De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

Friese predikanten in kloosterretraite.

In de Nieuwe Haagse courant van 28 september stond te lezen dat een aantal Herv. predikanten uit de ring Workum drie dagen in retraite zijn gegaan ter voorbereiding op het winterwerk. Deze retraite werd gehouden in een Trappistenklooster in Diepenveen. Twee paters stonden het gezelschap ter beschikking om hen in te lichten over het kloosterleven, over meditatie en contemplatie. Het is begrijpelijk dat dit persbericht nogal wat reactie verwekte. In het Herv. Weekblad „De Gereformeerde Kerk" van 7 oktober uit prof. dr. G. P. van Itterzon zijn misnoegen en bevreemding over deze gang van zaken. Te meer waar het niet gaat om een wetenschappelijke excursie, maar om een voorbereiding op het winterwerk. De Utrechtse hoogleraar merkt in dit verband op:

Wat is hier de bedoeling van? Krijgen de hervormde predikanten een rooms-katholieke training om straks het hervormde kerkewerk des te beter te kunnen aanpakken? Men kan toch in een rooms klooster geen hervormde scholing verwachten? En wordt uiteindelijk in een abdij een hervormde avondmaalsviering gehouden? Zonder enige gelijkenis met het rooms-katholieke misoffer?

Jaren geleden was de Zuid-Westhoek van Friesland een bolwerk van Koers Houden. Een predikant, die daar een gemeente had gediend, was weldra in de kerk een gezochte figuur. Wie in Friesland predikant was geweest, had een scholing doorgemaakt, waarop anderen jaloers konden zijn. Want de Friezen vormden hun dominees en gaven hun wat mee. Ik vraag me nu af, wat ik tegenwoordig van onze „stoere Friezen" moet denken. Voor onze lezers zal het bekend zijn, dat reeds jaren geleden in ons blad van Friesland uit klachten kwamen over romanisering van goede, pittige, hervormde gemeenten. Men kan nu eenmaal met hoog-liturgische gebruiken niet spelen zonder gevaar te lopen in Rome te arriveren. Nog dezer dagen kreeg ik een klacht aan te horen, dat in zulk een gemeente vele „gemengde" huwelijken voorkwamen, waaraan niet de dominee, maar de pastoor te pas kwam. Ik kan dit alles niet controleren en wil het ook niet. Maar hoe men bij Rome in de leer moet gaan om hervormd werk te kunnen aanpakken, is mij niet duidelijk.

Een vraag ten besluite. Is er voor de leiding onzer kerk (in de breedste zin van het woord) hier iets te doen? Acht zij het normaal, als straks als onze hervormde predikanten een kloostergang maken voordat zij hun kerkewerk aanvatten? We zouden daar graag iets over horen. Natuurlijk moeten gesprekken, als ze eventueel zouden worden gevoerd, niet in uitvoerigheid worden gepubliceerd. Maar de kerk wacht er wel op, dat de leiding publiekelijk iets zegt. Anders wordt de verwarring in de gemeenten, die ook in Friesland overbekend is, nog groter dan ze al is en kan niemand meer geloven, dat onze kerk nog een reformatorisch karakter heeft.

Deze woorden zullen ieder die het reformatorisch karakter van onze kerk ter harte gaat uit het hart gegrepen zijn. Het is te verstaan en een goede zaak wanneer er ook onder de predikanten bezinning en meditatie is. Die mag in het vaak overbezette programma niet ontbreken. Maar dan niet op deze wijze. Men kan de roomse vormen van meditatie, spiritualiteit, kortom de geloofsbeleving niet lospellen uit het geheel van theologie en kerkleer. Wie in zijn argeloosheid dit toch ongestraft meent te kunnen doen, zal ontdekken dat dit niet gaat. Met een dergelijke daad, die er wel zeer „oecumenisch" uitziet, bewijst men de oecumene een slechte dienst.

Het volle evangelie of een evangelie verminkt?

