Een niet verhoord gebed (2)
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, n.l een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 2 Corinthe 12 vs. 7—9.
Waaraan kan men een kind Gods kennen: aan zijn rijkdom of aan zijn armoede, aan zijn sterkte of aan zijn zwakheid? Het is een grondbeginsel van het evangelie, dat kinderen Gods arme mensen zijn. De Heere Jezus zegt: „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen". (Matth. 5 : 3). De Heere Jezus zegt niet: Zalig zijn zij, die arm geweest zijn. Het gaat over mannen en vrouwen, die arm blijven tot de dag van hun sterven toe. Dan gaan zij ten hemel in en erven koninkrijken. Maar hier op aarde geldt: aan armen wordt het evangelie verkondigd. Dat is de kern van het evangelie. Dit kan men nergens anders vinden. Bij de joden en in de roomse kerk wordt aan rijken het evangelie verkondigd en die het verdiend hebben hunner is het Koninkrijk der hemelen. Maar in het echte evangelie geldt: „Die het verdienen krijgen 't niet. Daar God op goddelozen ziet".
In de brief aan Smyrna heet het: „Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede". (Openb. 2:9). Weliswaar kan daar bijgevoegd worden „doch gij zijt rijk", maar dat is de rijkdom, die men (nog) niet ziet, de rijkdom vanwege het Koninkrijk. Een gelovige heeft bij elke Avondmaalsgang een mishagen aan zichzelf en natuurlijk dan niet alleen. Volgens 2 Cor 6 : 10 is hij in het oog der mensen: „arm, doch velen rijk makende". Zo laat ons in 2 Cor. 12 de Heilige Geest door middel van de Apostel Paulus zeggen, dat een christen te herkennen is aan zijn armoede en zwakte. Dat is een zware les geweest voor de apostel, om dit te leren, want hij was naar zijn vlees liever rijk geweest. God had hem het leven gegeven door Christus in hem te openbaren. Daarin is hij een voorbeeld voor ons leven. Het leven uit het geloof begint met de openbaring in beginsel van Christus in ons hart. Naar Calvijn zegt: wij beginnen te leven het eeuwige leven als we beginnen te geloven. „Die in den Zoon gelooft (zwak of sterk), die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem". (Joh. 3 : 36). Daarom, wanneer iemand zaligmakend door Gods Geest bearbeid wordt, leert hij inwendig de noodzakelijkheid van Christus kennen en krijgt hij een Jezusbehoefte, ziet hij verlangend op tot God en bidt of het God behagen mocht Zijn Zoon in hem te openbaren meer en meer: „Borg en Middelaar, wordt ook in mij nu geboren. Kom toch; o Christus, want zonder U ben ik verloren". Christus is het leven. Dat leven heeft de Apostel ontvangen en toen overvloed. God heeft hem immers openbaringen gegeven en gezichten van hemelse dingen, meer dan iemand anders. Als daar niets bijgekomen was, had de apostel kunnen schrijven: een kind van God kan men kennen aan zijn rijkdom. Doch bij dit leven en die overvloed is iets bijgekomen. Nadat Paulus opgetrokken was geweest in de derde hemel, is er een dag gekomen, dat het hem was, alsof hij door pijn en vernedering en aanvechtingen in de diepte der hel vertoefde. Hij geeft deze vernederende ervaring twee namen: 1. een scherpe doorn, 2. een duivel, die met vuisten slaat. Wat is aan Paulus overkomen? Dat weten we niet. Ook de verklaarders denken zeer verschillend. Sommigen zeggen: het was een lichaamslijden. Mogelijk was het een oogziekte, omdat Paulus in Galaten 4 zegt, dat de Galatiërs hun ogen wel voor hem hadden willen uitgraven. Anderen denken aan toevallen, zenuwpijnen, zware geestelijke duisternis. De engel des satans zou dan al maar hebben geroepen: Waar is nu uw God? Een andere groep verklaarders denkt aan mensen: jodenchristenen, die de gemeenten tegen hem op stookten; vrienden, die hem hebben verlaten, omdat zij de tegenwoordige wereld lief kregen. En van binnen sprak de engel: Waar is nu uw God?
