus.
Als wij dit globale oordeel over het Piëtisme uitspreken, moeten wij een paar dingen erbij opmerken. 1e. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de z.g. Nadere Reformatie en het Gereformeerd Piëtisme. De Nadere Reformatie strekt zich ongeveer uit tot de tweede helft van de 17e eeuw. Een figuur als Willem Teellinck is bepalend voor de Nadere Reformatie. Het Piëtisme komt daarna. Schortinghuis zou ik hierbij willen noemen. Het verschil tussen Nadere Reformatie en Piëtisme is, dat de eerste een veel bredere basis had. Ze richtte zich niet alleen op de beleving van de ziel, maar ook op de praktijk der godzaligheid in het alledaagse leven. Ze had ook veel meer de hele kerk en het hele volk op het oog, terwijl later de aparte groep in de kerk en enigszins bezijden de kerk op de voorgrond trad. Ook was het geestelijk leven nog veel minder methodistisch-schematisch gereglementeerd dan later.
2e. Er valt een zekere gelaagdheid waar te nemen bij de mannen der Nadere Reformatie. Er is een orthodoxe laag, die verstandelijk-schematisch en sterk wijsgerig beïnvloed de gereformeerde waarheden uiteenzet.
Er is een mystieke laag, waarin een vaak Jezu-centrische mystiek wordt beoefend, die sterk doet denken aan en ook beïnvloed is door de middeleeuwse mystiek, hetzij direct of indirect.
Er is een methodistische laag, waarin de beleving van het heil wordt uitgestippeld en ook min of meer normatief wordt gesteld. Het gevolg ervan is een sterke gerichtheid op het innerlijk beleven in een analyserende prediking en pastoraat.
Er is ook een reformatorische laag, waarin het reformatorisch belijden van het sola gratia - sola fide zuiver doorklinkt, waarin de zaligheid buiten de mens in Christus wordt gezocht en waarin er een zuivere verhouding gesteld wordt tussen Christus en het Woord, tussen Woord en Geest.
Deze verschillende lagen lopen door elkaar heen.
Wanneer wij nu aan de eigenlijke beantwoording van de vraag toekomen, kan het duidelijk zijn, dat wij deze na-reformatorische ontwikkeling niet positief kunnen waarderen. Wij zien haar inderdaad als een afglijden, een vereenzijdiging en verstarring.
Ook hierbij echter weer een paar opmerkingen.
Ie. Uit het bovenstaande wordt het duidelijk, dat wij deze ontwikkeling niet zien als een absolute afglijding. Het goud der Reformatie is wel bewaard gebleven, maar het is verdonkerd. Het levend geloof der Reformatoren wordt zeker ook in de Nadere Reformatie gevonden, maar het is eenzijdig, beperkt geworden. Het heeft niet meer die brede allure van de Reformatie (het staan van de christen in deze wereld), het heeft evenmin meer de diepte van de Reformatie (de zekerheid des geloofs).
De verinnerlijking van het geloofsleven, dat het Piëtisme juist als een prae beschouwde, is geen voordeel gebleken. Het blijkt nu eenmaal, dat het geloof krachtiger en zuiverder geoefend wordt, naarmate het leeft van zijn voorwerp (Christus).
2e. Wij verwachten dus de gezondmaking der kerk niet, wanneer wij in deze lijn (van het Piëtisme) zouden doorgaan. Dat wil echter niet zeggen, dat wij het Piëtisme terzijde zouden willen stellen. Al zouden wij het willen, wij zouden niet kunnen. Als historische gegeven heeft de kerk het uit het erfgoed van het verleden meegekregen.
Maar ook afgezien daarvan, kan de kerk haar nut ermee doen. iedere periode van de kerkgeschiedenis betekent een les voor het heden, hetzij negatief of positief. De les van het Piëtisme heeft ook een negatieve en een positieve kant.
