De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De woorden van een mens (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De woorden van een mens (1)

10 minuten leestijd

„En hij zeide: De Heere helpt u niet; waarvan zou ik u helpen? En hij zeide: Zo doe mij God en doe zo daartoe, indien het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan. En hij zeide: Zie, dat kwaad is van de Heere, wat zou ik verder op de Heere hopen? 

Er is weer eens oorlog uitgebroken tussen Syrië en Israël. Terwijl ze eigenlijk één lijn moesten trekken tegenover de geduchte macht van Assur, liggen ze voortdurend met elkaar overhoop, en vliegen elkaar net zo lang in de haren, totdat Assur aan beider volksbestaan een einde maakt. Benhadad, de koning van Syrië stoot ditmaal meteen door naar het hart van het land: de stad Samaria, veel vluchtelingen voor zich uitdrijvend. Samaria is een sterke vesting, aan een verovering, stormenderhand, valt niet te denken. Daarom tracht hij de stad, die behalve de eigen bevolking, nog veel onvrijwillige bewoners telt, uit te hongeren. Dat blijkt hem wonderwel te gelukken. Als gevolg van de belegering heerst er weldra een grote hongersnood. Zó groot, dat er ontzettend hoge prijzen betaald worden voor etenswaren, die geen levensmiddelen genoemd mogen worden. Stel u voor: een ezelskop en duivenmest. Onsmakelijk, nietwaar, en bovendien nog onrein.

De koning van Israël, tevens opperbevelhebber, doet de ronde over de muur om de verdedigingswerken en de manschappen te inspecteren. Het is naar alle waarschijnlijkheid Joram, de zoon van Achab. Een vrouw weet tot hem door te dringen en opgewonden roept zij zijn hulp in: Help mij, heer koning! In die kreet, spreekt zich de diepgewortelde overtuiging uit, dat de heerser een helper moet zijn, een redder in de nood. Haar roep komt ons bekend voor: Hosianna. Help dan toch! Later is deze uitroep meer een groet, dan een gebed; hier hoort u haar in haar oorspronkelijke betekenis: Geef toch heil. Hulp en heil, daarom schreeuwt deze vrouw, en ze verwacht het van haar vorst, van Joram. Was de koning niet de plaatsvervanger van de Heere, de God Israëls? En was regeren, niet het redden van de ellendige die daar roept, van de nooddruftige en die geen helper heeft. Deze vrouw doet een wettig beroep op het koningschap in Israël.

Wij zijn benieuwd naar het antwoord van de koning. Hoe is hij er eigenlijk onder? Stad en land zijn in diepe nood gedompeld, de ellende stapelt zich op! Het oordeel Gods wordt over volk en vorst voltrokken. Ook dat, Israël kon het weten, dat nood en ellende geen toevallige omstandigheden waren, maar dat het gericht Gods daarin stond uitgeschreven met vlammende letters. De Heere oordeelt en de Heere redt, dat was de prediking die in de geschiedenis tot hen kwam. Denkt Joram daaraan wel voldoende? In ieder geval laat het lot van zijn onderdanen hem niet onverschillig. De stem van deze vrouw bereikt niet alleen zijn oor, zij raakt zijn hart. Help mij, heer koning. Daar is hij toch koning voor, zijn volk mag op hem rekenen! Maar hoe moet hij helpen? Kan hij wel helpen? De vraag brengt hem in verlegenheid, zijn koningschap is in het geding.

En hij zeide: De Heere helpt u niet; waarvan zou ik u helpen! Hij denkt aan de Heere; tenslotte komt de hulp van Hem. Of niet! Het is duidelijk, dat de Heere niet helpt, meent de koning. Dat kan ieder met de ogen zien en met de handen tasten. Het is waarschijnlijk, dat Hij niet helpen zal, Joram heeft er niet veel moed op, hij ziet de toekomst donker in. Waar moet hij dan de hulp vandaan halen? Op de dorsvloer is niets meer te vinden, de perskuipen zijn leeg en droog. Kan hij haar aan eten en drinken helpen, als de Heere kennelijk Zijn hand terugtrekt? Wij merken wel, dat het Godsvertrouwen hier ten enenmale zoek is. Geen wonder, volk en vorst waren van de Heere vervreemd; andere goden werden gediend. Hoe kan het vertrouwen levend blijven, als de naam des Heeren wordt vergeten? Die Naam toch is een sterke toren.