Een derde groep denkt aan geestelijke aanvechtingen. Er is sprake van een engel des satans. Het voornaamste werk van satan is: aanklagen. Dus heeft deze duivel als een bode van satan vrijheid gekregen om Paulus zijn vroegere zonden in het aangezicht te werpen. De engel des satans schilderde hem voor ogen, hoe die vrouw kermde, die hij om het geloof in Jezus in de gevangenis had laten werpen. De engel des satans liet hem de vloeken horen, waarmede hij de gevangenen, Jezus had willen laten vervloeken. Dat was de hel voor Paulus. Zo zijn er veel verklaringen. Doch daaruit blijkt tevens, dat niemand het rechte weet. Dat is geen nadeel, zou ik zeggen. God heeft gewild, dat wij zouden weten, dat de apostel Paulus, deze uitverkoren man, door een zwaar kruis arm en nederig en klein en zwak gehouden is. De Heere heeft niet gewild, dat wij de naam van die scherpe doorn of dat martelkruis precies zouden kennen, opdat ieder aan zijn eigen kruis zou kunnen denken.
Drie dingen kunnen wij van deze doorn wel met zekerheid zeggen. Deze verdrukking was geestelijk, moeilijk en blijvend. Dat dit kruis geestelijk was volgt uit de uitdrukking: „een engel des satans, die mij met vuisten sloeg". Het gevolg van deze scherpe doorn was, dat Paulus met bevindelijke zekerheid wist, wie hij was, dat hij niets was. Dat is goed. Wij mensen moeten nog minder dan klein voor God worden: wij moeten niets worden en Christus alles. Het kruis was aan de grote prediker gegeven om hem te vernederen, opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaring niet zou verheffen. Dus het ontdekte Paulus aan zijn onwaardigheid, onmacht, ellende, bedorvenheid. Satan klaagt aan en vecht aan met de waarheid omtrent onszelf. Er zijn twee zaken, die recht vernederen: dat zijn schuld en schuldige onmacht. Wanneer is een kind Gods recht arm en klein? Als de duivel hem herinnert aan zijn ijdele wandel van vroeger. Soms komen deze dingen zo duidelijk voor hem te staan, dat hij onder de grond zou willen wegkruipen. Ten tweede maakt ook onze schuldige onmacht ons klein: voor God te moeten en te willen leven en niet kunnen. Deze belemmering kan in bepaalde zwakheden liggen, waarmee de duivel ons als met vuisten slaat en zegt als God met je was, zou je deze verhindering niet hebben.
Het kruis is moeilijk: een scherpe doorn. Denk dat beeld even in. Een splinter doet al pijn als hij even het vlees raakt. Wat zal dan een scherpe doorn in het vlees. Wie deze meedraagt kan zich niet bewegen of hij voelt het. Dit is het beeld. De geestelijke werkelijkheid is minstens zo erg. En God pleegt zijn kinderen dergelijke dingen mee te geven.
Naast de genade staat de scherpe doorn. Hoe meer genade, hoe meer doorn. Als Jacob in Pniël overwon en de zon hem wonderlijkerwijze opging, liep hij kreupel door een verwrongen heup. Toen Petrus de openbaring Gods gekregen had, dat Jezus de Christus is, krijgt hij de doorn der verloochening. Men zegt, dat Petrus geen haan kon horen kraaien, zonder opnieuw te wenen, en dat in een hoek van zijn oog nadien altijd een traan blonk. Gods volk is een arm volk. God brengt niet zijn kinderen groot, doch maakt ze klein. Maar alles tot hun zaligheid. De begenadigden krijgen een doorn in hun vlees. Zij worden daardoor bepaald bij hun gebrek, schuld, droevig tekort, onvermogen, zwakte, andere dingen voelen ze als schuld, want de satan slaat hen er mee in het gezicht. Een moeilijke paal voor het vlees. Het kruis is blijvend. Het zijn geen aanvallen, die alléén zo nu en dan optreden, maar het is een voortdurende druk. Wat wij door scherpe doorn vertalen, zetten anderen over met martelpaal. Het is voor de apostel een kruis, waar hij van ogenblik tot ogenblik aanhangt. Misschien hangt het samen met wat Paulus, 2 Cor. 4 : 10 zegt, dat hij altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdraagt. Dat dit kruis blijvend was, kan men opmaken uit de inhoud van het gebed. De apostel vraagt niet, dat de satan niet meer terug mocht komen, maar dat hij van hem mocht wijken. Dat gebed kan niet uitblijven. Wanneer in uw leven een donkere leiding Gods is en uw doorn in het vlees een geestelijke kwelling, zult ge ook gebeden hebben. Misschien zijt ge evenmin verhoord, zodat de moeilijke martelpaal bleef. Maar laat dan de ervaring van Paulus u tot onderwijzing en troost zijn. God maakt zijn kinderen arm, opdat zij zich niet zouden verheffen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's