DISCUSSIE
van dr. Graafland en ds. Van Sliedregt II
Graag wil ik collega Van Sliedregt hartelijk danken voor zijn reactie op mijn beantwoording van zijn vraag, over de betekenis van de Nadere Reformatie. Uiteraard zou daar mijnerzijds nog wel weer iets op terug te zeggen zijn, maar misschien is daar later nog een mogelijkheid voor. Verstandiger lijkt het ons toe, wanneer ik ditmaal tracht een antwoord te geven op een tweetal andere vragen, door coll. Van Sliedregt mij gesteld. Omdat zij bij elkaar behoren, vermeld ik ze meteen achter elkaar.
1. Is de „vierschaarbeleving" — niet als systeem maar als beleving — niet noodzakelijk om tot de vrijheid van het kindschap Gods gebracht te worden?
2. Worden we gerechtvaardigd in de belofte van het Evangelie, in het geloof te aanvaarden, of uit het geloof in Christus, Die door het Evangelie wordt voorgesteld?
Het zal onmiddellijk iedereen duidelijk zijn, dat deze vragen van buitengewone betekenis zijn. In de eerste plaats, omdat de rechtvaardiging door het geloof in de Reformatie een hartzaak was, in de strijd tegen Rome. Vervolgens omdat de bezinning over de rechtvaardiging ook in de na-reformatorische theologie nooit heeft opgehouden. Tenslotte, omdat zeer velen in de gemeente nog heden ermee zitten, m.n. betreffende de z.g. vierschaarbeleving. Vele oprechte gelovigen, die niet durven en mogen ontkennen, dat zij in Gods vergevende genade in Christus mogen delen, kunnen niet van zulk een vierschaarbeleving spreken.
Daar deze vragen bij ds. Van Sliedregt opgekomen zijn bij het lezen van mijn boekje over de „verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking", wil ik in de eerste plaats het volgende opmerken:
In het genoemde boekje heb ik het centraal stellen van de rechtvaardiging in de prediking beoordeeld als een noodzakelijke en welkome reactie op een prediking, die steeds eenzijdiger en beperkter zich ging concentreren op de wedergeboorte, die min of meer werd afgetrokken van het geloof in Christus. In dit licht bezien moeten wij grote waardering hebben voor mannen als V. d. Groe, Kohlbrugge, Paauwe en Kievit Sr. Zij hebben door de rechtvaardiging van de goddeloze centraal te stellen een terugbuiging veroorzaakt in de richting van het reformatorisch belijden, dat voluit schriftuurlijk is.
Alleen daar, waar deze rechtvaardiging door het geloof gemodelleerd wordt in een bepaalde vorm van beleving, is er sprake van een systematisering van het werk van de Heilige Geest, die niet voluit reformatorisch is, maar haar bron vindt in de latere ontwikkeling van de gereformeerde theologie. Zo moet ook de z.g. vierschaarbeleving worden beschouwd. Daarmee is in hoofdzaak de eerste vraag beantwoord.
Echter ligt in deze vraag zelf reeds een tegenwerping op het bovenstaande opgesloten. Ds. van Sliedregt zal zeggen: het gaat mij niet om een systeem, maar om de beleving. Mijn antwoord daarop is echter, dat dit laatste niet voldoende duidelijk is. Wanneer immers zijn vraag spreekt over de vierschaarbeleving als noodzakelijk om tot de vrijheid van het kindschap Gods gebracht te worden, dan is daarmee reeds het systeem gegeven. Het zou anders zijn, als hij zou zeggen, dat de beleving der rechtvaardiging ook in deze vorm van de vierschaarbeleving kan worden ervaren. Dan zou ik het met hem eens zijn. Maar zodra hij van een noodzakelijkheid gaat spreken, dan blijkt juist daaruit reeds, dat men de beleving der rechtvaardiging in een bepaalde vorm wil gieten. Dit lijkt mij èn bijbels èn reformatorisch èn practisch-pastoraal onverantwoord. Daarmee worden velen opgehouden om in Christus te geloven. Ik zou voor deze uitspraken een bijbelse en historische en dogmatische fundering kunnen geven. Maar dat voert te ver.
