De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De woorden van een mens (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De woorden van een mens (2)

10 minuten leestijd

En hij zeide: Zo doe mij God en doe zo daartoe, indien het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan. En hij zeide: Zie, dat kwaad is van de Heere, wat zou ik verder op de Heere wachten? 2 Koningen 6 vers 31 en 33b.

Wat is een mens, en wat zijn de woorden die hij spreekt, onthullend! Joram is begaan met het lot van zijn stad, hij wil de weg der boete wel inslaan, als die tot bevrijding leidt. Ondertussen groeit de wrevel tegen de Heere; zij broeit in zijn woorden. Wanneer hij de gruwelijke geschiedenis van die vrouw heeft aangehoord, slaat de vlam van de woede er uit: Elisa moet sterven. Het verhaal grijpt hem aan, het doet de maat overlopen, het roept wraakgevoelens in hem wakker. Op wie zal hij zich wreken? Natuurlijk op Elisa de zoon van Safat. U zou denken; wat heeft Elisa dan voor kwaad gedaan? Maar Elisa is de profeet, de man Gods! Hij heeft hem aangeraden de stad niet over te geven; hij heeft hem tot boetvaardigheid vermaand, hij heeft hem gewezen op de Heere, de God Israëls, bij Wie veel verlossing is. Kortom, hij had het Woord des Heeren tot hem gericht. De koning had daar aanvankelijk naar geluisterd. Dwaasheid, vindt hij nu. Dwaasheid, dat boetekleed. Wat koopt hij nu voor die mooie en vrome praatjes van die man Gods? Elisa heeft hen allen misleid; hij zal er voor boeten met zijn leven. Zo moge God doen, ja nog erger, indien ...

Elisa moet het ontgelden, hoewel hij slechts de knecht des Heeren is. Verging het Mozes vroeger niet evenzo? Israël verloochent zijn natuur niet, het werpt de schuld van alle ellende op de dienaren des Heeren, dat is eigenlijk op de Heere zelf. Wat een gevaarlijk spel speelt Joram hier. Hij doet er een eed op: Elisa zal sterven. Wij verbazen ons voor de zoveelste maal over de woorden van een mens, die opsteigeren tegen de Heere. Die de knecht des Heeren, waaraan het volk zoveel te danken had, onder de voet lopen en verpletteren. Kon hij God doden, hij deed het. Zijn woede is immers tegen de God van Elisa ontstoken. Nu moet hij zich met de man Gods tevreden stellen, die gaat er aan! 

De woorden verraden de gezindheid, de boze gezindheid van zijn hart. Zeker, Joram is uit zijn evenwicht geraakt door dat ontzettende verhaal. Dat zij hem vergeven. Maar wat erger is, hij valt de verkeerde kant uit, omdat hij de Heere niet van harte toegedaan is. Dat boetekleed was blijkbaar slechts een uiterlijk vertoon van boetvaardigheid. Scheurt uw hart en niet uw klederen. Hoe hartverscheurend de toestand ook was, het hart van de koning is er niet door gebroken, hij verhardt zich tegen de Heere. Dan schuilt er onder veel vormen, een verschrikkelijke haat tegen God en tegen Zijn dienaren, Misschien bent u daarvan wel eens geschrokken, van die haat bedoel ik. Van nature geneigd God te haten. Dat is maar geen zinnetje, even gauw geleerd als vergeten, nee, dat is de barre werkelijkheid van ons Godvergeten bestaan, Die werkelijkheid kan ineens aan de dag treden. Wij haten God, wanneer Hij in tegenheden met ons wandelt, Wij kunnen Hem niet uitstaan; wij zouden Zijn Woord wel willen vertrappen, Laat niemand ons dan met vrome woorden aan boord komen, wij zouden in staat zijn hem eruit te gooien. Van binnen is het een woeste zee, de golven worden hoog opgezwiept, de wind waait uit de verkeerde hoek, en het bruist en schuimt, om bang van te worden. Het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God.

