De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DISCUSSIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DISCUSSIE

15 minuten leestijd

Van dr. Graafland en ds. Van Sliedregt V

Graag wil ik nog een keer ingaan op de vorige repliek van coll. Van Sliedregt. Het gaat erom, dat wij onze overtuigingen eerlijk tegenover elkaar stellen, maar dan moeten wij dat beiden zo doen, dat de ander zich erin kan herkennen. Dit laatste is mij onmogelijk in het eerste deel van het antwoord van coll. Van Sliedregt.

Wanneer hij zegt: „in Christus wil God met ons opnieuw beginnen" is veel te algemeen, dan moet coll. Van Sliedregt niet over het hoofd zien, dat ik daarvóór de zondaar als een verbondsbreker gesteld heb voor Gods Aangezicht, voor wie de diepte en het wezen van zijn schuld is openbaar gekomen. Als coll. Van Sliedregt dan in antwoord daarop meent, dat ik zo in een „evangelie-prediking" de mensen eengedachtezaak zoek bij te brengen van „zo is het! Zo moet je, mag je het zien" en meent daaruit te moeten concluderen, dat ik van een bevindelijke kennis van de verlorenheid en verdorvenheid van het hart en van de noodzaak der bekering niet wil weten, dan is er, dacht ik, toch wel enige reden om mij af te vragen: zou coll. Van Sliedregt mij verstaan hebben? Hij meent zelf van wel. Zou het ook kunnen zijn, dat coll. Van Sliedregt mij in een bepaalde hoek wil dringen, n.l. van diegenen, die van geen bevinding willen weten, om dan op deze eerst door hemzelf mij toegewezen positie kritiek te gaan leveren?

Dit blijkt opnieuw, als hij kritiek levert op wat ik gezegd heb over de verhouding Wet en Evangelie in de beleving des geloofs. Wat ik daarmee bedoeld heb, wordt door coll. Van Sliedregt zelf gezegd, n.l. dat in het ontdekkend werk van de Geest door de Geest tegelijkertijd ook verootmoediging, berouw, smart en verlangen naar Christus wordt gewekt. Ik heb dat zo uitgedrukt, dat de Vader dan al bezig is te trekken. Coll. Van Sliedregt moet dan niet menen, dat ik dan bezig ben om de zondaar buiten Christus om naar de Vader te brengen, want ook ik ben diep doordrongen van de waarheid van het Woord van Christus: niemand komt tot de Vader dan door Mij. (Joh. 14:6). Coll. Van Sliedregt vertekent dan weer mijn woorden en legt erin, wat ik er niet in wil leggen, en waartoe ik ook geen aanleiding geef.

In bovengenoemde zin heb ik gesproken van de wet-puur, d.w.z. van de wet in een geïsoleerde positie. Maar ik heb niet bedoeld, dat de wet in mindering gebracht moet worden op het Evangelie of omgekeerd. Juist in deze verbondenheid van Wet en Evangelie komt het karakter van de Wet èn van het Evangelie het duidelijkst en het scherpst naar voren.

Tenslotte nog deze correctie. Ik heb gesproken van een geschiedenis van God met de mens als het gaat om het sterven en leven met Christus, in de beleving. Ik heb daarmee in feite niets anders bedoeld als wat coll. Van Sliedregt zélf zegt: „dat die afsnijding niet altijd op enen geschiedt, weten we allen…" en: „Zeker kan het geloof ook voor “wie in Christus door de Wet der Wet gestorven zijn" soms in teerheid doorbreken". Dan is er, volgens mij, toch al „leven" voordat de gelovige in die zin „gestorven" is. Alles geschiedt niet altijd op één dag. Als coll. v. Sliedregt dat verderop een door elkaar halen noemt van rechtvaardiging en heiliging, dan treft hij daarmee ook zichzelf.

Mijn conclusie is dus, dat wij toch wel heel goed naar elkaar moeten luisteren, anders wekken wij bij onszelf en bij anderen grote en noodlottige misverstanden.