Alleen dit wil ik ervan zeggen. Volstrekt blijft door mij gehandhaafd de totale verlorenheid, doemwaardigheid van de zondaar, die God in Christus rechtvaardigt. Ook draagt deze rechtvaardiging zelf een o.a. juridisch karakter, gezien de woorden en begrippen, die de Schrift daarvoor bezigt. In de derde plaats, deze rechtvaardiging zal door de Heilige Geest door het geloof in Christus tot werkelijkheid (moeten) worden gemaakt in ons bestaan. En in de wijze, waarop Hij dat doet, daarin zal de zondaar op zijn diepst worden vernederd en God in Zijn deugden op het hoogst worden verheerlijkt. Maar verder mogen wij niet gaan. We mogen de Heilige Geest niet de weg gaan voorschrijven. De enige binding van de Geest is die, waaraan Hij zichzelf wil binden, n.l. aan het Woord. Daarin wordt het heil ons geopenbaard. Daarin ligt alles opgesloten: wet en evangelie, zonde en genade, wedergeboorte, rechtvaardiging, heiliging, de zelfopenbaring van de drieënige God. En de Geest maakt ons tot betrokkene.
Hiermee is reeds in feite ook de volgende vraag beantwoord. Ik krijg de indruk, dat deze vraag refereert naar de discussie, die destijds is gevoerd over de rechtvaardiging rondom de beschouwingen van ds. Woelderink. Men leze daarvoor zijn boek over de „Rechtvaardiging uit het geloof". Wij gaan daar nu niet op in. Ik zou alleen het dilemma, dat coll. Van Sliedregt in deze vraag stelt, volstrekt willen afwijzen. Gerechtvaardigd worden in de belofte van het Evangelie, in het geloof te aanvaarden, of uit het geloof in Christus, die door het Evangelie wordt voorgesteld. Dit is voor mij, en ik dacht ook niet voor de Schrift en de reformatoren, een zaak van of — of, maar van en — en. Wellicht zit hier het misverstand achter, dat het gerechtvaardigd worden in de belofte van het Evangelie door het geloof, een verschraling inhoudt ten opzichte van het bevindelijk beleven van deze rechtvaardiging. Het zou niet meer zijn, om. het scherp te stellen, dan een verstandelijk aanvaarden van het Woord zonder dat de hele mens daarbij is betrokken.
Wie echter zo denkt, verstaat niet de kracht van het Woord, waarin de belofte ligt besloten. We kunnen de belofte van het Evangelie en Christus zelf niet van elkaar scheiden. Wij kunnen hier het bekende beeld van de spiegel en het beeld gebruiken. Wie de spiegel ziet, ziet zichzelf, en wie zichzelf ziet, ziet de spiegel. Zo is het ook t.o.v. Christus en Zijn Woord, dat Zijn gewaad is. Wie door het geloof Christus ziet, ziet het Woord, en wie het Woord ziet, ziet Christus.
Maar anders wordt het, wanneer de beleving van het heil zo verzelfstandigd wordt, dat wij Christus uit het Woord weghalen naar het hart. Of wanneer wij de rechtvaardiging uit het Woord weghalen naar het hart. Dan wordt de beleving van de rechtvaardiging zo op zichzelf gesteld, dat zij als fundament van onze zekerheid gaat dienen. Dan vallen wij niet meer terug op het Woord, maar op wat wij hebben ondervonden. Dat is een zeer wankele en ongenoegzame grond. En toch is dit gevaar levensgroot.
Trouwens dan komen er zeer veel vragen naar voren. Worden wij werkelijk dan pas gerechtvaardigd, als wij deze bewust beleven (stel: in de vorm van de vierschaar). Dan moeten wij wel komen tot de conclusie, dat er vóór deze beleving geen geestelijk leven in de mens is (vgl. ds. Paauwe). Ds. van Sliedregt zal stellig niet in deze richting willen gaan, maar we moeten wel oppassen voor de consequenties van ons denken. Het lijkt mij juister, wanneer wij het geloof in Christus, die zich in het Woord heeft geopenbaard, centraal stellen. Daar ligt alles in opgesloten: wedergeboorte en rechtvaardiging en heiliging, onlosmakelijk met elkaar verbonden. En laten wij de wegen van de toepassing des heils door de Geest aan Hem overlaten. Niet om deze laatste te verzwijgen, maar om de veelkleurigheid en de dynamiek van het leven des geloofs juist des te beter in het licht te kunnen stellen. We laten dan niet ons (bevindelijk) systeem over het Woord heersen, maar het Woord in zijn volle rijkdom gaat heersen over ons beleven en nadenken daarover. Dan geschiedt ook de prediking met recht onder de leiding van de Geest.
