De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DISCUSSIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DISCUSSIE

17 minuten leestijd

Om de discussie niet al te uitvoe­rig te maken, zijn coll. Van Sliedregt en ik overeengekomen om de volgende vragen in één keer te behandelen.1. Erkent u, dat de rechte verbondsprediking de dodelijke vijandschap van het menselijk hart aan het licht brengt en zo tot afsnijding voert, opdat er plaats komt in dat hart voor de verbondsweldaden, en dat dat beleefd wordt? 2. Naar aanleiding van hetgeen u schrijft op blz. 59 en 60 (van mijn boekje „Verschuivingen .. ."): Erkent u dat wij de wet wettisch gebruiken, zolang wij niet door de wet der wet gestorven zijn? En dat de wet in dier voege in het verbond in dienst van het Evangelie staat, dat zij tot Christus leidt, aangezien de wet dat nooit uit zichzelf zou doen? 3. Hoe weten wij ons door de Vader getrokken tot Christus, als we als verbondsbrekers aan de kaak worden gesteld? En wat betekent sterven als we weten van heil en dus leven? (blz. 63). Op welke bevrijding hebt u het oog op blz. 63 en 70: op stilling van de gewetenskramp, of bevrijding in en door het geloof in Christus? 

van dr. Graafland en ds. Van Sliedregt IV

Het is duidelijk, dat wij in de twee vorige discussies reeds zijdelings de vragen hebben behandeld, die hier expliciet worden aangesneden. Op de eerste vraag kan ik van harte bevestigend ant­ oorden. Alleen zal het er dan ook op

aan komen, dat er sprake is van een rechte verbondsprediking. Het lijkt me niet zo eenvoudig om in een paar woorden dit te omschrijven. Dé rechte verbondsprediking zal de God des Verbonds verkondigen, die in zijn ongebonden genade en liefde zich een volk verkiest, dat in zichzelf dood is door de misdaden en de zonde, om aan hem zijn genade en ontferming te bewijzen, en die op grond daarvan de eis doet horen: wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht. (Gen. 17 : 1). Wanneer zo de God des Verbonds wordt gepredikt, zal juist in het licht van deze genadevolle God de diepte van onze schuld en vijandschap openbaar komen. De geschiedenis van Israël is daarvan het bewijs. De aanklacht van de profeten aan het volk was juist daarom zo scherp en fel, omdat het niet tegen een vreemde God had gezondigd, maar tegen die God, die gezegd en gedaan had: Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt mijn (Jes. 43). God moest klagen: Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijnsheren, maar Israël heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet. (Jes. 1).

Wanneer wij zo voor de aanklacht van deze God des Verbonds worden gesteld, zodat wij er zelf op een persoonlijke wijze bij betrokken worden, dan komt de afgrondelijke diepte van onze schuld en het wezen van deze schuld openbaar. Want onze schuld wordt ons nooit aangrijpender aan het verstand en aan het hart gebracht dan in de context van Gods liefde. Wij zijn verbonds-brekers. Maar Christus is degene, die het verbond gehouden en vernieuwd heeft. En het wonder van Gods genade is, dat deze Christus onze plaats inneemt en wij in Hem voor God kunnen bestaan. In Christus wil God opnieuw met ons beginnen.

Zo versta ik de eerste vraag. En juist dan blijkt het opnieuw, dat we wet en evangelie niet van elkaar kunnen scheiden of de een aan de ander laten voorafgaan. Verbondsprediking is immers evangelieprediking. Maar in deze evangelieprediking komt ook de ontdekkende v/erking van de wet juist op haar scherpst en diepst naar voren. En dat geldt niet alleen voor de prediking, éj') maar ook voor de persoonlijke beleving. Dan worden wij het diepst ingeleid in eigen schuld en zonde, wanneer Gods Geest door het Woord ons laat zien, dat wij tegen de God der liefde, de God, die ons van het begin af aan reeds met zijn (verbonds) weldaden overladen heeft, hebben gezondigd. En door deze verootmoediging voor God heen wordt Christus ons één en ons al. In die lijn heb ik ook geschreven in mijn boekje.

Maar het kan, dacht ik, niet worden ontkend, dat de wet in onze prediking vaak veel te veel op zichzelf wordt gesteld als een op zichzelf staande codex van regels, of zelfs alleen fungeert als een term, die ons zegt dat wij ons zondaar-zijn voor God moeten beleven. De wet krijgt dan niet zijn echte betekenis om werkelijk ontdekkend te werken, omdat zij dat alleen doet als de wet van die God, die zegt : Ik ben de Heere, uw God.