De positieve kant is, dat wij in het brengen van de boodschap des heils de mens in het oog moeten houden. Ook leert het Piëtisme ons, wie die mens is. Dat is de waarheid van het woord van Van Ruler, dat wie de oude schrijvers verstaat ook de moderne dichters verstaat. Dat is waar, omdat beiden een enorme aandacht besteden aan de mens. Daar kunnen wij veel van leren. Maar dat wil niet zeggen, dat wij ook de antwoorden moeten geven, die de oude schrijvers hebben gegeven. Zij hebben over het algemeen te veel de mens in zijn aandacht voor zichzelf gestijfd, door hun analytische prediking. Maar het antwoord der Schrift en der Reformatie is, dat deze mens, de werkelijke mens, geworpen wordt op Christus, en zo van zichzelf wordt verlost. Ik zeg niet, dat dit laatste niet in het Piëtisme wordt gevonden. Er zouden prachtige passages zijn aan te wijzen, waarin dit wel wordt gedaan. Maar de overheersende lijn is anders. Daarin wordt de mens geworpen op zichzelf.
3e. Wanneer ik zeg, dat de gezondmaking der kerk verwacht mag worden van een terugkeer tot en een nieuw verstaan van de Reformatie, dan bedoel ik daarmee niet, dat wij over een stuk geschiedenis kunnen heenstappen, alsof dit nooit geweest is. Wij zijn blijvend door de 17e, 18e eeuwse, maar ook 19e eeuwse geestesstromingen beïnvloed. Ik geloof niet, dat het Gods bedoeling is, dat wij al deze invloeden van ons af zouden schudden.
Maar wij hebben in deze zin terug te keren tot de Reformatie zoals de Reformatie zelf teruggekeerd is tot de Schrift. De Reformatie kon ook niet de vele eeuwen theologische en kerkelijke bezinning ongedaan maken en heeft dat ook niet gewild. Maar door dit alles heen en boven dit alles uit ging zij primair terug tot de bron. Zo kwam het tot een nieuw verstaan en beleven van het heil.
Zo moeten wij terugkeren tot de Reformatie en via deze bron tot dé Bron. Ontdaan van de vele scholastieke begrippen, die ons nog aankleven. Wij hebben in vele gevallen een stolp op het Woord geplaatst. Die stolp dient te worden verwijderd om tot het bijbels realisme te komen. Dat is het motief van de Reformatie geweest. Het zal blijken, dat we dan ook vrij worden voor het heden.
De gereformeerde prediking heeft juist voor het heden een machtige boodschap. Maar zij wordt in het brengen daarvan gefrustreerd, doordat ze vasthoudt aan niet-wezenlijke, niet-reformatorische en niet-bijbelse beschouwing en tradities. Daardoor sluit deze prediking zich onnodig af en blijft ze te veel in een besloten kring. Dat laatste is aan het Piëtisme te danken. En wanneer wij deze reformatorische openheid weer terugkrijgen, dan zal de hele kerk daarbij welvaren. Onze prediking is nl. dan niet meer allereerst gericht om de groep te vermeerderen, maar om Gods Woord in het midden van de kerk te prediken. Dit zal ons brengen tot een vernieuwing aan werkelijk alle kanten van onze geestelijke en kerkelijke positie.
C. Graafland.
Met dank aan collega Graafland voor zijn ingaan op de door mij aan hem gestelde vragen heb ik met belangstelling kennis genomen van zijn eerste antwoord, dat gericht is op mijn vraag die hij boven zijn artikel meedeelde en waarin hij nog eens nader uiteenzet zijn visie op de Nadere Reformatie.
Zijn schrijven roept echter bij mij weer reacties op, waaraan ik nog graag uiting geef:
1. Het is m.i. de vraag of we zo algemeen mogen zeggen, dat de Nadere Reformatie een aanvulling heeft willen zijn op de Reformatie. Ik weet wel dat er uitlatingen in die richting zijn, maar daarom mogen we nog niet m.i. de gehele beweging daarmee gestempeld achten. Ik meen dat velen de Nadere Reformatie gezien hebben als de doorwerking van de reformatorische „doctrina" (de hemelse leer) in leer en leven (als harmonische eenheid) van de reformatorische christenheid dier da gen. Ik meen ook ze zo te moeten zien.
Natuurlijk ben ik het met collega Graafland eens dat hierbij allerlei afglijdingen vallen te constateren. Ook vooral in verband met een weer binnenhalen van Aristoteles in de theologische bezinning, waardoor de filosofie de theologie ging overwoekeren en de laatste ging verzanden in scholastieke systematiek. Mede daardoor zal ongetwijfeld het Piëtisme die bepaalde kleur gekregen hebben en verloor het uit het oog de breedheid van visie (het gehele leven in kerk, staat en maatschappij). Ik zou dan ook de laatste zijn om de hele lading van het achttiende eeuwse Piëtisme voor mijn rekening te nemen.