C. G.
Collega Graafland is ingegaan op mijn vraag, of de „vierschaarbeleving" — niet als systeem maar als beleving — niet noodzakelijk is om tot vrijheid van het kindschap Gods gebracht te worden. Het komt mij voor, dat hij deze vraag in zijn antwoord in een verkeerd licht zet. Hij vecht systematisering der vierschaarbeleving aan en spreekt over een „gemodelleerd worden van de rechtvaardigmaking door het geloof in een bepaalde vorm van beleving", en van „een systematisering van het werk van de Heilige Geest". Ik duchtte al deze reactie, waarom ik in mijn vraag er tussen voegde: niet als systeem maar als beleving. Het heeft niet mogen baten. Ik zou collega Graafland willen vragen om niet langer te praten over een systeem of een systematisering van het werk van de Heilige Geest, daar hij — althans ten opzichte van mij — daarmee dreigt tegen windmolens te gaan vechten.
Natuurlijk is er altijd gevaar van systematisering. Maar dat dreigt niet alleen bij de een, maar ook bij de ander. Men kan een systeem maken van de „rechtvaardiging in de vierschaar", maar ook een systeem van het „beloftekarakter van het geloof", enz. enz. Dat ik gevaar zou lopen in een systematisering beklemd te zitten en hij aan dat. gevaar denkt te ontkomen door zijn visie op het beloftekarakter van het geloof, komt mij voor een paskwil te zijn. Ons vat kan vol zitten met „rechtvaardigings-voorstellingen", maar ook met „verschuivings-voorstellingen". Laat ons daarom afspreken, dat we het niet meer hebben over „systeem", maar dat het ons gaat om de kennis der genade door het geloof in Christus.
Collega Graafland loopt vooral aan tegen het woord „noodzakelijk" in mijn vraag. Hij zou willen, dat door mij gezegd werd, dat de beleving der rechtvaardiging ook in deze vorm van de vierschaarbeleving kan worden ervaren. Het komt mij voor dat hij mijn vraag verkeerd begrijpt, welk niet-begrijpen echter samenhangt met zijn visie. Nog eens herhaal ik deze vraag, nu met de klemtoon daar, waar ik die hebben wil: Is de „vierschaarbeleving" niet noodzakelijk om tot de vrijheid van het kindschap Gods gebracht te worden?
Nu moet duidelijk zijn dat ik absoluut afwijs alle speculatie over en systematisering van de rechtvaardiging als ervaringsmoment met alles wat daaraan vastzit, zoals b.v. „voor de rechtvaardiging geen geestelijk leven". Het gaat mij om de beleving en beoefening van het kindschap Gods in de vrijheid van een goed geweten, naar Gal. 3 : 26: „Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus".
De bediening van de Heilige Geest tot zaligheid is veelzijdig en onderscheiden in haar begin en voortgang. Zij brengt de kennis van Christus en het geloof in Christus. Als zodanig heeft het geloof alles in zich, maar daarom is de ontplooiing ervan niet in allen even rijk. Zo staat het ook met het rechtvaardigend geloof, waartoe we ons thans beperken. Hoewel we wel oog ervoor moeten hebben, dat het geloof een veel breder veld bestrijkt. Het grijpt Christus aan niet alleen tot vrede met God, maar ook tot verlossing uit nood des levens, tot troost in beproeving, tot wijsheid in beslissingen, tot strijd tegen bepaalde zonden enz. enz. — Het kindschap Gods is veelomvattend en veelzijdig. Het heeft verschillende aspecten: de aanneming tot kind, het geboren worden tot kind. We kunnen hierop nu niet verder ingaan. Het zij genoeg te verwijzen naar Gal. 4 : 5 (aanneming tot zoon) en Joh. 1 : 13 (uit God geboren). Deze aspecten worden allen gebundeld en samengehouden in Christus.