Om nu tot de werkelijke verschillen in onze overtuigingen te komen, meen ik in de eerste plaats daarin een verschil op te merken, dat ik de Wet in de geloofsbeleving uitdrukkelijk in de verbondsrelatie zie functioneren, terwijl coll. Van Sliedregt de Wet ook ziet als de geschonken levenswet, die in de schepping van God ligt gefundeerd. Hij maakt dan een tegenstelling tussen „in Christus" en in de schepping. In Christus zijn Wet en Evangelie niet van elkaar te scheiden, in de schepping wel. In de laatste gaat het n.l. om de openbaring van het deugdenbeeld Gods. Deze scheiding of tegenstelling kan ik niet aanvaarden. In de eerste plaats is Christus niet uit de schepping weg te denken. In de tweede plaats heeft God zich tot ons in een verbondsrelatie gesteld en in dat kader werkt de Wet, ook in zijn ontdekkende functie. We kunnen de inleiding op de Wet „Ik ben de Heere Uw God" niet van de Wet losmaken, als God tot zijn verbondsvolk spreekt. De donder van de Sinaï is toch openbaring van die God, die Zijn volk uit Egypte verlost heeft.

Een ander verschil, als ik het goed zie, is de verhouding rechtvaardigingheiliging. Coll. Van Sliedregt wijst op de eenmaligheid van het sterven en opstaan met Christus. Hij wil dit wat Paulus betreft opsluiten in zijn Damaskus-ervaring. Dus zo, dat Paulus een keer de rechtvaardiging heeft beleefd en van toen af in het stadium van de heiliging is gekomen. Ik hoop, dat ik coll. Van Sliedregt daarmee goed versta. Mijn overtuiging daartegenover is, dat de rechtvaardiging een voortdurend gebeuren is, zoals Calvijn spreekt van het begin der rechtvaardigmaking en de onafgebroken voortgang daarvan (III, 14). Inderdaad valt dan het accent op het onlosmakelijk verbonden zijn van rechtvaardiging en heiliging. De vorige maal noemde ik daarbij reeds de Romeinenbrief. Ik denk dan vooral aan Rom. 7 en 8. In het begin wijst Paulus op de volkomenheid der rechtvaardiging in Christus, vs. 4 : „Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus" enz. Maar als vanzelf gaat hij dan in het tweede gedeelte over tot het dagelijks weer op­ nieuw beleven ervan. Vs. 24 en 25 : Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere. Dit is een vernieuwde, voortgaande rechtvaardiging.

Coll. Van Sliedregt zal wellicht dan antwoorden: nee, dit is het leven der heiliging. Goed, daar kan ik het mee eens zijn. Alleen blijkt dan, hoezeer de rechtvaardiging als het ware meegaat met en in de heiliging. In Rom. 8 : 1 wordt dit verband nog nauwer getrokken. Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn (rechtvaardiging), die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest (heiliging).

Ik zou dus niet van een vóór en een na willen spreken. Er is wel een theologische volgorde, waarin de rechtvaardiging aan de heiliging voorafgaat en de laatste in de eerste rust. In de beleving gaan zij hand in hand. En dan weer: dit niet zo bedoeld, dat de een in mindering wordt gebracht op de ander, maar in deze verbinding komt het eigen karakter van beide juist het duidelijkst en het diepst tot uitdrukking.

Is er dan niet de eenmalige gebeurtenis? Ja, maar die zou ik dan in aansluiting op Rom. 6 vooral willen zien in de Heilige Doop. Vs. 4: Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Deze doop functioneert alleen in het geloof. Maar dat geloof openbaart zich in een wandelen in de nieuwigheid des levens. Ook hier zijn de rechtvaardiging en de heiliging onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Ik kan me wel voorstellen, dat coll. Van Sliedregt hier weer meent, dat ik met grote woorden verkeerde zaken bespreek en daardoor verwarring sticht en zelfs beneden de maat van het heiligdom, blijf. Hij meent ook, dat ik in strijd kom met het leven der kerk. Dat is heel wat, om dat te zeggen, Ik Iaat dit voor rekening van coll. Van Sliedregt.

