De Dordtse Leerregels
Want, eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere, vernieuwt Hij hen zeker en krachtig door Zijn Woord en Geest tot bekering, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn: vergeving in het bloed des Middelaars door het geloof, met een verbroken hart begeren en verkrijgen; de genade Gods, die nu met hen verzoend is, weder om gevoelen; zijn ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hunne zaligheid met vreze en beven des te naarstiger werken.
L. VROEGINDEWEIJ
Hoofdstuk V, artikel 7
De genade gevoelen.
Het is toch wel moeilijk met het ware geloof. Er is veel meer nodig dan letterkennis. Er is, zei men vroeger, bevinding nodig. Wat is die bevinding? Artikel 7 noemt haar een gevoelen van de genade Gods. De woorden: bevinden, gevoelen, ondervinden zijn in dit verband wel broertje en zusje. Hebben zij niets met kennis te maken? Daar hebben zij alles mee te maken, want het wordt dan een kennen uit ondervinden. Wat ondervinden de uitverkorenen? Dat zij een heel bijzonder inzicht krijgen, waardoor zij bepaalde dingen, die tevoren aan hun waarneming onttrokken waren beginnen te zien. Zij krijgen nieuwe ogen. Dat is een merkwaardig gebeuren, gelijk ieder kan getuigen, die deze bevindingen heeft ontvangen. Dat kan echter niet iedereen naar waarheid zeggen, ook niet iedere prediker of theoloog. Maar Calvijn heeft daar wel veel van gesproken. Hij noemt het geloof een vaste en zekere kennis. Maar bij deze omschrijving moet men twee dingen in het oog houden. Ten eerste, dat deze kennis door de Heilige Geest in het verstand van de uitverkorene gewerkt wordt door innerlijke openbaring. Zij ontstaat dus niet uit de prediking en uit de algemene Geesteswerking daarmee verbonden alleen. Het geloof als een zeker weten is een vrucht van de bijzondere werking des Geestes. Ten tweede bedenke men, dat deze vaste en zekere kennis verbonden is met een krachtig gevoelselement. Op dit gevoelselement ligt zelfs bij Calvijn de nadruk. Hij schrijft dan ook in Inst. III, 2, 8, dat het geloof (dus de kennis van het geloof) niet mag worden losgemaakt van het vrome gevoel (dus van de gevoelsfactor). Hij tekent voorts aan bij Jeremia 24 : 7, dat de ware kennis van God niet slechts in voorstellingen bestaat, maar met ernstige (diepe) gevoelens verbonden is. Dit gevoel der zaken is het meeste, volgens Calvijn, zoals hij in vorengemeld III 2, 8 schrijft, zodat het geloof meer een zaak is van het hart dan van het hoofd en meer van het gevoel dan van het begrip.
Men mene niet, dat Calvijn bezwaar had tegen denken en weten. Dat was ver van hem. Voor Calvijn berustte het geloof niet op onwetendheid, doch op kennis. Zoals hij zegt: „met het geloof is kennis verbonden, hoewel ons nog veel verborgen blijft, totdat wij de last van ons vlees afgelegd hebben". In dit opzicht was Calvijn geen man van deze eeuw, geen modern mens, van wie Albert Schweitzer heeft gezegd, dat hij in een ziekelijke toestand verkeert, vanwege zijn zeer verminderde behoefte aan nadenken. Daar zit wat in. Vroeger werd er door de kerk nog gejaagd naar 'n zuivere prediking. Vandaar die strijd in de eerste vijf, zes eeuwen en in de reformatietijd. Tegenwoordig is menige kerk alleen op rust uit. Laat ieder rustig zeggen, wat in hem opkomt. Het komt er niet zo op aan wat er gepredikt wordt. Zo was Calvijn niet. Hij had de waarheid lief. Maar het is in strijd met de waarheid als men hem van intellectualisme beschuldigt. Het gewone verstand van de mens moet deze wel gebruiken, maar uit zichzelf brengt het niets voort. De bekende A. Ritschl heeft gezegd, dat de Reformatie geen gevoel voor het gevoel heeft gehad naast het kennen en willen. Dat is onjuist.
