KRONIEK
Hervorming.
De 31e oktober komt nog voor in het rooster, waarin predikanten hun beurten voor de komende maanden kunnen aantekenen. Of er echter nog zo heel veel speciale diensten gehouden worden op de avond van de 31e oktober is een enquête waard. Er zijn wel enkele samenkomsten hier en daar van interkerkelijke of intergereformeerde aard. Begrijpelijk is dit, want het is een gemeenschappelijke vierdag. Maar het lijkt toch wel een beetje op de familie, die alleen op verjaardagen bij elkaar komt.
Er zijn argumenten genoeg om deze dag maar zonder dienst te laten passeren. Als het niet iets bijzonders is komen de mensen toch niet. Dat is wel een afdoende reden. Men komt toch niet. Het leven is zo veeleisend en het bestaan van vrijwel ieder mens staat lang niet meer in het teken van: één ding doe ik, begeer ik, jaag ik na. Enigermate vergoelijkend komen dienende Martha's en aandachtige Maria's in ene adem voor erkentelijkheid in aanmerking, maar voor haar die zeer bezig was met veel dienen had de Heere een scherp vermaan: Gij bekommert en ontrust u over vele dingen. Velen zijn zo verzekerd van het bestaansrecht en de vanzelfsprekendheid van de reformatie, dat ze het niet nodig oordelen om daar nu elk jaar apart op terug te komen. Anderen vinden het wat provocerend om een Hervormingsdienst te beleggen. Is het niet onverdraagzaam ten opzichte van de rooms-katholieke medebroeders en zusters? Nog een kwestie van tijd, misschien het jaar 2000, en dan gaan we de hereniging vieren. Het is praktisch uit de tijd om zich af te vragen wat Luther en Calvijn bewoog.
Groot toch zijn de veranderingen in de Rooms-Katholieke kerk. Uit gebrek aan preek- of spreekstof hoeven we de 31e oktober niet dienstloos te laten. Met name het concilie heeft een geweldige belangstelling. De kerk is geheel in de publiciteit gekomen. In korte tijd feitelijk. De publiciteit heeft al heel wat nevels weggevaagd, heel wat sluiers opgeheven in weinige decennia. Alles is zo publiek, dat men zich al duchtig beraadt op de privacy, zoals men dat met een Engels woord noemt. Maar het gaat erom of men ook eens een hoekje en een uurtje voor zichzelf heeft. De alomtegenwoordigheid van de publiekelijkheid heeft in ons land de laatste tijd heel wat deining gebracht. Voorheen heeft de kerk zich nogal eens uitgesproken over kwesties van nationale en internationale betekenis. Over het aanstaande huwelijk van H.K.H. Prinses Beatrix vernamen we geen officieel woord. De pers had het gauw geroken en maakte, voor de betrokkenen hals over kop, het nieuws wereldkundig. De verwikkelingen rondom het huwelijk kregen naderhand nogmaals pikante stekels door publiciteit van wat voor intern gebruik was bedoeld. Het lijkt wel of reeds het Schriftwoord in vervulling gaat, dat niets verborgen is wat niet geopenbaard zal worden.
Zo ook met de kerk van Rome. Voorheen was een paus een levend wezen ver van ons vandaan. Een onpersoonlijke, machtige hoogwaardigheidsbekleder. Thans spreekt ieder over Johannes en Paulus of ze wekelijks over de vloer komen. Dat is nog waar ook. Immers de televisie brengt dagelijks alle mogelijke aardse machthebbers voor ons oog. Bijzonderheden over doen en laten worden naarstig uitgevorst en aan de openbaarheid prijsgegeven. We horen van conservatieven, progressieven en leiders van beide partijen en we weten wat ze zeggen en beogen. Alles is zoveel dichterbij gekomen en doorzichtiger geworden. Bovendien grepen veranderingen plaats, die we niet voor mogelijk hielden. Maar veranderde er in wezen iets? Die vraag moet ons ter harte gaan. Want Luther en Calvijn zijn niet terwille van bijkomstigheden uit de kerk getreden. Ze hebben met hun leer het Rooms-Katholicisme in de hartader getroffen. Alle mogelijke wijzigingen, die niet het wezen raken, zijn schijnmanoeuvres. Wanneer we ons daardoor laten imponeren, verzaken we de bedoelingen van de reformatoren.
De Roomse Kerk zelf maakt het ons gemakkelijk. Voor het concilie werd zelfs door de meest progressieve en oecumenisch ingestelden voor en na ons voorgehouden dat het ten enenmale niet te verwachten was dat aan de leer van Rome zou getornd worden. Men kan alles wel wat anders interpreteren, maar het dogma blijft onveranderlijk. De kerk van de transsubstantiatie kan zelf met zijn leer geen transsubstantiatie ondergaan.
Hoe moeilijk is het voor deze kerk om werkelijk terug te komen. Dat bleek bij het intrekken van een enkele zinsnede in het mandement van de bisschoppen. Veel bleef staan, hoewel de praktijk er anders uitziet. Wel werd de scherpste uitspraak geëlimineerd, doch men gaf te kennen dat ook het N.V.V. zoveel veranderd was. De wijziging was mondjesmaat.
