Een niet verhoord gebed (I)
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 2 Corinthe 12 vs. 7—9.
In de eerste verzen van 2 Corinthe 12 staan opmerkelijke zaken. Daar wordt gesproken van een duivel, die door God gegeven is om een trouwe dienaar Gods met vuisten te slaan. Daar hoort men van een apostel, een gevolmachtigde Godsgezant, die sterk is in het werken en toch het meeste roemt in zijn zwakheid. Daar leest men van een man met een gevoelig hart, die er een welgevallen in heeft, als hij gesmaad en vervolgd wordt. Heeft dit een verstaanbare reden? Jawel, want daardoor wordt hij vernederd en dus zijn hoogmoed gebroken.
Het merkwaardigste is wel, dat een kind des Heeren roemt over zichzelf, want dat past een christen wel het allerminst. Gods kinderen zijn geroepen om te leven tot eer van God en Hem te prijzen. Dat heeft Paulus in de laatste verzen van hoofdstuk 11 gedaan. Ditmaal gaat hij roemen om zichzelf te verheerlijken. Dat is ook wat. Waarom doet hij dat? Hij zegt immers zelf: te roemen is mij waarlijk niet oorbaar, d.i. niet nuttig. Waarom dan toch? Omdat zijn vijanden zo laag op hem neerzien om hem verdacht te maken bij de christengemeenten. Daarom voelt hij zich gedrongen om eens iets te zeggen over hetgeen hij ondervonden heeft. De anderen vertellen zoveel over zichzelf, misschien is het dan nuttig, dat hij ook eens iets over zichzelf vertelt. Veertien jaar geleden — hij weet het nog precies, want hij is die dag nooit vergeten — is hij opgetrokken in de hemel. Hij noemt zichzelf: een mens in Christus, d.i. een mens, die in Christus is ingelijfd. Die mens kwam in de derde hemel, d.i. de plaats waar de zaligen zijn. Die plaats is een paradijs, dus een plaats waar het geluk weer wordt genoten, dat door de zonde verloren ging. Hoe Paulus daar geweest is, weet hij niet. Hij weet niet of het zonder of met lichaam was. De hemelse en de aardse toestanden zijn immers zo verschillend, dat de apostel het niet kan verklaren,
Wat was het doel van dit gezicht? Wij weten het met Calvijn meent, dat God hem op een bijzondere wijze heeft willen overtuigen van het bezit van Gods gunst. Paulus hoorde daar iets, maar het waren woorden die door een mens niet uitgesproken kunnen worden. Paulus mag die woorden op aarde zelfs niet uitspreken. Van deze begenadigde mens zal Paulus roemen, zodat zijn roemen toch nog tot eer van God is. Wat hem zelf op aarde betreft, dan heeft hij alleen zijn zwakheden, waarvan hoofdstuk 11 spreekt. Daar is hij blij mee. Van die openbaring zal hij iets meer zeggen. Hij wil immers niet, dat de mensen hem zullen eren om deze wonderlijk hoge dingen. Wat wil hij dan? Dat de mensen de kracht van Christus in hem zullen zien. De mensen, die door Paulus bereikt worden, moeten niet tot hoge openbaringen, doch tot de Zaligmaker gebracht worden. Er zijn mensen, die iets hebben gehad, iets kunnen vertellen. Er zijn mensen, die grote dingen hebben gehad. Dat had Paulus ook. Maar die dingen moeten niet naar voren gebracht worden, tenzij het een enkele keer nodig is. Waar het om gaat is dit, dar de mensen aan ons zien, wat wij aan Christus hebben in onze noden. Jezus Christus is de enige grond der zaligheid en onze gerechtigheid. Tot Hem zal men komen. In het gezicht van Paulus wordt niet gerept van Christus en Dien gekruisigd. Het waren onuitsprekelijke dingen, die hij niet eens mocht uitspreken. Maar over Jezus mocht hij altijd spreken. De grond der zaligheid is, dat Christus in ons hart woont en dat wij in Hem gevonden worden. Dus niet hoge gezichten, hoe waardevol ook en bemoedigend. Daarom moeten wij ieder licht en gezicht, dat ons Christus niet bij aanvang of voortgang openbaart in ons hart, voor iets houden, dat niet genoegzaam is ter zaligheid. En dan nog wat. Paulus is in de hemel opgeheven geweest. Dat grote voorrecht had de apostel tot een hoogmoedige houding kunnen brengen. Daarom heeft God hem een tegenwicht gegeven, opdat hij zich niet zou verheffen in eigen roem.
Wat is dit tegenwicht?
In Handelingen 9 staat beschreven, dat God tot Ananias zegt, aangaande Paulus: zei, hij bidt. 't Opmerkelijke is dat dit gezegd wordt van een man, die heel zijn leven gebeden heeft, gelijk de vrome jood van de groep der Farizeeën placht te doen. Bovendien had hij heel zijn leven geijverd voor de naam en de zaak des Heeren. Is het dan een wonder, dat hij bidt? Voor God en voor Ananias wel. Want nu pas, nadat hij veel gebeden opgezegd had, was hij aan het bidden toe, aan het rechte bidden. Voor deze tijd waren zijn gebed en zijn ijver zonder verstand geweest. De apostel zegt dat indirect ook van zichzelf, als hij van de godsdienstige joden, waartoe hij zelf eerst behoorde, getuigt: “Ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. (Rom. 10 vs. 2). Verstand is hier: rechte kennis van de wil van God en van de door Hem gewezen heilsweg. Toen Paulus dit verstand kreeg, werd zijn bidden waarlijk bidden Hebben wij dit verstaan? Hoe heeft de apostel dit gekregen? Doordat Christus zich aan hem openbaarde. Op dat ogenblik heeft de apostel in beginsel een Jezusbehoefte gekregen en is in zijn hart de ene begeerte geboren, om Christus te kennen. Uit die begeerte is het gebed geboren, waarvan de Heere Jezus verheugd zei: „Zie, hij bidt". Bidden is een vuur, dat van de hemel aangestoken wordt. Wij bidden veel zonder rechte kennis van de heilsweg. Dat is het rechte bidden niet. Het rechte bidden begint, als God zich aan ons openbaart en de Heilige Geest in ons begint te bidden. Dan gevoelt de mens, dat God er is en tegenwoordig is. Niet ten onrechte heeft iemand gezegd, dat de ware bekering begint met God, hemel en hel te geloven. Als God tot ons gekomen is, beginnen we Hem te begeren. Paulus vraagt direct: „Heere, wie zijt Gij? " Bidden is God begeren en begeren van Hem geholpen te worden. Dat bidden heeft ook weer zijn aparte tijden, dat de mens bijzonder mag naderen voor Gods aangezicht. Dat komt in het leven van Gods kind niet elke dag voor. Dan geschiedt er, wat in het Oude Testament heet: „Toen verscheen de Heere". De psalmen kennen het zuchten daarom: „God des levens, ach wanneer zal ik nad'ren voor Uw ogen". Of dat andere: „'k Heb U voorwaar in 't heiligdom. Voorheen beschouwd met vrolijk' ogen.... Och, wierd ik derwaarts weer geleid".
Maar als een zondaar God heeft ontmoet, kan hij dan zo bidden, dat de Heere hem altijd geeft, wat hij begeert? Neen, maar de Heere geeft aan Zijn kind wel altijd, wat goed voor hem is. Dat gaan we zien. (Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's