Calvijn schrijft op elke bladzijde van elk geschrift haast, dat het blote verstand te vrezen is. God wil het hart. En in dat hart is wil tot daad, en gevoel inbegrepen. In de dienst van God had voor hem de oprechtheid des harten de eerste plaats. Wie in Geneve college liep of Calvijn hoorde preken, bemerkte telkens weer de angst van de leraar, dat zijn toehoorders tevreden zouden zijn met vrome gedachten en dat zij over de dingen Gods zouden willen - spreken, zonder dat men aan hen kon merken, dat zij de werkelijke dingen Gods, in hun diepste zieleleveh, ondervonden hadden. Het blote woord schept nog geen nieuw leven; de Heilige Geest moet het Evangelie ingraven in ons hart. Het gaat bij Calvijn om de bevinding, om de ondervinding en om het gevoel.
Twee voorbeelden uit de talloze. Bij Matth. 11 : 28 tekent de Reformator aan: „Jezus Christus heeft zonder onderscheid allen geroepen, die vermoeid en belast zijn, opdat niemand de poort voor zichzelf zou sluiten in wantrouwen en verdorven twijfelzucht. Maar intussen is het getal dergenen, die werkelijk komen heel klein, omdat onder de grote menigte dergenen die verloren gaan er slechts heel weinig zijn, die gevoelen dat zij verloren gaan". Het blote weten is niets, wij moeten het gevoelen. Geloof is geen koele aangelegeheid van het verstand. Onze leer wordt niet met verstand en geheugen opgenomen, zoals andere wetenschappen, maar is dan pas van ons, als zij het gehele hart in bezit neemt. Het gaat om een voelen. Het gaat om een voelen van onze verlorenheid, zoals we zagen docht ook om een voelen van onze verzoening.
Bij Jeremia 24 : 7 spreekt Calvijn van tweeërlei verzoening. De eerste gaat buiten het bewustzijn van de mens om. God is al met de uitverkorene verzoend, als deze Hem nog veracht. Calvijn schrijft: „God verzoent zich met de mensen, op geheimzinnige wijze. Als zij Hem verachten, komt Zijn genade hen tegen, verlicht hun verstand en vormt hun hart nieuw. Dat is de eerste verzoening, waar zij geen erg in hebben. Daar is echter ook een andere verzoening, die ons bewustzijn raakt, nl. wanneer wij gevoelen, dat de toorn Gods jegens ons weggedaan is. Dit gevoelen wij door de ervaring ervan en door de uitwerking". Het is dus volop een bevinden of ondervinden. Hieruit volgt, dat men niet in de lijn van Calvijn preekt of schrijft als men niet de sterkste nadruk legt op de noodzakelijkheid van het voelen onzer ellende en van het voelen van het persoonlijk verzoend zijn dus van de bevinding der zaken. Daar moet een wonder aan elk mens gebeuren. De mens staat machteloos tegenover het woord, dat in de prediking tot hem komt. Hij kan het wel met zijn natuurlijke verstandskrachten verstaan zoals men de woorden van andere mensen en zelfs uit heel oude geschriften min of meer kan begrijpen. Maar de geleerde of ongeleerde mens is niet in staat één woord uit de preek recht te verstaan, zoals God Zijn Woord bedoeld heeft. Pas als de Heilige Geest werkt in verstand en hart, komt de zaak open en bloot te liggen, die bedoeld wordt en dan gelooft de mens wat hem gepredikt wordt. Hij omhelst het gepredikte woord. Hij bevindt zich gans verloren of hij bevindt zich gered, naarmate de inhoud van het gepredikte woord. In de „Christenreis" van J. Bunyan kan men geïllustreerd zien, wat Calvijn bedoelt. Zodra bij het kruis de ogen van Christen verlicht zijn, gelooft hij, neemt hij Christus en Dien gekruisigd aan, en voelt hij zich bevrijd. Maar dit kan alleen gebeuren met een uitverkorene, die door genade zijn beoordeling en veroordeling Gods in de preek heeft omhelsd en een lastdrager is geworden, naar Matth. 11 : 28. Wie dit oordeel niet bevindelijk omhelsd heeft kan zichzelf alles wijsmaken tot geloof en verlossing toe. Daar is Calvijn zeer bang voor. De man, die bij bevinding 'n zondaar voor God geworden is, staat machteloos tegenover de boodschap van de welwillendheid en het medelijden Gods jegens ons. Het geheim der liefde Gods is voor de bevindelijk ontdekte zondaar, die de last van zijn zonde gevoelt en de rechtvaardigheid van de straf Gods bij bevinding kent, totaal ongelooflijk. Vlees en bloed kunnen dit niet vatten. Een schepsel, die bovendien nog zondaar is, en dus met een verduisterd verstand ronddwaalt, staat hier voor de grens van zijn kunnen. De mens, die aan het zichtbare gebonden is en daaraan zich overgeeft kan niet tot het geloof komen uit zichzelf. Dan zou hij buiten zichzelf moeten kunnen gaan staan.