Verder klinken zijn woorden nogal aannemelijk. Op het eerste gehoor is het een nuchter vaststellen van de feiten: Als de God van Israël niet helpt, zijn de hulpbronnen van de koning van Israël uitgeput. Maar het is een schrale troost voor deze vrouw, wie de honger de ogen uitkijkt. En, wanneer wij er ons nader rekenschap van geven, is het een schampere opmerking. De Heere helpt u niet, waarvan zou ik u helpen. Het is mijn schuld niet, dat de stad van honger vergaat. Kan ik het helpen? Wie kan het dan helpen? De Heere. Hij zit in de hoek, waar de slagen vallen! Hij heeft het altijd gedaan, waar mensen hun handen in onschuld wassen.

Joram is een Godsdienstig man. Wanneer de Heere helpt, is hij goed over Hem te spreken, en wil hij Hem nog wel dienen ook. Hij dient Hem echter niet met zijn hele hart. Van huis uit is hij een dienaar van de Baalim: die wil hij ook te vriend houden; trouwens, zo vorst zo volk. De Heere én Baal. Het kwam niet tot een keuze. Elia had met volk en vorst geworsteld. Hij wilde hen ontrukken aan deze tweeslachtigheid, aan dit hinken op twee gedachten. Het mocht niet baten. Joram is telkens onder de indruk van de woorden en wonderen des Heeren; hij ziet hoog op tegen Eliza, de man Gods. Maar deze indruk is nooit zo sterk, dat hij de andere goden vaarwel zegt om de Heere alleen te volgen.

Een dubbelhartig m.an is ongestadig in al zijn wegen. Gaat alles naar wens, dan mag de Heere in zijn verering delen. Komen de tegenspoeden en de rampen, dan slaat de stemming om. Dan komt de wrevel, die diep in het hart schuilt, tevoorschijn. De Heere helpt u niet, waarvan zou ik u helpen! Hij beschuldigt de Heere, met zoveel woorden. Die blijft in gebreke. Die heeft blijkbaar geen oog en geen oor, geen hart voor dit geteisterde volk. De natuurlijke mens, is de Heere niet zo welgezind, als het vaak lijkt. De natuurlijke mens. Is Joram dat niet? Bent u het, ben ik het? Wij doen ons voor als godsdienstige mensen, wij hebben niets tegen Hem, als Hij maar met ons is. O wee, als de nood aan de man komt. Dan hebben we geen goed woord voor Hem over. Dat komt, omdat wij dubbelhartige mensen zijn. Wij zwaaien in onze levensgang nu eens de kant van de Heere uit en dan weer de kant van de vreemde goden. Daarom zijn we ongestadig in'al onze wegen en woorden. Wanneer u dit leest, moet u het zelf maar eens nagaan. Ook rechtzinnige mensen zijn geneigd te zeggen: Waaraan heb ik dit leed, deze ellende verdiend? Wij buigen ons niet onder God, omdat wij Hem niet van ganser harte aanhangen.

Wij worden wrevelig, wanneer het ons niet naar de zin gaat, wanneer Hij het ons niet naar de zin maakt. Waar zoeken wij de schuld? Zetten wij God voor schande, of schamen wij ons? Wie niet vreemd is aan zijn eigen hart, wie eraan ontdekt werd, begrijpt Joram. Uit het hart des mensen komen voort…. Daarom komen er ons zulke wrevelige woorden over de lippen.

Die wrevel is vrucht van de vervreemding. Wij hebben de Heere niet lief. Waar de liefde ontbreekt, heeft de ander altijd de schuld, in huwelijk en gezin, in werkkring en gemeente. Waar de liefde tot de Heere ontbreekt, sparen wij Hem onze verwijten niet. De duivel port dit vuur op: De Heere helpt niet. Men kan wel roepen: Hosianna; maar wat valt er te helpen, als Hij niet helpt.

