De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Reacties op een pauselijke encycliek.

De jongste encycliek „Mysterium Fidei" van paus Paulus VI heeft in de kerkelijke pers nogal wat reacties veroorzaakt. Zoals we in een vorig persoverzicht reeds schreven wordt in deze encycliek geageerd tegen nieuwere gedachtengangen binnen de r.k. kerk met betrekking tot het Avondmaal, en worden de traditionele leerstellingen ten aanzien van de wezensverandering van brood en wijn, en van de privé-mis, zoals ze in Trente geformuleerd zijn, gehandhaafd. Onder meer werd gezegd: „Op dezelfde wijze kan men het niet dulden, dat de eerste de beste privépersoon naar eigen goeddunken de formuleringen zou willen afschaffen waarmee het concilie van Trente het eucharistisch mysterie te geloven heeft voorgehouden". Dat alles klinkt geheel in de lijn van de r.k. traditie. Allerlei — al of niet uitgesproken — verwachtingen over toenadering tussen Rome en de Reformatie op het punt van de Avondmaalsopvatting, — met name de kwestie op welke wijze Christus present is in het Avondmaal, — krijgen door deze pauselijke waarschuwing om toch vooral ernst te blijven maken met de leer der wezensverandering een gevoelige klap. Prof. dr. J. T. Bakker schrijft in het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 22 oktober:

“Zo gezien is deze encycliek toch een wezenlijke belemmering in de voortgang van het oecumenisch gesprek. Niet omdat er heldere taal gesproken wordt. Schijnovereenstemming levert niets op. Maar wel omdat veelbelovende openingen die op reële ingespannen samenwerking berustten zijn geblokkeerd".

Ook de Reformierte Kirchenzeitung, het orgaan van de „Reformierte Bund" in de Evangelische Kerk in Duitsland gaat in het nummer van 1 oktober op deze encycliek in. De hoofdredacteur, Karl Halaski, merkt in dit verband op dat het niet slechts bepaalde leerstellingen van Nederlandse theologen zijn die in deze encycliek verworpen worden, maar dat de paus voor de opening van de laatste periode van het concilie een principiële aanwijzing wilde geven. Opdat eens te meer duidelijk zou worden dat dit tweede Vaticaans concilie geen reformatie beoogt, maar slechts noodzakelijke vernieuwingen moet doorvoeren. Halaski citeert in dit verband 'n woord van een Schotse theoloog, die de huidige koers van de R.K. kerk als volgt karakteriseerde: „De gletschers smelten, de Alpen blijven". M.a.w. wel aanpassing, maar geen reformatie. Tevens wordt in deze encycliek de wezenlijke functie van de mispriester bevestigd, zoals die in antwoord 80 van de Heidelberger Catechismus wordt weergegeven. Het laat zich verstaan dat men in verband met deze pauselijke uitspraken ook weer aandacht geschonken heeft aan dit befaamde antwoord van de Heidelberger over de Mis. Ook Halaski doet dit. Hij schrijft onder meer:

“De noodzakelijke ontnuchtering zal ook in zoverre wel moeten komen, dat wij ons nu niet meer al te snel verheugen, wanneer ook bij ons katholieke theologen liever van actuele- dan van reële presentie spreken, dat wij niet al te lichtvaardig het probleem als afgedaan beschouwen, dat zich met vraag 80 van de huidige Heidelbergse Catechismus aan ons voordoet met het oog op onze huidige verhouding tot de r.k. kerk. De ontnuchtering zou ons vooral daarvoor moeten bewaren om in het openbaar gemeenschappelijk met de r.k. kerk op te treden, zoals heden allerwege geschiedt, en daarmee voor de massa der onkundigen te doen alsof een oude familietwist is bijgelegd en men nu nog slechts onderhandelt over enkele formele punten, terwijl men in de diepste grond toch één is".

Me dunkt, het is goed om naar dit nuchtere geluid uit de Duitse kerk te luisteren. De belijdenis der reformatie inzake het onderscheid tussen Heilig Avondmaal en Mis zou wel eens actueler kunnen zijn, dan velen in hun oecumenisch ongeduld waar willen hebben.