Ik vóór mij zie het zo, dat coll. Van Sliedregt zelf zijn heilsorde opstelt, en daarmee de heilsorde van God vereenzelvigt. Er is een heilsorde, zegt hij. Ik vraag dan: welke? Die van de Gereformeerde orthodoxie, of van de lutherse orthodoxie, van Brakel of van Comrie, van Kersten of van Kuyper? Ik meen, dat wij heel voorzichtig moeten zijn met het absoluut stellen- van een heilsorde. In feite is zij de neerslag van een bepaalde dogmatiek, die dan voor de beleving weer normatief wordt gesteld. Daarom, hoe langer ik coll. Van Sliedregt in zijn opvattingen volg, des te meer word ik overtuigd van de juistheid van mijn (historische) visie, die ik in mijn boekje heb uiteengezet.

Het leven des geloofs wordt in een dogmatische constructie gebracht, b, v. in het opstellen van een bepaalde heilsorde. Dit brengt een verstandelijking van het geloofsleven met zich mee. Vervolgens wordt deze orde dan weer als norm gehanteerd in de bearbeiding der zielen in prediking en pastoraat. De uiterste consequentie daarvan is, die ik ook bij coll. Van Sliedregt opmerk, dat wie niet spreekt of beleeft volgens deze orde, buiten de grenzen van de kerk wordt gezet. Deze verabsolutering van een bepaalde lijn werkt verstarring en verenging in de hand. Daartegenover wil ik graag voor de visie van coll. Van Sliedregt ruimte laten. Maar daarnaast lopen andere lijnen, die evenzeer legitiem-bijbels en reformatorisch zijn. C. Graafland

1. Graag wil ik collega Graaf land verzekeren dat ik geenszins beoogde hem in een verkeerd daglicht te stellen. Het was mijn bedoeling niet het zo voor te stellen, alsof collega Graafland in het geheel niet zou willen weten van-de bevindelijke kennis van de verlorenheid en verdorvenheid van het menselijk hart. Indien ik tot deze gedachte aanleiding gegeven heb, wil ik dat direct recht zetten. Alleen maar, ik kan het een en ander niet rijmen, omdat tenslotte collega Graafland toch niet wil weten van de noodzaak van de „afsnijding". Daarom wees ik op het gevaar dat hij op deze wijze aanleiding geeft tot een uitholling van de ontdekking, in die zin dat er vrijheid kan zijn zonder voor God het hoofd op het blok te hebben gelegd.

Ik hoop dat hij van mij aanneemt, dat ik hem geenszins een bepaalde positie wil toewijzen, om dan daarop kritiek te gaan leveren. Maar hij moet mij niet kwalijk nemen, dat ik hem meen te moeten waarschuwen voor een heenspringen over de afsnijdende ontdekking, die ook werkelijk in de afsnijding van ons leven voor God brengt. Ik meen dat namelijk bij hem te moeten signaleren. Dat mag ik niet verzwijgen.

En daarmee hangt samen, dat ik geschreven heb dat hij van Christus dreigt af te houden. Ik schreef: „Graafland beoogt de zekerheid des geloofs voor een ander te zoeken, maar hij bewijst hem volgens mij heus geen dienst door te schrijven: „Zoals hij weet heeft van de wet die hem aanklaagt, zo ook van de trekking van de Vader, die hem de hoop geeft op zijn genade". Want zo houdt hij van Christus af".

