De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DISCUSSIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DISCUSSIE

14 minuten leestijd

Van dr. Graafland en ds. Van Sliedregt III

Het zou jammer zijn, als ik de vraag, door coll. Van Sliedregt mij gesteld en die ik in mijn vorig artikel heb trachten te beantwoorden, niet goed heb begrepen of in een verkeerd daglicht heb gesteld. Het gevaar bestaat dan, dat wij langs elkaar heen gaan praten, hetgeen onvruchtbaar zou zijn.

Ik wil dus proberen nogmaals erop in te gaan.

Coll. Van Sliedregt heeft in zijn repliek enkele nadere accenten gelegd. Het gaat hem om de vierschaarbeleving met de nadruk op het woord beleving. En in verbinding daarmee staat de beleving van de vrijheid van het kindschap Gods. Ik hoop, dat ik hem goed begrijp, als ik nu zeg, dat ik het ten volle kan toestemmen, dat de beleving van het kindschap Gods, zowel in verticale als horizontale lijn, krachtig is naarmate het geloof in Christus krachtig is. Bij de één zal het tot klaarheid gebracht zijn betreffende onze rechtvaardiging in sterkere mate aanwezig zijn als bij de ander en in correlatie daarmee zal ook het staan in de vrijheid, waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, bij de één in sterkere mate aanwezig zijn dan bij de ander. (Hoewel, dit ook weer niet alles is, omdat de apostel Paulus de gemeente van Galaten ook zonder meer oproept om in deze vrijheid te staan. Gal. 5:1 — maar dit slechts terzijde).

Ook kan ik het ten volle met coll. Van Sliedregt eens zijn, wanneer hij spreekt over de noodzakelijkheid van de persoonlijke beleving als het toepassend werk van de Heilige Geest. Hij wil toch wel van mij aannemen, dat ik niet in die zin een objectivisme voorsta, waarbij de persoonlijke betrokkenheid op het heil in Christus wordt gemist en het geheel ontaardt tot een theorie. Dit zou, dacht ik, ook moeilijk uit mijn boekje aan te wijzen zijn. Juist heb ik getracht om in het eenzijdig-subjectieve van veler prediking het verborgen objectivisme te ontdekken.

Ik zou dan ook geen enkel bezwaar gemaakt hebben, als de vraag, door coll. Van Sliedregt gesteld, had geluid: Is de beleving der rechtvaardiging niet noodzakelijk om tot de vrijheid van het kindschap Gods gebracht te worden? In deze zin is het inderdaad noodzakelijk om van een „moeten" te spreken, omdat dit „moeten" ons wijst op de noodzakelijkheid van Pinksteren, dat even noodzakelijk was als Goede Vrijdag en Pasen. Ik denk hierbij aan het „moeten", waarvan de Here Jezus telkens spreekt, met het oog op zijn a.s. lijden en sterven. Er is een noodzakelijkheid, die gefundeerd ligt in de raad Gods. In dit kader staat ook de noodzakelijkheid van het Pinksterfeest en daarmee het toepassend werk van de Heilige Geest.

Intussen spreekt coll. Van Sliedregt niet slechts van de noodzakelijkheid der beleving der rechtvaardiging als werk van de Heilige Geest, maar hij spreekt van de noodzakelijkheid van de vierschaarbeleving. Ik word hier wel gedwongen om het accent ook op het woord „vierschaar" te leggen.

Als mijn vraagsteller dat toch ook bedoelt, in die zin dus, dat hij meent, dat de rechtvaardiging uit het geloof alleen en uitsluitend ervaren wordt en kan worden als de z.g. vierschaarbeleving, dan maak ik bezwaar.

Ik zeg dit met enige voorzichtigheid, omdat mij uit de repliek van coll. Van Sliedregt dit niet geheel duidelijk wordt. Aan de ene kant spreekt hij over de veelkleurigheid van het kindschap Gods en het leven der genade, waarin ik het hartelijk met hem eens ben. Maar als hij zich dan gaat beperken tot het rechtvaardigend geloof, dan wordt door hem een bepaalde vorm van beleving absoluut gesteld. Ik citeer: „laat in ieder geval vaststaan — naar 't Woord — dat de zondaar op zijn diepst wordt vernederd alleen (curs. van mij C. G.) in het gericht Gods". Is dit nu zo ? Ik zou aan coll. Van Sliedregt willen vragen, of hij dat nu inderdaad vanuit de Schrift waar kan maken, dat de zondaar alleen in het gericht Gods op zijn diepst vernederd wordt. Werd de verloren zoon uit Luc. 15 niet op het diepst vernederd, toen hij niet voor zijn Rechter, maar voor zijn Vader stond! Juist omdat hij voor zijn Vader stond was deze vernedering zo diep. En als wij denken aan de verhouding tussen God en zijn volk Israël, dan wordt deze inderdaad ook ons getekend in het beeld van het gericht, God de Rechter en Israël de aangeklaagde (vgl. Jes. 1), maar nog meer wordt in het Oude Testament die verhouding getekend als een huwelijksverhouding, waarin God de man en Israël de (afhoererende) vrouw is (vgl. Hosea). Trouwens, zelfs het woord gerechtigheid mag niet uitsluitend in de sfeer van de rechtspraak worden getrokken. Ze vindt haar plaats en functionering in de verbondsverhouding tussen God en zijn volk.