De Gereformeerde Kerk van Hongarije heden.

In de „Reformierte Kirchenzeitung" van 15 oktober trof ons een bericht van pfarrer dr. Hellstern over de situatie van de kerk en het leven van de predikanten in Hongarije. Het luidt als volgt:

Voor het overige ondergaat ook de gereformeerde kerk van Hongarije de verandering waaraan de kerken in oost en west heden ten dage meer en meer onderworpen zijn. Dat blijkt uit de volgende brief van een Hongaars predikant:

„Onze volkskerk-kaders vallen steeds meer uiteen. Wij moeten nieuwe wegen zoeken. Vele gemeenteleden die slechts uit traditie ter kerke kwamen, zijn niet meer aanwezig. Bij ons is er geen verplichte kerkelijke belasting. Onze gemeenteleden geven vrijwillig, zoveel als zij willen. Wij hebben dus geen zgn. „geldbodem" onder de voeten. Wij moeten leven „uit het geloof". En we ervaren dag aan dag, hoe God voor ons zorgt. Reserves hebben we niet, maar voor wat we dagelijks nodig hebben geeft Hij ons steeds. Ook in het gezinsleven geldt dit. De vormen van de predikantsgezinnen zijn sterk veranderd. Mijn vrouw b.v. werkt als doktersassistente. Het werk thuis doen we 's morgens vroeg met elkaar (ook de kinderen helpen mee). Om half acht ga ik naar de kerk — wij hebben nl. iedere dag een korte kerkdienst, — om 8 uur gaat ook mijn vrouw aan het werk, de kinderen gaan naar school. Zo kan ik 's morgens lezen, mij op de dienst voorbereiden, en om het huiswerken. Daar mijn vrouw pas om twee uur thuiskomt geef ik mijn kinderen 's middags eten. Na de middag werk ik in de gemeente — mijn vrouw kookt thuis voor de volgende dag. Een gesprek met elkaar kan er slechts 's avonds zijn, als we niet te moe zijn. Maar we vinden, dat ook dit van God komt. We zijn ook arbeiders en staan niet boven hen. Zo voelen we ons veel dichter bij de gemeenteleden staan".

Kanselruil met Remonstranten?

In het Hervormd weekblad „de Gereformeerde Kerk" van 21 oktober gaat prof. dr. G. F. van Itterzon in op de voorgestelde kerkordewijziging van ordinantie 20, art. 3 een artikel dat handelt over de bijzondere betrekkingen van de Hervormde Kerk tot andere kerken. Volgens een bijgevoegde toelichting vloeit deze kerkordewijziging voort uit het hervormd-remonstrants gesprek en heeft als doelstelling om kanselruil etc. tussen de Hervormde Kerk en de Remonstrantse broederschap mogelijk te maken. Het merkwaardige is dat we inzake de vraag hoe dit alles in de praktijk functioneren gaat nog volop in de mist gelaten worden. Aanvaarding van de voorgestelde wijziging — zo lezen we in de toelichting — betekent nog niet dat deze bepalingen nu ook zonder meer toegepast worden. Daarvoor zal een afzonderlijk synodebesluit nodig zijn.

Even merkwaardig is ook dat waar in de kerkorde ten aanzien van kerken in het buitenland sprake is van „bijzondere banden van belijdenis of geschiedenis", dit hier ten enenmale ontbreekt. Waarom? Acht de synode het vanzelfsprekend dat er t.a.v. kerken in ons vaderland bijzondere banden zijn? Men zou kunnen zeggen: Wat betreft de, geschiedenis: ja. Maar zijn die banden er ook automatisch ten aanzien van het belijden? Of schuilt hier niet juist de moeilijkheid? Het laat zich dan ook verstaan, dat prof. Van Itterzon de vraag stelt: „Waarom komen in de verhouding tot de Remonstranten de leergeschillen op het tweede plan?" Te meer waar onze kerk met de Lutherse kerk (een kerk waarmee we toch stellig door bijzondere banden van belijdenis en geschiedenis verbonden zijn) in lange en moeizame besprekingen gezocht heeft naar een consensus, alvorens tot kanselruil etc. over te gaan.