Vanwege deze veelzijdigheid kan het kindschap niet onder één aspect gegrepen worden. Wordt dat getracht, zo vervallen we onherroepelijk in systematisering. We worden daarvoor bewaard, als we zoeken de volheid van de Heilige Schrift dienaangaande tot haar recht te doen komen. Dat maakt de bediening des Woords pastoraal beweeglijk, veelzijdig met breedte- en diepte dimensie, ook wat betreft het kindschap.
Maar nu beperken we ons tot het rechtvaardigend geloof en de vrijheid van het kindschap. De vraag is daarom: Hoe komen tot de beleving en beoefening van het kindschap Gods in de vrijheid van een goed geweten? Waarin ontvangt een zondaar de ontwijfelbare zekerheid van zijn kindschap? Waarop steunt het en wordt het hem in zijn geweten vastgemaakt? Op grond waarvan alleen kan er de voortgaande vrijheid zijn in ons leven als kind Gods in omgang met onze God als onze genadige Vader in Christus?
Dan is het antwoord der Schrift: Daarin dat God de goddeloze rechtvaardigt. De keerzijde daarvan is, dat we als goddeloze uit het geloof gerechtvaardigd worden. De vrucht van beiden is: de aanneming tot kind. Alleen zo zal onze grond onwrikbaar vast zijn in Christus en Zijn Woord. Anders blijven we altijd aan iets in ons hangen. En hoe kan nu anders die parel der aanneming blijvend voor ons schitteren en ons vast zijn dan in het tot klaarheid gebracht zijn betreffende onze rechtvaardiging als goddeloze door het geloof in Christus? Vandaar dat woord „noodzakelijk" in mijn vraag. Daarmee schrijven we de Heilige Geest niet de weg voor, maar laten we ons door Woord en Geest leiden, opdat Christus verheerlijkt worde en Gods deugden in Hem.
Nu moge duidelijk zijn wat ik met vierschaarbeléving bedoel. God rechtvaardigt de goddeloze. Dat geschiedt niet buiten het hart en leven van die goddeloze. Abraham zegt niet zomaar dat hij stof en as is. As is verbrand hout zegt Kohlbrugge. Daar heeft hij gelijk in. Het is in het vuur geweest. De goddeloze, in het vuur van Gods heiligheid tot as gebracht en aanvaardend het vonnis van zijn Rechter, wordt gerechtvaardigd om niet in Christus. En dat is de rechtvaardiging door het geloof, het wonder. Ik heb het nu niet over een weg, een moment, het voorschrijven van een systeem, maar over de zaak dat God de goddeloze rechtvaardigt. God weet er ons te brengen, het ons te doen verstaan, het ons te doen inleven, de rijkdom ervan te doen kennen. Zo — naar Zijn eigen getuigenis — brengt de Heilige Geest ons tot rust en vrijheid, niet in onze rechtvaardiging, maar in Christus onze gerechtigheid. Geen fantasieën, geen visioenen, maar geloof, in bevinding, existentieel, door Woord en Geest. Is dit mysticisme? Het zij zo! Die het zeggen wil zegge het. Maar hij heeft niet alleen de nadere reformatie maar ook de reformatie tegen zich.