Met dit alles wil ik zeggen, dat de beleving der rechtvaardiging, waarin vergeving der zonden en vrede met God wordt gevonden door Christus' bloed, in de Schrift een veel grotere veelkleurigheid vertoont dan coll. Van Sliedregt het voorstelt. En daarom, als coll. Van Sliedregt wat betreft deze vorm van beleving, spreekt van een noodzakelijkheid, dan aanvaard ik dit „moeten" niet. Dit is ten diepste dat wettische „moeten", wat ik in mijn boekje noemde. De gemeente wordt voor de eis gesteld om het heil in Christus op een bepaalde wijze deelachtig te worden. Vandaar dat velen daarvóór blijven staan. Ze verkeren in aanvechting, omdat zij het niet op zulke wijze beleefd hebben als noodzakelijk wordt voorgeschreven.

Daarom sprak ik in dit verband van een systeem. Ik ben het met coll. Van Sliedregt eens, dat dit een lelijk woord is, hoewel hij het dit keer door zijn vraag — „niet als systeem, maar als beleving" — zélf mij in de mond gelegd heeft. Maar ik wil het niet meer gebruiken en ik zoek naar een andere aanduiding. Mag ik dan de eigen woorden van coll. Van Sliedregt gebruiken: ik meen, dat coll. Van Sliedregt „niet zoekt te theologiseren vanuit de openbaring". Dit is mij te sterk gezegd. Ik wil graag het woordje „genoegzaam" ertussen voegen. Ik meen n.l. inderdaad, dat hij niet genoegzaam het Woord aan het woord laat, maar teveel, waarschijnlijk zonder dat hij er erg in heeft, zich laat beïnvloeden door een bepaalde theologie of theoloog. Maar ik zou graag deze overtuiging willen prijsgeven, als coll. Van Sliedregt mij vanuit de Schrift duidelijk maakt, dat de beleving der rechtvaardiging noodzakelijk en uitsluitend een vierschaarbeleving moet zijn.

Enigszins in aansluiting op mijn vorig artikel wil ik nu graag twee andere vragen, die coll. Van Sliedregt mij heeft gesteld, proberen te beantwoorden.

De vragen luiden als volgt:

1. Heeft Kohlbrugge niet juist de afsnijding in beleving steeds weer scherp gepreekt?

2. Is Kievit juist weergegeven door u, als u schrijft dat de Pinksterbeleving is het kind des Vaders worden? (bladz. 37 van mijn boekje).

Genoemde vragen wil ik graag zo kort mogelijk beantwoorden. Op de eerste vraag antwoord ik voluit bevestigend. Als er één de afsnijding, ik zou liever nog willen zeggen, afsnijdend gepreekt heeft dan Kohlbrugge. Maar deze afsnijdende prediking was juist daarom zo diepgaand, omdat Kohlbrugge in zijn prediking de mens afsneed van zijn vroomheid, die ten diepste toch vleselijkheid, goddeloosheid bleek te zijn. En daarop zou ik vooral de nadruk willen leggen. Niet alleen, dat Kohlbrugge de afsnijding in de beleving gepreekt heeft, maar vooral dat hij duidelijk gemaakt heeft, waarvan de mens moet worden afgesneden. Om dat laatste in het oog te krijgen, dat is het ontdekkend werk van de Geest. En de Geest gebruikt daarvoor de prediking. Daarom is het niet genoeg om te zeggen, dat de mens moet ontdekt en moet afgesneden worden, maar het gaat erom dat de Geest d.m.v. de prediking de mens daadwerkelijk ontdekt en afsnijdt.

Wat de tweede vraag betreft, wil ik graag door coll. Van Sliedregt gecorrigeerd worden, omdat hij Kievit Sr. in zijn prediking en theologie veel beter kent dan ik. Daarom heb ik ook veel opgestoken van zijn lezing over „Het levenswerk van wijlen Ds. I. Kievit", destijds door hem gehouden op een reünistenbijeenkomst van „Voetius". Juist mede naar aanleiding daarvan heb ik gemeend, dat Kievit Sr. grote nadruk legde op de Pinksterbeleving als culminatiepunt in het leven des geloofs, waarin de mens door Gods Geest ertoe wordt gebracht om God zijn Vader te noemen. Vgl. Rom. 8 : 15. Graag wil ik in dit verband ds. Van Sliedregt zelf citeren uit het Jaarboekje der G.T.S.V. „Voetius" 1963-1964, waarin hij op blz. 19 Kievit aldus weergeeft : „God-Drieënig wil zich verheerlijken in zijn mens. Met Pinksteren krijgt dat het rijkst zijn beslag, daar in de inwoning van de Heilige Geest in de Kerk na de verheerlijking van Christus, de Kerk, verzoend met God in het offer van Christus, haar God mag kennen als haar God en' Vader in Christus en de Heilige Geest als inwonende Geest tot onderpand der verlossing heeft".

