De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een niet verhoord gebed (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een niet verhoord gebed (3)

9 minuten leestijd

En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, n.l een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik de Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 2 Corinthe 12 vs. 7—9.

Paulus bad een gebed. Dat heeft hij vaak gedaan. Maar dit keer was het wel iets bijzonders. Dit keer heeft hij driemaal de Heere gebeden. Dit bidden doet denken aan Deuteronomiurn 3 vs. 23-29: „Ook bad ik de Heere om genade, zeggende terzelfder tijd: Heere, Heere! Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte en de Libanon. Doch de Heere verstoorde zich zeer om Uwentwille over mij en hoorde niet naar mij; maar de Heere zeide tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij over deze zaak".

Dit was dus ook een zeer zware zaak. Wat het driemaal betreft, zo heeft ook Christus driemaal gebeden. Dit onderstreept de ernst van de zaak. Wat moeten we echter verder bij dit driemaal denken? De oudere uitleggers vatten driemaal op als zou er bedoeld zijn : dikwijls. Zo ook Calvijn. Pop meent dat de jongere exegese het getal letterlijk neemt en hij sluit zich daar bij aan. Hij noemt als voorbeelden: Jezus in Gethsemané, de drievoudige zegen van Num. 6 : 24, de drievoudige vloek van Gen. 9 : 25, het driemaal zich uitstrekken en bidden van Elia bij het kind van de weduwe van Sarfath, het gebed driemaal daags van Ps. 55 : 18 en Dan. 6 : 11. „Men kan hieruit afleiden, dat een driemaal herhaald gebed geacht werd voldoende te zijn om Gods laatste onveranderlijke beslissing te verkrijgen". Grosheide meent, dat Paulus driemaal een tijd van zware worsteling heeft doorgemaakt. Hij verstaat dus driemaal van drie tijdperken, waarin Paulus bepaald over deze zaak vurig en langdurig gebeden heeft. Toen heeft de Heere hem doen verstaan, dat hij moest ophouden. Ik ben geneigd om mij aan drie keer bidden te houden, maar dan in de zin van een worsteling, een uitstorten van het hart, met een zeker tijdsverloop ertussen. Dat hoeft niet zo kort te zijn als tussen de gebeden in Gethsemané.

Wat is bidden? Het is een spreken en smeken in de tegenwoordigheid Gods. Abraham heeft gebeden voor Sodom, toen de Heere tot hem gekomen was. Bidden is concreet en vurig een bepaalde zaak met zijn hart begeren. Zou ons bidden niet vaak wensen zijn? Echt bidden is toch wel onderhandelen met God. We voelen dan, dat ons bidden en smeken door lucht en wolken heendringt tot in Gods hart. En als wij het zo zien is echt driemaal bidden, driemaal mogen naderen voor Gods aangezicht, toch wel echt veel. Bidden is immers een gave, want daar moeten er twee voor zijn: God en mens. In Genesis 18 stelde Abraham zich voor God en de Heere gaf antwoord. Dit bidden is een gave. Daar is ook bidden, waarin wij bijna niet weten, dat wij bidden. Daar is ook bidden, waarin wij uit de verte roepen en vragen of de Heere horen wil.

Maar hier bedoelt Paulus toch wel, dat hij spreekt en God antwoordt. Zo heeft hij alles over die doorn en over die engel drie keer mogen zeggen. Daar moet wel enige ruimte tussen zitten, want dit bidden is een spannend en inspannend werk. Dit bidden is een uitgieten van de ziel voor God. Dan doet de Heilige Geest de ziel alles oprecht uitzeggen. Daar hoort ook bij, dat dit bidden met een innerlijke zelfverfoeiing gepaard gaat. De Heere openbaart zich aan de ziel in zijn heiligheid. Petrus riep eens uit: „Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens". Abraham beschuldigde zich, dat hij maar stof en as was. Als de Heere Jezus hier aangesproken wordt, mag men denken, dat ook Paulus aan dat gevoel van Petrus niet vreemd was. Maar tegelijk geeft de Heere een vrijmoedigheid om van Hem te vragen. Psalm 73 noemt dit een ingaan in Gods heiligdommen. Het kan 5 minuten duren, het kan een kwartier duren. In zulke ogenblikken is God alles. Driemaal heeft de apostel zo zijn hart mogen uitstorten. Driemaal heeft hij tot God mogen toetreden. Driemaal heeft hij op God gezien, ja Hem als een waterstroom aangelopen. Driemaal heeft hij geweld gedaan op God in Christus.

En als wij in dit geval aan het bidden van Abraham voor Sodom en aan het bidden van Mozes en aan het bidden in Gethsemané denken, zullen wij toestemmen, dat driemaal bidden veel is.

Menige lezer zal wel al 1000 keer zijn bekering of de zekerheid der verzoening met God, biddend gewenst hebben. In dit geval is duizend minder dan drie.

Wat zullen wij dan doen, vraagt u? Ik kan geen betere raad geven dan dat wij doorgaan met onze begeerten God voor te stellen. Maar God geve, dat wij waarlijk in onderhandeling met God mogen komen, en dat er een tweegesprek ontstaat, zodat onze zaak tot een oplossing komt. Ja maar, — zult u zeggen — gezien op dit onverhoorde gebed, wat zijn we daarmee gebaat ? Misschien is de titel, die boven de meditatie staat, wel niet goed. Misschien gaat deze teveel op de schijn af. Het lijkt inderdaad zo: Paulus bad drie keer, maar hij kreeg niet, wat hij begeerde, n.l. dat de engel des satans van hem zou wijken, maar hij kreeg wel, wat Christus de Heere voor hem begeerde. Hij kreeg er de verzekering bij, dat die scherpe doorn nu juist dat was, wat hij nodig had.