Ik bedoelde daarmee te zeggen, dat er voor een zondaar geen rust is buiten Christus. Daarom zal hij, hoewel bij ogenblikken vertroost, als verbondsbreker en verloren Adamskind er steeds meer buiten gezet worden, daar hij Christus niet kent als zijn gerechtigheid. En waartoe? Opdat hij Christus zal gewinnen, in Christus zal overgaan door het geloof in Zijn bloed, Hem aannemend als zijn enige gerechtigheid voor God. — Dat is een daad Gods in ons leven. Daarvóór ontvallen hem Ook alle parels van hoop op genade, enz. Als we nu tevoren een ziel stijven in het uitziende leven, dan houden we hem van vereniging met Christus af. Dat was mijn bedoeling te zeggen. Ik begrijp uit de woorden van collega Graafland („dat coll. v. Sl. niet moet menen dat ik dan bezig ben om de zondaar buiten Christus om naar de Vader te brengen" enz.), dat hij mij daarin niet heeft verstaan.

2. Als collega Graafland spreekt van een geschiedenis van God met de mens, dan lees ik daarin — in het verband van zijn betoog —, dat hij niet toekomt aan de noodzaak, dat een zondaar voor God als zijn Rechter met zichzelf aan een eind komt, zich veroordelen laat en zichzelf veroordeelt, opdat God Zijn eer ontvangt in hart en leven en Christus heerlijk zij in zijn leven. Let wèl, het gaat er niet om met hoe weinig een zondaar kan zalig worden, maar om de verheerlijking van God Drieënig in ons leven, opdat in de toepassing des heils Gods deugden mogen schitteren in Gods kind. — Daarom heb ik niet mijzelf getroffen, als ik gezegd heb, dat de afsnijding niet altijd op enen geschiedt. Het gaat erom dat ze de enige weg is om tot de volle in- en uitleving van de vrijheid van het kindschap door de Geest der aanneming te geraken. Zonder afsnijding kan het rechtvaardigend geloof zich niet voluit ontplooien tot heerlijkheid Gods in het vrije kinderleven.

3. Wat collega Graafland over de wet zegt, moet dat niet gezien worden als vrucht van de beïnvloeding van de nieuwere theologie, die hierin het reformatorische spoor verlaat? — Is het onschriftuurlijk om altijd weer vanaf Gen. 1—3 te beginnen? Niet letterlijk, maar wezenlijk. Begint de Heilige Geest in de Heilige Schrift niet zelf met de schepping en onze diepe val? Als het verbondskind als verbondsbreker aan de kaak wordt gesteld en de donder van de Sinaï hoort, kent hij de wet niet in Christus. Het gaat er mij dus om dat er geen kennis is van Christus en dus ook niet van de wet in Christus. Hij heeft zich buiten het verbond gezondigd en wordt gebracht bij onze diepe val in het paradijs, waar we in Adam God naar kroon en troon hebben gestaan, onze levenswet met voeten hebben getreden en ons door moedwillige ongehoorzaamheid van al onze kostelijke gaven hebben beroofd. Zo komt de zondaar voor God als zijn Schepper. Dat hij die God als zijn Verbondsgod heeft tegengestaan maakt het dubbel erg. Van God afgevallen, dat wil toch zeggen, dat we Gods heilige wet, de ons geschonken levenswet hebben overtreden, welke inhoudt liefde tot God en de naaste. Is deze onze levenswet geen openbaring van 't deugdenbeeld Gods? Worden we dan in ontdekking niet terug gebracht tot het werk- of paradijsverbond? In deze ontdekking is God in Christus met ons bezig. Maar voor de zondaar is Christus verborgen, en zo wordt hij gebracht bij de oorsprong van zijn leven als Adamskind in het paradijsverbond, waarin de wet functioneerde als wet ten leven.