Daarom ben ik het met coll. Van Sliedregt eens, dat wij de wet wettisch gebruiken, zolang wij niet door de wet der wet gestorven zijn. De wet wettisch gebruiken wil immers zeggen: de wet

naar je zelf toe trekken, zodat je je kunt handhaven met je eigengerechtige godsdienstigheid. Ik zeg, dacht ik, niet te veel, als ik meen, dat de kerk en ook onze gemeenten daar vol van zijn. Hoe vvettischer iemand leeft, hoe minder hij van de echte wet blijkt verstaan te hebben. Hij kan het met „zijn" wet goed uithouden. Maar zijn wet is Gods Wet niet. Zijn wet is een stel regels, die waarschijnlijk meer aan een bepaalde traditie, dan aan de mond van God ontleend zijn. Alleen als de wet in dienst van het Evangelie staat, leidt zij tot Christus. Dat.bén ik met coll. Van Sliedregt eens. Want dan leidt Christus door de Wet ons tot zichzelf. Vgl. Zond. 2, Heid. Catech.

Het Evangelie maakt dus gebruik van de dienst der Wet. (vr. 9). Dat betekent wat betreft de beleving daarvan, ook dit, dat de gelovige niet met de wetpuur in aanraking komt, maar dat het evangelie er mee gepaard gaat. Zo heeft Jezus toch de wet gepredikt, in gezelschap met het Evangelie. Zo is de wet vooral in zijn sterven tot uitdrukking gebracht. In het sterven van Christus gaan wet en evangelie in een onlosmakelijk verband tesamen. En zo predikt ook Paulus in zijn brieven nooit de wet-puur, maar de wet in gezelschap van het Evangelie.

Dat betekent ook, dat als God ons bezig is te ontdekken aan onze zonde door de wet, dat hij daarmee gepaard laat gaan de trekkingen van zijn liefde. Ik meen dit ook bij Tellinck in zijn „Huysboeck" gelezen te hebben. Ook in de beleving is het geen wet-puur, maar de wet in gezelschap van het evangelie. In dit alles is de Vader bezig om tot Christus te trekken.

Of de mens daar weet van heeft? Ja zeker. Zoals hij weet heeft van de wet die hem aanklaagt, zo ook van de trekking van de Vader, die hem de hoop geeft op zijn genade. Natuurlijk is hij dan nog niet töt die volle kennis van God de Vader gekomen. Maar we moeten het kennen en noemen van de Vadernaam niet uitsluitend reserveren voor de verst gevorderden. Ook de kleinste kinderen mogen al Papa (Abba) zeggen en zij doen het vaak vrijmoediger dan de groten.

Daarom lijkt het mij ook niet jviist om sterven en leven zo te scheiden van elkaar, dat het eerste in volstrekte zin aan 't tweede vooraf moet gaan (vr. 3). Is het sterven aan onszelf, door de wet aan de wet, niet een geschiedenis, die God met ons houdt? En mogen wij, voordat we werkelijk kunnen zeggen, dat wij het eindpunt daarvan bereikt hebben, niet delen in het leven uit Christus? Als Paulus zegt: ik ben door de wet der wet gestorven, dan is er geen voldoende reden, om dat in zijn leven te laten beperken tot zijn Damaskus-beleving. Mij dunkt, is dat in strijd met wat hij schrijft in zijn Romeinenbrief. Ook in zijn leven is dit een geschiedenis geweest. Maar toch verkondigt hij terstond Christus.

Ik meen, dat wij heel voorzichtig moeten zijn met het aangeven van een tijdsvolgorde in de beleving. Dat te doen lijkt erg aannemelijk, maar het is in strijd met de levende werking van de Geest. En het legt aan de gemeente lasten op, die niet door God haar worden opgelegd. Daarom sprak ik van een bevrijding, als wij vanuit het Woord dit gaan inzien en doorzien. Dit is niet een stilling van een gewetenskramp, maar wel een bevrijding van een gewetenskramp. Want wie aan het Woord gebonden raakt, wordt bevrijd van menselijke inzichten en opvattingen.