In mijn vraag bedoelde ik met „Piëtisme" de geestelijke dieptelaag van de Nadere Reformatie. En ik meen, dat we alleen tot de grootste schade van ons geestelijk en kerkelijk leven ons kunnen distantiëren van de principiële kernzaak, waarbij dit Piëtisme wilde bepalen, nl. het geloof als de geestelijke kennis van en omgang met God en de ontplooiing en wasdom daarvan. Het geloof is van andere, hemelse orde; het hangt af — naar Calvijn schrijft — van de Geest der wedergeboorte (comm. op Joh. 2 : 23). Het brengt vruchten in geestelijke gestalten en oefeningen voort. Het is bevindelijk van aard.
Collega Graafland zal dat van harte met mij eens zijn. Maar dan zou ik dat door hem zo beklemtoond willen zien, dat hij met nadruk vaststelde, dat — in ons zoeken terug te keren tot de Reformatie en haar nieuw te verstaan — we ook in dat opzicht de Nadere Reformatie beslist niet kunnen missen, omdat we zo alleen in het hart van de reformatorische doctrina terecht komen en zo ook alleen Calvijn in zijn diepste bedoelingen vatten, daar zijn commentaren en brieven overvloedig en veelzijdig met grote diepte-dimensie daarvan getuigenis afleggen.
Het gaat ons om het levend geloof in de God en Christus der Schriften, gewekt en gevoed door Woord en Geest. Het levend geloof, dat Calvijn b.v. nadrukkelijk onderscheidt van het „koud geloof, niet vergezeld van de ware gevoelens of aandoeningen des harten". Daarop wilde het Piëtisme toch de klemtoon leggen. En dat daarbij de mindere of meerdere ontplooiing van dit geloof ook aandacht ontvangt, is wederom niet iets dat aan Calvijn vreemd is.
Zeker, helaas is veel piëtistisch schrijven en pastoraat later verzand in beschrijving van gestalten, zonder door te breken tot de zekerheid des geloofs. En er is verkeerd gewerkt met de zgn. syllogismus mysticus. Maar nog eens, ik neem niet alles voor mijn rekening. Verre van daar. Persoonlijk vind ik trouwens de Schotten uit die eeuwen zakelijker, meer afsnijdend en direct richtend naar, werpend op het Evangelie en daardoor op Christus en God in Hem.
Nu spreekt ook collega Graafland van een positief waarderen van het Piëtisme: „De les die het ons leert, is, dat we in het brengen van de boodschap des heils de mens in het oog moeten houden". — Ik vind dat te zwak. De les is vooral, dat het geloof en het leven des geloofs naar hun aard van andere orde zijn dan de natuurlijke mens verstaat en beleeft; de les leert waarin het geloof in zijn aanvang en voortgang bestaat. Alleen als we van daar uit opkomen zullen we de brede reformatorische allure kunnen zoeken te verwerven zonder een torso te worden, een romp zonder ledematen, ja zonder hart. In de Nadere Reformatie heeft God het leven bewaard. Het moge dan hier en daar gebrekkig tot openbaring zijn gekomen, maar het is het leven der kennis Gods. Wanneer we in dit opzicht niet voortgaan in het spoor der Nadere Reformatie zullen we mogelijk menen bij Calvijn terecht te komen, maar toch wezenlijk aan hem vreemd blijven en daardoor de reformator in zijn diep-geestelijk en schriftuurlijk onderricht onthouden aan ons geslacht. Dat zal het laatste zijn, wat collega Graafland beoogt, maar ik meen in zijn opzet en wijze van aanpak der dingen dit gevaar te moeten signaleren.
Daarom heb ik ook bezwaar tegen zijn trekken van een parallel tussen de terugkeer van de Reformatie via de vele eeuwen theologische en kerkelijke bezinning daarvoor tot de bron en onze terugkeer via de voorbije eeuwen tot de Reformatie en daarin tot de bron. Onze terugkeer moet en mag veel en veel meer positief geladen zijn dan de terugkeer van de Reformatie. Het goud der vrije genade schittert juist zo heerlijk in de geschriften van tal van onze vaderen, terwijl juist dat in veel voor-reformatorische eeuwen volkomen verdonkerd was. Het licht dat uit veel geschriften der vaderen uitstraalt kan ons alleen maar tot voorlichting zijn, opdat we de reformatorische rijkdommen naar de Schriften mogen uitdragen.