En hoe ging het met de uitspraken over de Joden? Aanvankelijk stond er in het schema, dat de discriminatie van de Joden werd betreurd en veroordeeld. Discriminatie is een mooi woord voor de vernietiging van dit volk. Veroordelen kon er echter niet af. Het bleef bij betreuren.
We moeten constateren dat het klimaat wel anders werd. Maar zijn wij andere protestanten dan onze voorgeslachten? Alles is aan verandering onderhevig. Maar hebben we wezenlijke elementen van de reformatie laten teloor gaan? Eeuwen was de Bijbel een verboden en gevaarlijk boek voor de rooms-katholiek. Is het alleen een tactische wijziging bij Rome, dat thans een eigen Bijbelvertaling heeft en die vrijelijk ter lezing laat aan de leken? Of is bij de protestanten de Schriftbeschouwing zodanig gewijzigd, dat men zonder bezwaar de bijbel in handen kan geven? Eens sprak men van een „papieren paus". In politicis is sprake van een papieren tijger. De nadruk valt dan op het eerste woord, het bijvoeglijk naamwoord. De tijger doet niks, want hij is van papier. Wanneer we echter van een papieren paus horen, moeten we de nadruk leggen op het woord paus. De Roomsen hebben hun paus in Rome en de protestanten hebben er ook eentje van papier, maar even streng en geducht. Dat is een smalende weergave van het sola scriptura. We werden grootgebracht met de stelling dat Rome twee gezagsbronnen leerde; de Schrift en de Traditie (gewoonte, zegt de belijdenis). De Reformatie daarentegen kende slechts de instantie van de Heilige Schrift. Doch heeft de moderne schriftbeschouwing met ideeën van tijdgebondenheid en dergelijke van de Schrift niet een stuk traditie gemaakt? Dat bleek met de vrouw in het ambt en dat zal binnenkort mogelijk naar voren komen als gelijkstelling van begraven en crematie wordt bepleit. Begraven is een Bijbelse vorm van lijkverzorging, maar niet stringent geboden, zegt men. Hoever men hiermee gaat blijkt wel uit geschriften als van Robinson. Al wat de moderne mens apocrief voorkomt wordt ook prompt apocrief verklaard. Het een na het ander gaat overboord. Woorden en begrippen als wederkomst^ zijn ten enenmale niet te plaatsen. Wat doen we er dan nog mee?
We kunnen er begrip voor opbrengen, dat men in eigentijdse taal het Woord Gods poogt verstaanbaar te brengen. De Pinkstergangers hoorden in eigen taal de grote werken Gods. Thans wil de kerk wel de eigen taal spreken, maar hoort men ook de grote werken Gods? Want voor Hem is geen ding te wonderlijk. Merkwaardig is, dat men zichzelf zo vaak grote moeite geeft om zich verstaanbaar te maken voor de moderne mens, terwijl diezelfde moderne mens zich soms zo heel gemakkelijk verslingert aan leringen van allerhande welig tierende sekten, die heel wat ongelofelijker verhalen en begrippen opdissen dan die men angstvallig uit de Openbaring heeft verwijderd.
Rome is veranderd. Maar het protestantisme ook. We horen het uit de mond van een hoogleraar van de Vrije Universiteit, prof. Berkouwer, aan wie onlangs vragen werden gesteld over de woorden van de Heidelberger, waarin de mis als een vervloekte afgoderij wordt gekarakteriseerd. Prof. Berkouwer verklaarde wel dat ook Trente zich op dezelfde wijze had uitgelaten, doch haastte zich tevens om als zijn mening ten beste te geven, dat wij over dergelijke dingen tegenwoordig wat genuanceerder oordelen. Genuanceerder is een mooi woord om elkeen in zijn waarde te laten. We vergeten echter niet dat deze paus uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven, dat ondanks allerlei speculaties, die de laatste tijd werden verbreid, toch immer de aloude leer van de transsubstantiatie maatgevend bleef. Is er dan reden om de kwalificatie vervloekte afgoderij buiten gebruik te stellen? Geenszins.
Als men over de Vrije Universiteit nu en dan leest krijgt men de indruk dat er figuren zijn, die met de grondslag van deze onderwijsinstelling niet goed raad meer weten. Men wil het woord calvinistisch laten vallen en ook de grondslag van de drie formulieren is wat strijdig met het „Vrije" van de hogeschool.
In een andere sector echter spreekt men van „voortgaande reformatie" getuige de afzetting van ds. Van der Ziel in Groningen. Men gaat al voort met reformeren en er schijnt geen weg terug te zijn. Veel heeft de aandrang om al maar zichzelf te overtreffen om zo zichzelf op te heffen. Dat is met name het gevaar van rechtzinnigheid, daar waar meer op de leer gelet wordt en ook wel op leven, maar waar de zelfkennis niet een vak is om in thuis te zijn. Ik meen niet, dat we voorshands recht hebben om de Hervorming onherdacht te laten. Zijn wij de Hervormers gepasseerd of zijn zij ons ver vooruit? Dat zijn de vragen die ons bezig moeten houden.
De bedoeling was om over drie diensten te spreken, die in onbruik geraken. Hervormingsdienst, dienst voor het gewas en avonddienst. Maar we zullen de bespreking van de beide laatsten bewaren voor een andere keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's