C. Graafland.

Wat collega Graafland schrijft over de rechte verbondsprediking, met name dat ze de diepte van onze schuld en vijandschap openbaar maakt, onderschrijf ik van harte. Ook ik ben van oordeel dat het verbondsbesef niet genoeg in onze gemeenten leeft en ook niet genoeg veler prediking draagt. De verbondsprediking moet allereerst duidelijk maken dat we dood zijn in zonden en misdaden, alzo actief ons durven stellen en ook stellen tegenover de heilige en goedertieren God des verbonds.

Zo roept de verbondsprediking op tot bekering, opdat het evangelie kan gehoord worden en er plaats in het hart kome voor de genade in Christus jegens verbondsbrekers. Daarbij vertolkt ze ook vanzelf de rijkdommen van het verbond voor de gelovigen. De Heilige Geest wil zo aan veroordeelden het verbond bekend maken en het doen aanvaarden als de grootste schenking uit enkel vrije gunst. Hij bedient, ons ook in de voortgang uit dat verbond.

Het gaat er maar om waar we staan: er voor of er achter. Daarmee zal de rechte verbondsprediking ook rekening houden. Zij is gevarieerd, laat ons zeggen: onderscheidelijk. Dat leert ons Gods Woord. Als b.v. God tot Abraham komt en zegt: Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht, dan zegt Hij dat tot Zijn knecht, die het verbond aanvaard heeft, want „hij is door het geloof, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou". (Hebr. 11 : 8). Abraham is hier ten voorbeeld voor allen die geloven. Iets anders is het, als God Zijn verbondsvolk toeroept: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, enz. (Jes. 1 : 16). Dit laatste is tot bekering en redding (zie vrs. 18: Kom dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; enz.) — Daarop meen ik even te moeten wijzen als collega Graafland zo terloops Gen. 17 vrs. 1 aanhaalt.

Maar van harte stem ik met hem in, dat de rechte verbondsprediking scherp ontdekkend is.

Als hij dan echter over Christus gaat spreken als de Middelaar des verbonds, doet hij dat op een wijze, waardoor hij over de „afsnijding" heenspringt en dus geen bevredigend antwoord geeft op mijn vraag. In de eerste plaats is het natuurlijk de Heilige Geest, Die in en onder alles werkt, zal er vrucht zijn. In de tweede plaats is mij een boodschap als „in Christus wil God met ons opnieuw beginnen" veel te algemeen. Maar al te veel is de „evangelieprediking" een zoeken bij te brengen van een gedachtezaak: „Zo is het! Zo moet je, mag je het zien!" Dat doet het bij velen. Zij willen intussen van de bevindelijke kennis van hun verloren­ heid en verdorvenheid van hun hart en van de noodzaak hunner bekering niets weten. En van als verbondsbreker er buiten gezet te worden helemaal niet.

Kijk, en om dat laatste gaat het me nu, als ik over afsnijding spreek. Waar ons „ik" zich handhaaft, kan Christus niet op de troon zitten. Het gaat mij in m.ijn vraag om de ontdekking van de radicaliteit van onze vijandschap. Juist dan wordt er plaats gemaakt voor Christus en zal de Heilige Geest Hem ook gaan toepassen. Dan maakt Hij door middel van de prediking van Christus als plaatsvervangende Middelaar des verbonds met ons een nieuw begin. Het is naar de orde van het verbond dat Hij er ons buiten zet, omdat wij er ons buiten gezet hebben, — opdat Hij er ons in zet.

De Heilige Geest snijdt door rechte verbondsprediking af om plaats te maken voor Christus in het hart. Want waar het één is kan niet het ander zijn. En waar Hij dat doet, zal Hij ook Christus brengen aan het hart, eveneens door middel van de verbondsprediking. De afsnijding houdt in de eerste bekering in, dat het verbondskind als verbondsbreker beseft de wraak des verbonds te verdienen. Zo schept de Heilige Geest het gehoor voor het evangelie, dat nu zo één er nochtans inhaalt. En zal nu de Middelaar des verbonds geheel aan zijn trek komen, dan niet anders dan door afschrijving van ons en het onze heen.

Dat wil de Heilige Geest doen. Daarom is evangelieprediking ook voluit prediking van God de Heilige Geest, van Wie de veroordeelde en zich veroordelende zondaar horen mag, dat Hij in Christus een weg tot verzoening der zonde en verbondsleven met God ontsloten heeft en ook voor die verbondsbreker opent.