Eens zag David de engel des Heeren, gereed om de stad te verderven. Toen sprak hij tot de Heere: Zie ik, ik heb gezondigd en ik, ik heb onrecht gedaan, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis. Hij kwam onder God. Hij sloeg niet in het wilde weg om zich heen. Hij sloeg zich op de borst, net als de tollenaar. Ik, ik, zijn eigen hoofd, zijn eigen leven was in het geding, hij had de dood verdiend. Hij zocht geen zondebok, hij vond de schuldige heel dicht bij huis. En wat zei die moordenaar? Wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig wat wij gedaan hebben, doch Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. Dat is genade! De natuur leert het ons niet, de Heilige Geest leert het ons. De opstandigheid waartoe wij geneigd zijn, maakt plaats voor de onderworpenheid. Zeg niet, dat het dan niet stormen kan! Doch midden in de storm voltrekt zich het wonder: Gij temt de woeste zee, zij luistert naar Uw wil. Hoe hoog zij zich verheft, Gij wenkt, en zij is stil.

O, die stilte na de storm, voorbode van de vrede, die God, wil geven, aan degenen, die Hem vrezen en die op Zijn goedertierenheid hopen. Voorbode van de verrassingen, waarmede Hij hen bezoeken zal, zodat Hij de doodsschaduw verandert in de morgenstond. Waar wij ons vernederen, daar wordt de Heere verhoogd. En de Heere wordt verhoogd in het helen van de gebrokenen van hart, in het verbinden van de wonden die werden geslagen, in het redden uit de nood.

Ondertussen zit Elisa in zijn huis, zich van niets bewust. De oudsten van de stad zijn bij hem, om zijn raad in te winnen, nu de toestand zo hachelijk is. Elisa, de man Gods, de ziener. Want ineeins ziet hij het. God opent zijn ogen voor wat de koning van plan is. Hij ziet de woedende vorst, die een knecht zendt om hem te doden. Hij ziet het zo duidelijk, dat hij het aan de oudsten meedeelt. Die moordenaarszoon wil mij onthoofden. Houdt de bode buiten de deur, achter hem komt de koning zelf. Vóór de eerste gelegenheid krijgt hem te vermoorden, zal hij de tweede van antwoord dienen. En zo geschiedt het. De bode vindt de deur gegrendeld; de koning klopt even later aan en hem wordt opengedaan. Zijn woede is reeds bekoeld, hij is nu wanhopig. Voor de derde maal spreekt hij, op matte toon: „Zie, dit kwaad is van de Heere; wat zou ik nu verder op de Heere wachten? "

Het is opmerkelijk, hoe levendig ons het beeld van deze koning getekend wordt. Wat schetsmatige lijnen, maar hij treedt daaruit heel duidelijk tevoorschijn. Hij is een man van stemmingen. De wrevel maakt plaats voor de woede, en deze op haar beurt voor de wanhoop. Zo is een mens! Een mens, die de vaste grond van het Woord des Heeren niet onder de voeten heeft, die daarbij niet leeft. Hij wankelt van het een naar het ander, hij struikelt over zijn eigen stemmingen. Wij moeten niet zeggen: Die Joram is toch zo kwaad nog niet, hij meende het straks zo kwaad niet. Want hij volhardt in zijn houding tegenover de Heere. En de houding is beslissend, niet de stemming. Hij weigert de Heere, de eer van Zijn Naam te geven.

Ziehier nu de ramp, die van de Heere komt. Dat is zijn felle grief, die dreef hem ertoe, Elisa de dood te zweren. Moeders, die hun kinderen eten, die daarover ruzie maken, en de koning lastig vallen. En Elisa maar volhouden: Hoop op den Heere! Wat zal ik nog verder op de Heere hopen. Het moet nu eindelijk maar eens uit wezen. Ik zeg de Heere het vertrouwen op, ook het laatste restje, dat ik nog koesterde. Ik breek met Elisa, die mij reeds te lang onder zijn invloed hield! En wat nu verder. Nee, wij horen niet wat hij verder van zins is. Elisa valt hem dadelijk in de rede, het Woord des Heeren legt hem het zwijgen op! Maar de woorden der mensen liegen er niet om!