In de Leidse kerkbode der Geref. Kerken haakt ds. E. Pijlman in op een krantenverslag van een Volle Evangelie vreugdedag in Utrecht. We citeren uit „Waarheid en Eenheid" van 8 oktober, dat dit artikeltje opnam:

Het verslag in Trouw van de Volle Evangelie Vreugdedag in Utrecht, zaterdag 11 september j.l. wekte bij mij waarschijnlijk niet die vreugde die de organisatoren bedoeld hebben. In de eerste plaats trof mij de naam van het fonds dat daar aangekondigd werd, en waarmee men ex-predikanten, die tot de Pinksterbeweging zijn overgegaan, denkt te kunnen steunen. De gedachte zelf verwerp ik niet. Wanneer ds. Van Twillert uit de Christelijke Gereformeerde Gemeente tot de overtuiging van de Pinksterbroeders overgaat en dan daar niet langer past en hij dan uittreedt of misschien wel geschorst wordt omdat hij de gemeente niet meer kan stichten, dan is het de zedelijke plicht dat de broeders hem niet in de kou laten staan. Accoord. Maar waarom dat fonds „Help Stephanus" moet heten, ontgaat mij. Dat is voluit jammer. Deze naam houdt in dat de kerken waarin de positie van deze mensen onhoudbaar werd, behoren tot de stenigers van de Evangelieverkondigers. Zo'n insinuatie vind ik nogal wat. Ik dacht dat dit niet uit de Geest was. Verderop vermeldt het verslag: „De heer Van den Brink vond het noodzakelijk, dat de christen beschikt over de 1 Cor. 12 en 14 genoemde geestelijke gaven, zoals spreken in tongen en profeteren". Ik weet niet of de heer Van den Brink dit zo gezegd heeft. In ieder geval zoals het er staat, wekt dat bij mij geen vreugde, want Paulus denkt er in de genoemde hoofdstukken kennelijk anders over. Hier is sprake van de christen en speciaal van die omstreden gaven van tongen en profetie. In 1 Cor. 12 spreekt Paulus minstens al van negen gaven van de Geest. En uit niets blijkt, dat de gaven van tongen en profetie voorrang hebben. Ze staan zelfs niet voorop. En nergens spreekt Paulus dat de christen in tongen moet spreken. Hij zegt wel: „Ik wilde wel dat gij allen in tongen sprak", maar hij voegt er onmiddellijk aan toe: „maar liever nog, dat gij profeteerde". Opmerkelijk is in dit verband ook dat Paulus alleen in de brief aan de Corinthiërs over deze dingen schrijft. Kenden die andere gemeente deze gaven niet?

Terecht vraagt de scribent in Waarheid en Eenheid zich af of we hier niet te maken hebben met een vervormd en verminkt evangelie. Hoezeer we begrip kunnen opbrengen voor verschillende elementen uit de boodschap der Pinkstergroepen, we achten dit toch een gevaarlijke misvorming. Dat deze hoofdstukken over de geestelijke gaven onder ons mogelijk wel eens wat vergeten zijn zullen we moeten erkennen. Maar we mogen deze zaak niet op deze wijze scheeftrekken. Men kan bovendien de vraag stellen: Waarom toch dat spreken in superlatieven over volle evangelievreugdedag? Zegt het woord evangelie = blijde boodschap alleen al niet voldoende?

Een vertekend en incompleet heeld.

Onder de titel „Mannenbroeders" wijdt, ds. J. J. Poldervaart in het blad „Woord en Dienst" enkele artikelen aan de bekende boeken: Parade der mannenbroeders, Uit het rijke roomse leven, en: Het beeld der vaderen. Bij alle waardering heeft ds. Poldervaart dit bezwaar dat het beeld van de door de auteurs beschreven periode eenzijdig en wat overtrokken is.

Hij schrijft in het nummer van 9 okt. onder meer:

Zo valt in deze foto's altijd weer de nadruk op de antithese, een strenge levensstijl, tegelijk, meer dan bij de roomse, op het zich richten tot het hele volk om het te doen leven naar Gods ordinantiën. Een geliefde uitdrukking! Alweer: zo was het. Maar alweer: was dat alles, is dit beeld compleet? Wat merken wij van brede delen van de hervormde kerk? Van de problemen in de politiek? Hoe fel was toen de sociale strijd en die tegen het opkomend nationaal-socialisme! De spanningen door de massale werkeloosheid worden in beide boeken niet gevoeld.

Wie deze boeken leest, krijgt het beeld van een inburgerlijke, bekrompen sfeer, zonder visie op de problemen van de tijd. Was het zo in de kringen van de Gereformeerde Kerken en van hun geestverwanten, in de gezinnen der mannenbroeders? Ja, het was er en er was ook meer: onder alle benepenheid en bekrompenheid een hartelijk begeren om God te dienen op zijn post, om Zijn Kerk te bouwen en Zijn heerschappij over het Volksleven uit te roepen. En dan kom je bij deze gedachten uit: wat is in de levensstijl veel met het stempel „Gods gebod" en „christelijk" gestempeld, waarvan wij nu zeggen: dat kunnen wij niet erkennen. Het stempel hield het niet in de watervalachtige verschuivingen van de tijd.