De vraag mag en moet gesteld worden: Wat moeten we aan met de vijf artikelen tegen de Remonstranten, de zgn. Dordtse Leerregels, wanneer deze nieuwe bepalingen zijn aangenomen en dus de weg openstaat voor kanselruil met de Remonstranten? Prof. van Itterzon stelt dit in zijn artikel uitvoerig aan de orde. Hij schrijft onder meer;

Zullen we onze eigen predikanten in art. 10 der Kerkorde op de belijdenis der vaderen wijzen, inclusief de Dordtse leerregels, door de Reformatie geschonken aan de Kerk in de Nederlanden", maar zullen we straks, als de vraag rijst of ook remonstrantse predikanten in onze kerk het Woord mogen bedienen, over deze leerregels domweg zwijgen? Is het niet zo, dat. als remonstrantse predikanten een hervormde kansel bestijgen, zij vanzelfsprekend ook vallen binnen het raam van onze kerkelijke verkondiging of mogen zij zo preken, dat zij het belijden onzer kerk weerspreken? Ook het belijden, dat in de Leerregels is vervat? Als we eerlijk met elkaar willen omgaan, zullen wij dit probleem toch zeker niet kunnen en mogen ontlopen. Nu zou het een methode kunnen zijn, als wij in een komend gesprek tussen beide kerken zouden zeggen: Zand erover, alles vergeven en vergeten, en nergens meer over praten. Alleen naar onze huidige opdracht zien en wat deze inhoudt voor de naaste toekomst. Maar dan zou het naar mijn vaste overtuiging te zijner tijd blijken, dat we een probleem hadden weggewuifd, dat er toch echt wel was en dat we ten onrechte - als verouderd en niet actueel hadden geacht. Van Remonstrantse zijde is opgemerkt (ik ben 't hiermede van harte eens), dat 't hier toch gaat „om centrale vragen, nl. de verhouding van God tot de mensen en de plaats van de christen in de wereld. Juist in tijden waarin alles op dit gebied dreigt te verglijden en dubieus gaat worden is een dergelijke bezinning geboden". Dit remonstrants geluid doet mij goed, omdat het zo door en door eerlijk en actueel is.

Men zou ook kunnen zeggen: Laten we al vast met elkaar op weg gaan. Werkende weg zullen we de oplossing dan wel vinden. Voor deze methode ben ik allesbehalve geestdriftig. Immers als we zonder enig plan als kerken met elkander in zee gaan, is het uiterst moeilijk om later tot de conclusie te komen, dat er voetangels en klemmen liggen, die het samen voortwandelen gevaarlijk bedreigen. Zulk een voetangel zouden de leerregels kunnen wezen. En onze kerk moet niet in de impasse komen, dat wij te eniger tijd de leerregels maar in de ijskast zetten, omdat de samenwerking tussen genoemde kerken anders een aanfluiting zou worden. We kunnen de remonstranten niet in onze kerk binnenhalen om hun dan later de vijf artikelen tegen hen te moeten voorhouden.

Kort en goed: Handhaven wij ze, wat zullen dan de remonstranten moeten beginnen met het getuigenis onzer kerk? Geven we ze ter wille van de remonstranten (of omdat we ze toch liever kwijt zijn dan rijk) in alle openheid prijs, moet dan artikel X onzer kerkorde niet worden herzien? En kunnen we er dan mee volstaan om alleen de Dordtse leerregels af te schaffen? Moeten we dan misschien ook confessie en catechismus niet laten vallen? En wellicht ook de oudkerkelijke belijdenissen? En (om niets te vergeten) ook niet de catechismus van Calvijn? Enige klaarheid is hier wel geboden.

We zouden aan dit alles nog toe kunnen voegen: Hoe ligt het ten aanzien van de Christologie en de verzoening? Zijn daar alle problemen in de hervormd-remonstrantse verhouding weggenomen? Is er op deze centrale punten eenheid van overtuiging? Dat alles brengt met zich mee dat we over de voorgestelde bepalingen — juist omdat ze een heel bepaalde toepassing beogen' — niet enthousiast zijn. Er blijven te veel onklaarheden over.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's