C. G.

Hierop, ja hierop moeten wij de geest richten, wanneer wij aangaande de ware rechtvaardigheid met vrucht een onderzoek willen instellen: hoe wij de hemelse Rechter moeten antwoorden, wanneer Hij ons ter verantwoording roept. — Hierheen, hierheen moesten onze ogen opgeheven worden, opdat wij liever leren zouden te sidderen dan ijdel te roemen. (Calvijn, Inst. Boek III, hoofdst. XII, 1 en 2). Dat heb ik op het oog, als ik spreek over „vierschaarbeleving".

Het komt mij voor, dat Collega Graafland bij vierschaar-beleving denkt aan een bepaald soort gebeuren, b.v. als momentum absolutum, dus een bepaalde wijze van beleving, en dan veronderstelt, dat ik met nadruk te leggen op deze wijze in een theologische bewustzijns-verenging drijf. Hij maakt althans onderscheid tussen vierschaarbeleving en rechtvaardiging. Want hij schrijft, dat hij het met mij eens zou zijn, als ik gevraagd had: „Is de beleving der rechtvaardiging niet noodzakelijk om tot de vrijheid van het kindschap Gods gebracht te worden". Ik meen reeds eerder duidelijk te hebben gezegd, dat het mij niet gaat om een bepaalde wijze van beleving, maar om de beleving zelf. En als hij dan daarop reageert met te zeggen, dat het toch wel duidelijk is, dat hij geen objectivisme voorstaat, dan wil ik dat van hem graag aannemen, maar moet ik tegelijk zeggen, dat het mij niet duidelijk is, waaruit hij de vaste wetenschap van het kindschap en de troost ervan bevindelijk laat opkomen.

De vaste onwankelbare grond van ons kindschap is het recht Gods in Christus, geheel buiten ons gelegd in de rechtvaardiging van de goddeloze, in de onverdiende schuldvergeving, de vrijspraak, de aanneming tot kind, zoals de Geest der aanneming die doet kennen door het geloof. — Hierbij gaat het niet om een systeem (het voorstellen van een bepaalde bekeringsweg of weg van rechtvaardiging ware systeem), maar om de beleving van de vrijheid van het kindschap. Deze beleving kan alleen openbloeien in de kennis van het vervulde recht Gods in Christus. Dat vervulde recht in Christus zal toch — naar het Woord — alleen zijn volle beslag in het hart van de zondaar krijgen, als alle gerechtigheid van het vlees wordt afgesneden en over onze ziel gaat, dat we voor God verdoemelijk zijn. Of wijst de Heilige Schrift een andere mogelijkheid aan tot kennis van dit heil der vrijspraak in Christus? En is er een andere grond tot waarachtige troost? — Collega Graaf land zal zeggen: Neen. Maar waarom aarzelt hij dan hier? Zonder als zondaar geconfronteerd te worden met de heiligheid en rechtvaardigheid Gods blijven we in ons vlees hangen, op ons vlees betrouwen. Dat geschiedt tot in de meest verfijnde vorm, b.v. als we het bij „geloof" zoeken te houden zonder dat het vuur Gods over ons bestaan ging. Het gaat om de existentiële ontmoeting van het verbondskind als zondaar, verbondsbreker, met zijn God.

Ik meen dat het theologiseren uit de openbaring is, als ernst wordt gemaakt met de totale verdorvenheid, de vijandschap van vlees tegen de God des verbonds. Radikaal. Daarom gaat het gericht Gods in radicale veroordeling over ons leven als God met ons twist om te brengen tot de kennis van Zijn Zoon. Zo leert het Gods Woord en wordt het bevestigd in het leven der Kerk. Als collega Graafland Luk. 15 aanhaalt, wrijf ik mijn ogen uit. Is dat nu theologiseren vanuit de openbaring? We lezen toch dat de zoon in de vreemde tot zichzelf is gekomen en daar eerst het „ik heb gezondigd" heeft leren stamelen. Verder zal Graafland het toch met mij eens zijn, als ik zeg, dat de gelijkenis van de verloren zoon moet verklaard worden in het licht van Luk. 15 vs. 1, 2. Gods liefde baant zich in de Middelaar een weg tot de zich vervloekende zondaar (in beleving). En is de trekkende liefde Gods het eerst (anders zou die zoon zich niet op weg hebben begeven naar huis, ja ook niet tot zichzelf zijn gekomen), dat doet niets af van het veroordeeld worden in het geweten en het zichzelf veroordelen, naar recht.