Loopt collega Graafland niet ergens vast? Hij wil de totale verlorenheid, de doemwaardigheid van de zondaar, die God in Christus rechtvaardigt, handhaven. Ook het juridisch karakter der rechtvaardiging. Ook meent hij dat deze rechtvaardiging door de Heilige Geest door het geloof in Christus tot werkelijkheid „moet" worden gebracht. — Even terzijde: Blijkbaar kan collega Graafland hier toch niet om het moeten heen, hoewel hij elders zich tegen gebruik van dit woord afzet. Het bewijst m.i. hoe groot het gevaar is in eenzijdige reactie te verzanden, als we door de situatie ons laten leiden en niet zoeken te theologiseren vanuit de openbaring, om dan naar rechts en links af te wijzen, wat niet naar het Woord is. — Maar goed, dat daar gelaten. Hier hapert iets. Enerzijds schrijft collega Graafland dat de Heilige Geest zo werkt, dat de zondaar op zijn diepst zal worden vernederd en God in Zijn deugden op het hoogst verheerlijkt, en anderzijds acht hij vierschaarbeleving niet noodzakelijk tot de vrijheid van het kindschap. Is dit genoegzaam doordacht? Hinkt hij niet op twee gedachten? Enerzijds een stellen van alles in het Woord, in de belofte van het Evangelie, en daarin bevrijding zoeken voor mensen, die met „de voorwaarde van bevinding, wil je: bepaalde bevindingsstukken" in de knoop zitten, anderzijds een toch weer moeten laten gelden van het ontdekkende en afsnijdende werk van de Heilige Geest in ons hart. Hij kan tenslotte ook niet anders. Hij zou immers trouweloos worden aan het geslacht van Gods kinderen.
Laat in ieder geval vaststaan — naar het Woord — dat de zondaar op zijn diepst wordt vernederd alleen in het gericht Gods. Als we dat ontkennen komt m.i. de weg open te liggen voor het objectivisme, dat de „goedkope genade" verkoopt. God rechtvaardigt de goddeloze. En die goddeloze wordt gerechtvaardigd uit het geloof in Christus. Dat rechtvaardigend geloof is de gave Gods in het midden van onze dood en verlorenheid, onze onmacht, het stralend licht. Galaten spreekt van de openbaring van Christus in ons. Hoe klaarder dit ingeleefd wordt hoe rijker het kindschap wordt gesmaakt. Dat geschiedt door de Heilige Geest door middel van het Woord.
Hiermee komen we tot hetgeen collega Graafland opmerkt in verband met mijn vraag, of we gerechtvaardigd worden in de belofte van het Evangelie, in het geloof te aanvaarden, of uit het geloof in Christus Die door het Evangelie wordt voorgesteld. Hij verwerpt dit dilemma, en zegt dan even verder dat door dit als tegenstelling te stellen de beleving van het heil zo verzelfstandigd dreigt te worden, dat wij Christus uit het Woord weghalen naar het hart, of de rechtvaardiging uit het Woord weghalen naar het hart. Daarop moet ik antwoorden, dat we Christus niet weghalen uit het Woord naar het hart, maar dat de Heilige Geest door middel van het Woord Christus brengt in óns hart, het hart van ons de goddeloze; en wederom, dat de Heilige Geest door middel van het Woord ons, de goddeloze, Christus doet omhelzen en aannemen tot rechtvaardigheid. Zo worden we — de goddeloze in onszelf, die geen kruimeltje geloof van zichzelf kan opbrengen — verenigd met Christus in het aannemen van Christus in het geloof, om — in Zijn werk gesteld — onze God als verzoend te ontmoeten. Wonder op wonder. God maakt zalig door zichzelf in Christus te doen kennen en genieten. Het Woord is hierbij het eerste en voornaamste genademiddel. Dat is reformatorisch.
Is dat nu iets extra's voegen bij het Woord? Neen, dat is het kennen en smaken van het heil in het geloof door het Evangelie. Het Evangelie is het medium, zeg: het gewaad van Christus, waarin Hij tot ons komt. Wij kennen Hem niet dan door en in het Evangelie, maar dan is het ook weer zo, dat het Evangelie eerst kracht voor ons heeft als we met Christus gemeenschap hebben, d.i. Zijn liefde is uitgestort in ons hart. We mogen in prediking en pastoraat Christus niet opsluiten in Zijn Woord, maar hebben te worstelen, opdat Hij moge heersen met Zijn Woord onder ons en het Evangelie verzegeld worde in ons hart in gemeenschap met Hem. Dat is niet mysticistisch maar reformatorisch. Calvijn schrijft ergens: Alle beloften zijn ons dan eerst nut, als de bevestiging door het bloed van Jezus Christus daarbij komt. Zulks geschiedt als Zijn bloed als een zegel in onze harten gedrukt wordt. Of ook als we niet alleen God horen spreken, maar ook Christus zien, zichzelf aandienend tot een pand der dingen, die in de Schriften gezegd zijn.
v. Sliedregt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's