Nu leggen wij, met Job, de hand op de mond, en het begint in ons te bidden: Verenig mijn hart tot de vreze van Uw Naam. Dan zal ik geen kwade gedachten over U koesteren. “Wordt mijn ziel door 't kwade licht verrast, ai laat het mij toch nimmer overheren”. Tegenover de taal van het ongeloof, legt het geloof een goed getuigenis af van de Heere. Hij helpt wel! Hoe ik dat zo zeker weet? Wel het kruis van Christus is mijn enige zekerheid. Toen hoonde men, van alle kanten: De Heere helpt niet. Hij heeft geen heil bij God. Dat was een uitgemaakte zaak. Maar, toen hielp God net. Toen bestelde Hij hulp bij een Held, Die als een vervloekte hing te sterven. Christus was in mijn verdiende hulpeloosheid, opdat ik niet zonder de hulp des Heeren zou zijn. De kennis Gods, in Christus, kan het opnemen tegen de wanhoop en tegen de twijfel. Wordt de hulp des Heeren in uw leven, een twijfelachtige zaak, om aan te wanhopen? Zoekt het bij het kruis van Christus, daar trekt de mist op. Het geloof wordt op de proef gesteld in menige tegenslag en menige teleurstelling. Het komt er telkens op aan, of de liefde het geloof voedt, de liefde Gods die uitgestort wordt in het hart door de Heilige Geest.

Keren we terug naar Joram. Hij begrijpt, dat de vrouw, die hem aanspreekt honger lijdt. Heeft hij er een vermoeden van, hoe nijpend en hoe vlijmend? Haar verhaal maakt het hem duidelijk. Een verhaal, waarvan ieder die het hoort, gruwt. Twee vrouwen hebben samen een afspraak gemaakt: zij zullen hun kinderen opeten. Dat is mensonwaardig, dat is niet eens meer beestachtig, dat is ronduit afgrijselijk. Er gebeuren echter afgrijselijke dingen in de oorlog en bij hongersnood. Welnu, het kind van deze vrouw is het slachtoffer geworden van die afspraak. De volgende dag kwam de beurt aan de zoon van die andere vrouw. Die heeft haar zoon verstopt, en, o gruwel, daarover doet de benadeelde nu haar beklag bij de koning. Help mij heer koning; zorg ervoor dat die vrouw haar zoon uitlevert. Eerlijk is eerlijk, afspraak is afspraak. De mijne ben ik kwijt, zij zal de hare ook moeten missen. Hoe vreselijk klinkt dit alles uit de mond van een moeder, om koud van te worden.

En de koning? Hij zegt aanvankelijk niets, en loopt met driftige passen verder. Tegelijk scheurt hij zijn klederen. Dat is een teken van rouw. Onder zijn kleed, draagt hij trouwens het boetekleed, een ruwharige zak. Alle mensen zien het nu: De koning draagt het stekelig boetekleed, met een touw om het middel vastgebonden, dat hem van onder de oksels, tot aan de knieën reikt. Dat valt ons toch mee, van Joram. Hij is er niet onverschillig onder, hij vermoedt nog iets van de samenhang tussen schuld en nood. Hij is hierin de zoon van Achab. Toen Elia hem het oordeel Gods aankondigde, scheurde hij zijn klederen, en deed een zak om zijn vlees. Toen zeide de Heere: Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Dat had u toch van Achab niet gedacht. In Joram vindt u Achab terug, in al zijn dubbelhartigheid, die toch geen huichelachtigheid is. Vergis u echter niet, wij vinden in hem ook Izebel zijn moeder terug. Want de koning, die met een nijdige ruk zijn kleren scheurde, wordt tegelijk wit van woede en hij zegt: zo doe mij God en doe zo daartoe, indien het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan. Hij zweert met een dure eed, dat Elisa onthoofd zal worden. Dat had Izebel eens gezegd van Elia. De woorden van een mens verraden de wrevel en de woede van zijn hart.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De woorden van een mens (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's