Tenslotte nog de vraag: Heeft de zoon in de vreemde van zijn recht afstand gedaan en is hij alzo in de kinder-dood (vs. 19) geworpen, ja of neen?

Maar w'e moeten — willen we de rechtvaardiging door het geloof recht verstaan — niet allereerst naar een gelijkenis gaan, maar ons eerst door Paulus laten onderrichten en het voor 100% au sérieux nemen, dat God de goddeloze rechtvaardigt. En ik ken geen andere goddeloze (naar de gehele Schriftopenbaring mij geleerd heeft en leert) dan die het geworden is in de existentiële ontmoeting met zijn God als Rechter. Is die God zijn Verbondsgod, dan des te aangrijpender, des te af snij dender. Zó wordt het Evangelie van het vervulde recht in Christus het Evangelie der gerechtigheid des geloofs door de toepassing van de Heilige Geest. Dat is inderdaad het „moeten" van de Heilige Geest. Natuurlijk is er verschil in graad van helderheid, maar dat doet aan het wezenlijke van de zaak niets af.

Ik hoop nu duidelijk gemaakt te hebben, dat rechtvaardiging van de goddeloze vierschaarbeleving is. Als gezegd wordt: rechtvaardiging kan vierschaarbeleving zijn, maar hoeft het niet te zijn, dan meen ik te moeten waarschuwen voor het gevaar van een vroomheidstype, dat vlees ontziet. Neen, het gaat er niet om, dat de gemeente op „een bepaalde wijze" het heil in Christus deelachtig wordt, maar wel komt het er op aan, dat zij het heil deelachtig wordt. De aanvechting verdwijnt als Christus verschijnt. Maar wee, als aanvechting weggewerkt wordt buiten het recht om.

Nu vermoed ik, dat collega Graafland allerlei in dit schrijven van harte toestemt, doch toch niet bevredigd is, ja meent, dat we langs elkaar heen schrijven. Natuurlijk kan een gesprek nooit kwaad, maar ik meen hem in zijn „Verschuivingen ..." en in onze briefwisseling toch goed begrepen te hebben. Juist daarom meen ik te moeten waarschuwen voor het gevaar, dat hij zelf blijkbaar onderschat. Zijn boekje baant de weg tot iets (ik ga er van uit, dat hij dat niet wil), dat gevaar oplevert voor prediking, zielszorg en gees­telijk leven der gemeente, n.l. uitholling van het geloof.

We zijn alleen gebaat met theologiseren van uit de openbaring, waarbij dan vanzelf de aberraties rechts en links worden gesignaleerd, aan de kaak gesteld en bestreden. Nu is het geschrift eenzijdig gericht en mist daarom zijn doel, of — mag ik het zeggen? — tast iets wezenlijks aan van het leven der Kerk.

Wat betreft Kohlbrugge en Kievit Sr. heb ik niet veel te zeggen. Kohlbrugge heeft afsnijdend gepreekt. Hij zij onze leermeester daarin. Het gaat er natuurlijk om, dat de Heilige Geest d.m.v. de prediking de mens daadwerkelijk ontdekt en afsnijdt. Dat dit een gebeuren is — afsnijding in de beleving — heeft Kohlbrugge natuurlijk ook gepreekt. Daarvan getuigt zijn boekje „De tale Kanaans" en getuigen trouwens ook zijn preken herhaaldelijk, zo zelfs dat meermalen de bekeringsweg en de wasdom des geloofs tot de volle kennis van Christus en de verzegeling des Geestes in een paar trekken wordt beschreven. Daarin kan ons deze „existentiële" prediker leren, dat we toch ook weer niet alle beschrijving als vergif moeten brandmerken en zoeken uit te bannen. Ik onderken het gevaar van het descriptieve in de prediking, en het is levensgroot onder ons, maar op zijn tijd heeft het ongetwijfeld ook zijn plaats in het onderwijs, dat toch ook in de bediening des Woords is opgenomen.

Wat Kievit Sr. betreft beoogde mijn vraag slechts een onnauwkeurigheid weg te nemen. Pinksterbeleving is niet kind des Vaders worden. Tot kind worden we aangenomen, als vrucht van de rechtvaardiging van ons als goddeloze, hetgeen de Heilige Geest in geloofsbeleven doet kennen. Het is het eigenlijke ambt van de Heilige Geest als Pinkstergeest, als Geest der aanneming, het kindschap te verzegelen. (Ef. 1 : 13).

v. Sliedregt.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DISCUSSIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's