Het is dus in de grond een verhoord gebed, maar dan op andere wijze, dan hij had gevraagd, op betere wijze. Het is zojuist gezegd: „Geen groter goed, Gij mij kunt geven, Dan dat Gij mij maakt arm en klein".

Verder moeten we op twee dingen letten, als we spreken over de inhoud van dit gebed. De apostel heeft wat geleerd. Hij heeft geleerd, dat die doorn in het vlees, die engel des satans, hem van God gegeven was. Daar zou voor menigeen onderwijs in kunnen zitten. Ik meen te hebben opgemerkt, dat niet weinigen, die genade hebben ontvangen, ook een engel des satans mee krijgen — in zekere zin — als een doorn in het vlees. Niet alleen begenadigden, ook bekommerden worden daar wel mee geplaagd. Onder de laatsten zijn er ook wel, die, in stilte voor God zuchten: Heere, ik kan nooit zalig worden, want o die boezemzonde, o die aanvechting, o die onbekeerlijkheid, o die verborgen aanklacht. Ieder weet het beste voor zichzelf, wat het bijzondere kruis is, dat hij of zij mee moet slepen als een zwaar blok aan het been, als een scherpe doorn in het vlees. In 't algemeen hangen we dat evenmin aan de grote klok als Paulus; de moeite, waardoor wij zo bijzonder geplaagd worden, naar ziel en lichaam. Die doorn maakte Paulus zwak, zodat hij God niet dienen kon. Misschien werd hij erdoor belemmerd in zijn zendingstaak. Die doorn maakte dat satan hem geweldig kon kwellen. Die doorn was moeilijk en was er altijd. Hebt u in uw leven ook zoiets? Dan wil ik alleen maar dit zeggen, dat gij het van God gekregen hebt. „Zou er een kwaad (een ramp) in de stad zijn, dat de Heere niet doet? " (Amos 3:6). Maar weet u al, waartoe u dit gekregen hebt? U hebt misschien al meermalen gezegd: o God, waarom moet ik dit hebben, ik kan het niet dragen; ik kan U zo niet dienen, Heere, ik kan niet al mijn betrouwen op U zetten. Neem het toch weg, Heere, neem het toch weg. Waarom neemt God de martelpalen en de vuisten van satan niet weg? De apostel Paulus weet het antwoord. Hij zegt het zo eenvoudig: „Opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees".

Wat een begenadigd mens is de apostel, dat hij dit zo eenvoudig zeggen kan: ik heb die martelpalen gekregen om mijn hoogmoed tegen te gaan. Ik vrees, dat hoogmoed de meest verbreide zonde is en dat God deze zonde nog meer haat dan andere. Vooral op vermeende of echte genade is de mens hoogmoedig. Dat geldt dus ook voor de kinderen Gods. Hoevelen zijn er al geweest, aan wie de Heere grote dingen had gedaan. Toen werden zij gevraagd om hier een avondje te komen en daar een dag, opdat zij zouden vertellen. Eerst deden zij dat tot eer van God. Maar elke keer, dat zij het verhaal opnieuw deden, was er meer eigen bedoeling in. Tenslotte moest hun verhaal bewijzen, dat zij grote mensen waren en dat ze echt bekeerd waren. Daar is veel hoogmoed, ook onder de wedergeborenen. Wat kunnen wij het slecht hebben als de een of ander ons miskent, alsof het om de eer van mensen gaat. Hoe dikwijls wandelt ook de hoogmoed in het kleed der nederigheid. Ik meen, dat er dominees zijn, die denken: zouden de mensen wel horen hoe voortreffelijk of ik preken kan? Zo meen ik, dat er ook wel kerkmensen zijn, die denken: zouden de mensen wel zien hoe nederig ik ben. Dit is — pas op — voor uitbreiding in alle richtingen vatbaar. Calvijn heeft gezegd: „De dolle begeerte om meer te zijn dan anderen, is de dodelijkste pest". De vijf nieten van Schortinghuis: ik ben niet', ik deug niet, ik weet niet, ik kan niet en ik heb niei zijn in de geest van Calvijn en Luther. De laatste schreef: „God heeft de wereld uit het niet geschapen. Zo lang gij niet niets zijt, kan God niets van u maken". Calvijn schreef bij 1 Petr. 5:6: „Het verschrikkelijkste en het moeilijkst uit te roeien kwaad in ons is de duivelse aanmatiging. Zo gauw iemand zich begint te voelen, is het mis en is zijn zaak arm. De deemoedige is zo leeg van alle goed, dat hij zich alleen voor de voeten Gods kan neerwerpen".

Maar moeten wij met onze ootmoed te koop lopen? Dat zij verre. „Zoals de onzichtbare wortel de boom draagt, zo is het met de ware deemoed, zij wordt niet door de mensen gezien, maar zij is de grond van ons bestaan". Geen farizeeër in het kleed van de tollenaar. Wat maakt deemoedig? „Met de kennis der zonde begint de ootmoed. Het rechte medicijn om ons te brengen op de weg des heils, is het, wanneer God ons onze misdaden laat zien en doet gevoelen". Wij hebben de aanklachten van de engel van satan nodig. „Opdat wij niet overmoedig worden, als wij overvloed hebben of in ere staan, komt de Heere zelf, op de wijze, die Hem bevorderlijk schijnt, ons tegemoet. Hij beteugelt de wildheid van ons vlees door het verbeteringsmiddel des kruises".

Omdat de apostel de gevaren van de hoogmoed over natuurlijke en geestelijke zaken en ervaringen kende, had hij vrede met zijn doorn, na zijn gebed. Die vrede met het kruis was ook een vorm van verhoring.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een niet verhoord gebed (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's