Dat die afsnijding niet altijd op enen geschiedt, weten we, maar hoe zal. Christus Zijn volle heerlijkheid in ons hart ontvangen als wij niet afgesneden worden van onze gerechtigheden. En dan gaat inderdaad het sterven aan het leven vooraf.

In dit verband moet ik ook kritiek leveren op de wijze waarop Graafland schrijft over wet en evangelie. Deze zijn volgens hem niet van elkaar te scheiden en hij wil van geen voor of na spreken. Nu eens zal volgens hem de wet voor gaan, dan weer het evangelie.

Hierop m.een ik het volgende te moeten zeggen. De vraag is: „Hoe functioneren wet en evangelie binnen het verbond? " — Dan zullen we toch allereerst wet en evangelie scherp hebben te onderscheiden van elkaar. Daarin hebben we niet alleen Luther aan onze zijde, maar ook ongetwijfeld Calvijn.

Als gezegd wordt dat wet en evangelie niet van elkaar te scheiden zijn, dan repliceren wij daarop: in Christus niet, dat is zo. Maar we moeten toch wel bedenken dat de wet de geschonken levenswet vertolkt, en openbaring is van het deugdenbeeld Gods, waarnaar God de mens schiep.

Daarom is er voor ons — sinds wij van God afgevallen zijn — door de wet geen behoudenis meer. Onze duivelse hoogmoed doet ons echter, zo lang we nog iets zijn of zoeken te zijn voor

God, de wet aangrijpen om ons te handhaven. Zolang wij niet door de wet der wet gestorven zijn in het geloof in Christus, zijn we altijd weer met de wet wettisch bezig, op de een of andere wijze he leven zoekend naar wet. We hanteren genade zelfs wettisch, maken van haar wet. Met iets in onze handen willen we voor God komen. Zo maken we van de wet maar wat, dat ben ik met Graaf land eens.

Maar als het gebod Gods komt in zijn geestelijke kracht en diepte en als handhaver van het volle recht Gods, dan leert de Heilige Geest ons toch wel wat de wet is, ja de wet-puur. De wet, die alles uit handen slaat en ons neerslaat.

Doch nu zou de wet op zichzelf daarin tot wanhoop drijven. En dat er nu iets anders geschiedt, is omdat wet en evangelie in het verbond niet gescheiden zijn. De Heilige Geest hanteert namelijk de wet in dienst van het evangelie. Daarom worden verootmoediging, berouw, smart, verlangen naar Christus gewekt. Dat zou de wet op zichzelf nooit werken, maar nu wel in dienst van het evangelie. Echter betekent dat niet dat ze elkaar om zo te zeggen vergezellen. Integendeel ze staan voor de zondaar buiten Christus diametraal tegenover elkaar. Want de wet werkt toorn, maar het evangelie verwachting. De wet is krachteloos tot zaligheid geworden door het vlees. Maar God heeft Zijn Zoon gezonden ... en de zonde veroordeeld in het vlees, opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons (Rom. 8 : 3, 4).

Als nu de Heilige Geest de bediening der wet stelt in dienst van het evangelie, dan brengt zij berouw, verbrijzeling, hartelijk roepen om genade. Dat zou de wet nooit van zichzelf doen. Maar het evangelie heeft haar in zijn dienst, opdat vervuld worde: Het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft (Rom. 10 : 14, einde betekent hier doeleinde).

Als nu de wet in dienst van het evangelie genomen is (in het verbond), dan wil dat dus niet zeggen, dat ook maar iets afgedaan wordt van de daadwerkelijk verdoemende kracht der wet. Integendeel, Christus kan nooit alle eer ontvangen in ons hart, zo wij niet door de wet geheel neergeslagen zijn voor God. Juist dan, als wij in onze afsnijding van alle gerechtigheid, geheel verbroken voor God en schreiend tot God neerliggen, wordt Christus ons in Zijn volle middelaarsglorie het einde der wet (doel en einde beiden).