Calvijn schrijft: „Als wij het geloof een kennis noemen, verstaan wij daardoor niet zulk een begrip als er pleegt te zijn van de dingen, die aan 's mensen verstand en gevoel zijn onderworpen. Want de kennis, waarvan wij hier spreken is zo veel hoger, dat het verstand des mensen zichzelf te buiten en te boven moet gaan om daartoe te geraken".
Het geloof is dus bevinding. „Want wanneer het (geloof) gekomen is, zo verstaat het niet, hetgeen het gevoelt, maar omdat het een vast en zeker gevoel heeft, van hetgeen het niet begrijpt, zo verstaat het door de zekerheid van zijn ontwijfelbaar gevoel meer dan of het met zijn begrip iets menselijks verstond en begreep".
Niettemin is het geloof een kennis, een zeker weten, maar niet op grond van waarneming of rede of bijbellezen of preek horen zonder meer. „De gelovigen weten het zeker (nl. dat zij kinderen Gods zijn), maar meer door een ontwijfelbaar gevoel van de waarheid Gods gesterkt, dan door een bewijs van het menselijk vernuft onderwezen zijnde". (Inst. Ill, 2, 14). De bevinding moet het bij Calvijn doen. Het geloof is meer een gevoelige overtuiging dan begrip en rede. D.w.z. zover wij met ons verstand en gemoed boven ons eigen natuurlijk verstand en gemoed opgevoerd worden, ontvangen zij geloof. De ziel krijgt een nieuwe scherpzinnigheid. Als men dit alles leest, krijgt men wel de indruk, dat men na Calvijn niet volledig in zijn spoor gebleven is. Menigeen heeft zich ontpopt als een bestrijder van de bevinding, die Calvijn zo nadrukkelijk leert. Het verstand richt hier niets uit. Het is allemaal bevinding, gevoel, verlicht worden, nieuwe oren krijgen, kortom: een wonder van de Heilige Geest. Hoe is dit na Calvijn vergeten door velen. Ik las tenminste: „De theologen hebben sedert vele jaren op de hogescholen geen onderwijs genoten in de praktische Godgeleerdheid en maken als predikant niet veel werk van die wetenschap. Zij kennen daardoor de inhoud van deze wetenschap niet noch haar spreekwijzen. Bovendien zeer vele mensen, geleerde en ongeleerde, hebben nooit de krachtdadige werkingen des Heilige Geestes in hun hart ontvangen". Wat is het gevolg? „Natuurlijke mensen, welke de Geest niet hebben, spreken alleen op grond van studie en aanleren over de bekering van een zondaar, maar niet uit gewaarwording van de bekerende genade in hun harten, terwijl de blinde eigenliefde hen doet geloven, dat zij wedergeboren christenen zijn. Het predikantsambt geeft echter van zichzelf deze bevinding niet, maar alleen de Geest Gods". Dit is een klacht uit de 18e eeuw. Zou het heden veel beter zijn? Toch blijft het zo, dat geen mens, die waarlijk zondaar voor God gemaakt is, vrede kan hebben, zonder dat hij gevoelt, dat de schuld van hem is afgenomen en hij met God verzoend. Hoe gevoelt men deze genade?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's