Herstelt niet het genadeverbond wat door het verbreken van het paradijsverbond totaal verwoest is? Wordt niet vanuit het werkverbond juist duidelijk wat het inhoudt dat Christus de wet heeft volbracht en de vloek der wet getorst ? Indien niet met Gen. 1—3 begonnen wordt en daarheen geleid in pastoraat en bediening des Woords, wordt het zondebesef uitgehold en Christus in Zijn heerlijk middelaarswerk verduisterd. Dan komt Zijn werk in de lucht te hangen. Juist het werkverbond doorlicht Zijn verzoenend en plaatsbekledend werk. We hebben te beginnen met datgene, waarmee de Heilige Geest in de Schriften begint. Het Christusmonisme van de moderne theologie wijkt af van de reformatorische theologie als het een andere weg inslaat.

Collega Graafland zegge nu niet dat hij dat alles niet geschreven heeft. Het hangt met hetgeen hij schrijft samen, ook al zeg ik niet dat hij dat alles ontkent.

4. Tenslotte moet ik er nog op wijzen dat collega Graafland, als hij de rechtvaardiging louter als een voortdurend gebeuren ziet en zich daarbij beroept op Calvijn in diens spreken van „het begin der rechtvaardigmaking en de onafgebroken voortgang daarvan", Calvijn m.i. verkeerd interpreteert. Calvijn spreekt in dat hoofdstuk immers herhaaldelijk van een eenmalig gebeuren: gerechtvaardigd zijnde, worden we tot vriendschap aangenomen (III. 14.6); met God als niet verzoend, voor Zijn aangezicht nog niet gerechtvaardigd (14. 7); wij bekennen, dat, wanneer God door de tussenkomst van Christus' gerechtigheid ons met Zich verzoent, en ons, daar we begiftigd zijn met de genadige vergeving der zonden, voor rechtvaardig houdt.... (14. 9).

Dat bedoelt Calvijn met „het begin der rechtvaardiging". En met de onafgebroken voortgang daarvan bedoelt hij, dat de gelovige nu in de voortgang van de verzoening en de vergeving leeft. Tegenover de roomse leer, dat wij, na vergiffenis gekregen te hebben van ons vorig leven, daarna in de wet de rechtvaardigheid zouden zoeken. Hij schrijft daarom: „Wanneer wij toegerust zijn met de rechtvaardigheid van Christus, verkrijgen wij een gestadige vergeving der zonden in het geloof. (III. 14. 10 en 12). Het gaat er dus Calvijn in dit hoofdstuk om, dat degene, die gerechtvaardigd is door bekeerd te zijn tot het geloof, nu enkel en alleen rechtvaardig is in voortgang door het gelóóf, en dat hij niet — zoals de roomse scholastieken zeiden — na door het geloof in Christus met God eenmaal verzoend te zijn, nu in het vervolg door zijn goede werken rechtvaardig geacht wordt bij God en door de verdienste van die werken aangenaam is. (III. 14. 11). Dat beoogde ik ook, toen ik schreef, dat de rechtvaardiging en de heiliging ten nauwste met elkaar in Christus verbonden zijn.

Als daarom gezegd wordt: Paulus heeft eenmaal de rechtvaardiging beleefd en is van toen af in het stadium der heiliging gekomen, is daarmee mijn gedachte niet juist vertolkt. De Damaskus-ervaring was voor Paulus — om met Calvijns woorden te spreken — het begin der rechtvaardiging, als der wet gestorven. Dan verder wordt uit de rechtvaardiging en in de heiliging geleefd door het geloof in Christus, Die niet gedeeld is, maar geworden tot rechtvaardigheid en heiliging beide. De Doop doet niet anders dan als sacrament dit voor het geloof onderstrepen tot versterking van het geloof.

Over hetgeen collega Graafland aan het eind schrijft wil ik verder niet uitweiden. Alleen, als hij denkt dat mijn spreken over heilsorde verraadt een brengen van alles in een dogmatische constructie, en hij daarbij vraagt: Welke heilsorde? dan stel ik mij tevreden met te verwijzen naar Rom. 8 : 29, 30. Collega Graafland neme van mij aan, dat ik geen andere heilsorde begeer te hanteren en een afschuw heb van verstandelijking van het geloofsleven.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DISCUSSIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's