Zo krijgen wet en evangelie voor ons toch wel de accentuering van diametraal tegenover elkaar te staan. Hoe zou ook anders Paulus kunnen zeggen: ik ben door de wet der wet gestorven, n.l. in Christus. Ik ben in Christus een dode voor de wet. De wet heeft zijn recht op mij verloren. Haar verdoemende kracht is vernietigd. Ik mag en kan Gode leven in Christus (Gal. 2 : 19, 20). De tegenstelling tussen wet en evangelie in haar radicaliteit zal ongetwijfeld geleerd worden aleer het „gij zult" ons in het verbond als evangelie tegenklinkt. Dat laatste alleen in Christus, de Vervuller der wet. Nodig is deze tegenstelling tussen wet en evangelie naar Rom. 8 : 3, 4 en Gal. 2 : 19, 20 klaar te verstaan en in te leven, zullen we niet van twee walletjes eten. Gebrek aan kennis van deze tegenstelling geeft onzekerheid, twijfel en verwarring.

Graafland beoogt de zekerheid des geloofs voor de ander te zoeken, maar hij bewijst hem volgens mij heus geen dienst door te schrijven: „Zoals hij weet heeft van de wet die hem aanklaagt, zo ook van de trekking van de Vader, die hem de hoop geeft op Zijn genade". Want zo houdt hij van Christus af. De haast ontbreekt hem om tot Christus te brengen. Daarbij worden de handen te vroeg opgelegd. Zo schrijft hij, dat ook de kleinste kinderen al Papa mogen zeggen en het dan nog vrijmoediger doen dan groten. Daar zit een element van waarheid in. Maar collega Graafland zal het toch met me eens zijn, als ik zeg, dat de Vader-roep uiting is van teer kinderleven, uit bediening van de Geest der aanneming. Zeker kan het geloof ook voor we in Christus door de wet der wet gestorven zijn soms in teerheid doorbreken. Doch er is meer. Er is een overgang in Christus, een aanneming tot kind, waarop God „de Geest Zijns Zoons heeft uitgezonden in uw harten, die roept: Abba, Vader" (Gal. 4:6). Laat ons dat alles toch niet uithollen. Het uiteindelijk gevolg kan alleen maar zijn, dat de Vadernaam gehanteerd wordt zonder enig inleven en besef, wat de godvrezenden in de oren klinkt als het krassen van een zaag over een spijker.

Wat collega Graafland tenslotte over Paulus zegt, is mij — eerlijk gezegd — een raadsel. Als ik het lees zoals het er staat, kan ik onmogelijk ontkomen aan de gedachte, dat hij hier de Schrift toch wel pasklaar maakt voor zijn visie. Niemand die eenvoudig leert luisteren naar het Woord zal tot zijn gedachte komen. Daar spreekt Hand. 9 te duidelijke taal voor. Neem daar dan bij 1 Cor. 15: En ten laatste is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene (letterlijk: misdracht), gezien, en nog Gal. 1 : 16: Maar wanneer het Gode behaagd heeft Zijn Zoon in mij te openbaren. Natuurlijk ziet Paulus hier terug op het Damascusgebeuren.

We moeten wat tot de rechtvaardiging behoort niet gedeeltelijk of geheel onder de heiligmaking brengen. God is een God van orde. Die Zijn verbond ordelijk uitvoert. Er is een heilsorde! Daarom mogen we rechtvaardiging door het geloof en het proces der heiliging niet door elkaar halen, ook al zijn ze op elkaar betrokken en liggen ze met elkaar onlosmakelijk verbonden in Christus. Ik hoop dat dit niet als een scholastieke onderscheiding wordt afgewezen, want met dat te doen wordt niets dan verwarring gesticht en komt men met veel grote woorden tot verkeerde zaken, die beneden de maat van het heiligdom zijn. Dan worden woorden als „sterven" en „leven" van hun kracht beroofd als door iemand, die zelf in zijn graf kruipt maar er zelf ook weer uitkruipt, en dat maar in voortgang. Dan is er wel stilling, maar geen bevrijding van het geweten. 

Ik weet niet of collega Graafland als hij dit alles leest het gevoel zal hebben dat we eigenlijk langs elkaar heen blijven praten. Ik voor mij heb dat gevoel niet. Ik meen hem te begrijpen, maar daarom moet ik dan ook zijn gedachten afwijzen. Het spoor dat hij steeds meer gaat trekken (gezien ook zijn artikel in Nederlands Theologisch Tijdschrift jaargang 19 afl. 6) meen ik te moeten afwijzen als niet kloppend op de werkelijkheid (historisch) en niet in overeenstemming met Gods Woord en het leven der Kerk. Het zal dan ook leiden tot verschraling van de schriftuurlijk bevindelijke prediking.

Van Sliedregt

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DISCUSSIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's