Laat Heer, mijn tong en mond, en 's harten diepsten grond, U welbehaaglijk wezen. Wie zou dat niet bidden, wanneer hij deze woorden hoort. Wij kunnen anders voor onze woorden niet instaan, is het wel?

Zie, dat kwaad is van de Heere. Dat is waar. Is er een kwaad in de stad dat de Heere niet doet? Dat valt niet zo gemakkelijk te verwerken, en met een vormelijke toestemming komen we niets verder. De waarheid wil voor het aangezicht des Heeren beleden worden, worstelend, hoewel gewond. Bij Joram deugt de toon niet. Van de Heere komt het. Wat is dat voor een God, Die zulke dingen zendt? Is dat een God om nog iets van te verwachten? De satan is in hem gevaren, en sist hem de woorden toe. Want wij spreken de taal van de vader der leugenen, of de taal van de Vader der waarheid. Het kan veel op elkaar lijken, het is echter in een andere school geleerd: „Dat kwaad is van de Heere".

Kopen? Op de Heere hopen? Op déze Heere? Daar kan geen sprake meer van zijn, daar bedank ik voor. Hij doet het eigener beweging. Job had een vrouw, die het hem in de mond gaf: „Zegen God en sterf". Geef Hem Zijn ontslag en houd de eer aan jezelf. Houd u niet langer aan Zijn Woord, bezwaar uw leven niet langer met Zijn dienst. Het helpt immers niets. Wat zou ik verder op de Heere wachten? O, die kwade gedachten over de Heere, die opwellen uit de diepste lagen van ons verdorven hart. Wie heeft daar nooit iets van gemerkt? Wie werd het met schrik gewaar? Wij kunnen Joram niet aanwijzen, als de boosdoener, wij worden eraan ontdekt: „Gij zijt die man". Ook voor deze zonden, is het bloed van Christus nodig. Hij sprak nooit kwaad van God. Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Job vreesde de Heere, hij was nergens te goed voor, maar werd voor veel bewaard: „Zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet? ", zo antwoordde hij zijn vrouw. Hij kwam niet van God los, al werd er hevig aan de touwen en de ankers gerukt. Niet meer op de Heere hopen, dat is de wanhoop. Dan wordt de poort in het slot geworpen, we zitten opgesloten in onze moedeloosheid en onze verwardheid. Bij Job bleef de weg open, de weg om tot God te vluchten, om met Hem te vechten, om de kennis van Zijn Naam in nood en dood. Wat zou ik verder op de Heere hopen? Het klinkt zo aannemelijk en het is zo verwerpelijk. Leent toch nooit het oor aan de vorst der duisternis, hoort liever naar de Heere en naar Zijn Woord. Want er valt op niemand anders te hopen, dan op Hem. Mag ik Job nog eenmaal als getuige aanvoeren? „Al zou Hij mij doden, dan zou ik nog hopen". Dat is sterk, nietwaar? Zo sterk is de band die Job aan de Heere verbindt, zo sterk is de hand, waarmee de Heere Job vasthoudt. Hosianna: Help toch! Hij helpt. Hij helpt daar waar wij aan alle hulp moeten wanhopen. Midden in deze nood, midden in de strijd, in de aanvechting en in de verzuchting, staat het kruis van Christus geplant. Het teken en zegel van Gods hulp, en daarom de ankerplaats van de hoop.

De Heere stelde ons Joram niet ten voorbeeld, dat niet. Hij wilde ons waarschuwen, voorzichtig te zijn met onze woorden. Hem te ontzien, ook als wij Hem niet verstaan kunnen in Zijn daden. Doorgrond mij Heere, en ken mij. Het komt er zo op aan, of de verhouding tussen de Heere en ons vernieuwd is. En daarna of onze houding daaraan beantwoordt. Vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest. De psalmisten gaan hun woord meespreken. Zij spreken niet over, maar tot de Heere. Door Zijn genade mogen wij volharden in het gebed, onder alle wederwaardigheden en in alle omstandigheden. Al zouden vlees en hart bezwijken dan nog. Acht niet klein de kastijding des Heeren en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt; zegt niet te haastig: wat zou ik verder op de Heere wachten. Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De woorden van een mens (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's