Dat vooral later het gestaltelijk zieleleven alleen maar meer aandacht ontving ten koste van de brede allure der Reformatie (het staan van de christen in deze wereld) en de diepte van de Reformatie (de zekerheid des geloofs) moge een beperking zijn, die afgewezen moet worden, zij mag ons niet het gevaar doen lopen onszelf of anderen er toe te brengen met het badwater het kind uit te werpen.
Bovendien, dacht ik, moeten we de ontwikkeling ook in breder licht zien. Dat de Nadere Reformatie uitliep op het Piëtisme van de 18e eeuw hangt toch ook ergens samen met de oordelen Gods over de Kerk in verband met de verharding des harten. We gaan ook in het spoor van Calvijn als we waarschuwen voor het gevaar der valse verzekerdheid.
2. Was het werkelijk de gedachte der Nadere Reformatie, dat de orthodoxie een aanvulling behoefde, nl. van de kant der beleving der ziel, m.a.w. dat bij de kennis van het hoofd, waaraan dan verder niets behoeft te veranderen de hartegenade komt? — Dan zou inderdaad het zaligmakend geloof bestaan uit het historisch geloof plus het vertrouwen van het hart.
Wordt dan praktisch door de Nadere Reformatie het geloof alleen gesteld in het vertrouwen, dat de Heilige Geest in het hart werkt? Met uitsluiting van de kennis?
Collega Graafland wijst in dit verband op H. C. vr. en antw. 21, waar eerst gesproken wordt van kennis en later van vertrouwen, terwijl bij dit vertrouwen alleen gewag gemaakt wordt van de Heilige Geest, die het werkt. Ik kan niet zien dat hiermee recht gedaan wordt aan de Nadere Reformatie. Er wordt m.i. een tegenstelling tussen Reformatie en Nadere Reformatie op dit punt veronderstelt, die niet klopt op de werkelijkheid.
Zeker, Calvijn spreekt heel veel over de kennis, als hij het over het geloof heeft. Maar hij bedoelt — naar we toch weten — de levende kennis die door de Heilige Geest eigen gemaakt wordt, welke kennis bevindelijk is, waarbij het hart dus mede betrokken is. Anderzijds is toch ook bekend dat a Marck met nadruk spreekt van de kennis des geloofs, ja dat het geloof ook kennen is.
Bij de anderen is het toch ook weer niet zo, dat de kennis niet in de vernieuwing betrokken is. Want steeds wordt ook van het toestemmen gesproken, dat aan de kennis inherent is.
Er moge verschil van klemtoon zijn — en daarover kan gediscussieerd worden —, maar Reformatie en Nadere Reformatie ontmoeten elkander toch in 1 Kor. 2: wij spreken de wijsheid Gods, welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest.
Daarom betwijfel ik ten zeerste of collega Graafland het recht heeft om hier te spreken als van een bijna absolute tegenstelling. Ik meen van niet. Het maken van deze tegenstelling met zo'n sterke nadruk zou wel eens een doodsteek kunnen blijken te zijn voor de bevindelijke prediking in de Schriftuurlijke zin. De geestelijke ontwikkeling van de laatste halve eeuw in de Geref. Kerk moge ons een baken in zee zijn.
Natuurlijk begrijp ik, dat collega Graafland aan de andere kant allerlei gevaren ziet. Die zie ik ook wel. Ik ben het met hetgeen hij dienaangaande aan het slot schreef over frustratie van de geref. prediking ook wel eens. Maar ik meen nochtans, dat hij in "het zich stellen tegenover die gevaren op de wijze, waarop hij dat doet, aan het positieve element van de Nadere Reformatie niet genoegzaam aandacht schenkt.
Van Sliedregt.
*) De discussie tussen de heren dr. Graafland en ds. Van Sliedregt wordt in ons orgaan „De Waarheidsvriend", ter kennis gebracht van de lezers. Daarna zal het Hoofdbestuur zijn standpunt bepalen en in „De Waarheidsvriend" bekend maken.
J.Severijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's