Prof. dr. G. C. Berkouwer 25 jaar hoogleraar.

U hebt in de kranten uitvoerige verslagen over dit hoogleraarsjubileum, over de receptie en de aanbieding van de opstellenbundel, waaraan geleerden uit binnen- en buitenland hebben meegewerkt, kunnen lezen. Veel heeft kerkelijk Nederland aan deze eminente geleerde te danken. Men moet zich telkens weer verwonderen over de geweldige werkkracht, waardoor met de regelmaat van de klok de ene belangwekkende publicatie na de andere verschijnt. Met name zijn reeks „Dogmatische studiën" vormen een bron van informatie en bevatten een schat van bijbels-theologische opmerkingen, waar men ook voor de prediking regelmatig zijn winst mee kan doen. Geen wonder dat van verschillende zijde de gelegenheid aangegrepen is om de betekenis van zijn werk te schetsen. Mij trof een sympathiek artikel in het „Geref. Weekblad" (Uitgave Kok, Kampen) van de hand van prof. dr. A. D. R. Polman, getiteld: „Berkouwer als dogmaticus". Daarin vertelt Polman o.a. dat toen hij in 1926 tentamen bij prof. Hepp deed, deze tot hem zeide: „Ik heb nu een student, bij wie ik de grens van zijn kunnen nog niet gezien heb". Deze student was Gerrit Cornelis Berkouwer. Prof. Polman wijst er verder op hoe Berkouwers eerste publicaties typisch defensief-apologetisch ingesteld waren, zoals dat in die tijd in V.U. kringen schering en inslag was. In de veertiger jaren begint de toon te veranderen. „Het besef rijpt voor zijn uitermate begaafde geest dat het verstaan van Gods Woord meer omsluit, dan wij als Gereformeerden gegrepen hebben". Barth gaat hem meer en meer bezig houden, en boeien. Terwijl vooral Bavinck hem beïnvloed heeft. Polman laat dat aan verschillende voorbeelden zien hoe Berkouwer telkens weer terugvalt op inzichten van Bavinck. Graag zouden we het gehele artikel hier overnemen; terwille van de ruimte moeten we ons echter beperken. We citeren het slot:

Zelf heeft Berkouwer eens geschreven, dat het werk van een dogmaticus gelijkt op het ondernemen van een gevaarlijke bergtocht. Alleen met dit verschil echter, dat men in het hooggebergte voor situaties kan komen te staan, waarin men niet meer vooruit of achteruit kan en moet blijven staan om op redding te wachten. Bij de dogmatische tocht is dit stilstaan echter onmogelijk. Het is onze hartelijke bede, dat dit woord, dat in existentiële betrokkenheid op de zaak en in geloofsvertrouwen op de leiding des Geestes, die in alle waarheid blijft leiden, geschreven werd, nog vele jaren in zijn leven als waarheid blijken moge. Het gevaar is helaas niet denkbeeldig, dat men toch blijft stilstaan. Bij mijn hooggeschatte leermeester Bavinck was dit het geval. Na 1909 heeft hij niet verder aan zijn Gereformeerde Dogmatiek gewerkt, omdat hij al te sterk en pijnlijk gevoelde, dat onder ons Gereformeerde volk, dat hij liefhad, de rechte klankbodem ontbrak, om de combinatie van het rechte bewaren en de echte voortgang mee te maken. De tijden zijn ook binnen onze Gereformeerde kerk veranderd. Maar het zojuist gesignaleerde gevaar is toch nog aanwezig. Laat me daarom dit artikel — en ik weet, dat ik uit naam van zeer velen spreken kan — eindigen met dit persoonlijk woord tot de jubilaris: Werk door, blijf niet stilstaan, loop verder. Bid voortdurend om de Geest der onthulling, die alleen verlichte ogen des harten geven kan en arbeid dan samen met al die heiligen om te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat. Blijf getrouw aan de beide overtuigingen, die uw arbeid tot nu toe zo gezegend geleid hebben en verlies vanuit het alleen gezaghebbend Woord Gods de bereidheid tot correctie niet. Dan zal er binnen en buiten onze Gereformeerde kerk een brede schare blijven, die geboeid blijft luisteren en volgen. Het blijft een gevaarlijke bergtocht, maar ontneem uzelf en ons de vreugdevolle vergezichten in het wondere land van de grote daden Gods niet. En beleef het oude parool: Nil Desperandum Deo Duce!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's