DISCUSSIE
Van dr. Graafland en ds. Van Sliedregt VI
De laatste vraag, door coll. Van Sliedregt mij gesteld, luidt als volgt: Is de door u op blz. 10 gesignaleerde verschuiving in de Schriftbeschouwing en de kentering in het stellig afwijzen van de vrouw in het ambt (stel dat zij inderdaad een feit is, wat ik in zijn algemeenheid toch nog betwijfel, ook onder de jongeren) in onze kring niet verontrustend te noemen ?
Deze vraag heeft betrekking op wat ik in het eerste hoofdstuk van mijn boekje geschreven heb. Ik signaleerde daar verschuivingen, niet alleen in de prediking, maar ook in andere aspecten van het leven en denken van de Gereformeerde Bond.
Ik meen van coll. Van Sliedregt begrepen te hebben, dat hij graag wil, dat ik dieper op deze zaken inga. Ik wil daarom dit keer alleen ingaan op de verschuiving in de Schriftbeschouwing.
Als ik het goed zie, heeft de vraag van coll. Van Sliedregt twee kanten. Zijn vraag wil in de eerste plaats in twijfel brengen, of de genoemde verschuiving er wel is, althans in haar algemeenheid. En in de tweede plaats wil hij graag weten, hoe ik deze verschuiving beoordeel, zo zij inderdaad aanwezig is.
Wat het eerste betreft, wil ik beginnen met mezelf te citeren, opdat ieder wete, wat ik in mijn boekje hierover gezegd heb.
„Daarachter ligt een verschuiving in de Schriftbeschouwing. Het kenmerk van onze gereformeerdheid was tot voor kort onze beschouwing, dat de Schrift van Genesis tot Openbaring het onfeilbaar Woord van God is. Dit werd geïnterpreteerd naar de richting, dat alles wat in de Bijbel staat, evenveel goddelijk gezag heeft. In de laatste tijd is deze beschouwing op de Schrift veel genuanceerder geworden. Gen. 1 b.v. wordt niet meer geheel letterlijk genomen. Men zoekt althans in het kader van Genesis 1 ruimte te laten voor de wetenschap. Ook is men de christologische lijnen van de Schrift veel meer centraal gaan stellen. Kortom, de nieuwere theologie heeft ook onze Schriftbeschouwing niet onaangetast gelaten".
Ik meen, dat het niet moeilijk is de bovengenoemde verschuiving in onze kring aan te wijzen. Graag wil ik er drie voorbeelden van aanwijzen.
In het orgaan van de Jeugdbond „Op Weg" van 9 sept. 1964 schrijft ds. G. Boer een artikeltje over „Het wonder van Genesis 1". Hij zegt daar o.a. dit in: „Nu zul je gaan begrijpen, dat zo gezien Genesis 1 voor ons geen reportage van biologische of geologische wetenswaardigheden is, maar rijke openbaring van God wil zijn. Die toen Hij schiep, wist wat Hij wilde en alles goed heeft geschapen, d.i. gericht op Zijn Koninkrijk". Even verder: „Wij mogen zo de wetenschap haar onderzoek laten, wel haar vragen zich aan haar grenzen te houden en zelf dankbaar beseffen, dat wat zij ook vinden, zij nooit het diepste geheim van God uit zichzelf zal kunnen verstaan, maar alleen door het levend geloof". Weer even verder:
„Want Genesis 1 biedt ons heel wat anders dan wetenschappelijke nauwkeurigheden : een rijke openbaring van de scheppende God ... ." „Zo blijft de schepping in dienst staan van de redding en van het heil".
In dit woord van ds. Boer, waarmee ik het overigens volkomen eens ben, wordt met zovele woorden gezegd, dat Genesis geen (wetenschappelijk) relaas wil bieden over het ontstaan der dingen. Hij geeft de wetenschap vrij baan, mits de wetenschap wetenschappelijk blijft en niet ontaardt in een semi-religie. Maar deze uitspraak heeft geweldige gevolgen Want als de wetenschap wetenschappelijk onderzoekt, zeer exact, dan komt ze tot resultaten, die, wat de feitelijke gegevens betreft, in strijd zijn met Genesis 1. Dit kan niet worden ontkend. Maar dan ligt in de visie van ds. Boer ook onmiddellijk opgesloten, dat dit niet schokkend is, omdat Genesis 1 ons geen wetenschappelijke gegevens verstrekt, maar ons de scheppende God openbaart, die in zijn scheppen zich reeds richt naar zijn verlossend handelen in Christus. Daarom zegt ds. Boer: „Genesis 1 en Genesis 3, maar ook Mattheüs 1 en Lukas 2 behoren bij elkaar" Ds. Boer zou dit niet gezegd hebben, als hij niet kennisgenomen had van de nieuwere theologie. Vooral zijn nauwe verbinding tussen het scheppingshandelen en heilshandelen van God verraadt de invloed van Barth. Dit neem ik hem helemaal niet kwalijk. Dit juich ik zelfs toe. Alleen moeten wij dan toch ook erkennen, dat deze theologie, ons toch niet alleen nadeel, maar ook verrijking heeft gebracht.
Daarbij komt, dat ds. Boer hier een grondlijn tekent, die wacht om verder te worden doorgetrokken. Want wie zegt, dat Genesis 1 geen wetenschappelijke gegevens verstrekt, terwijl er toch zeer exacte gegevens in worden genoemd, moet dan erkennen, dat deze schriftgegevens afhankelijk zijn van menselijke beperktheid. Het scheppingsgeloof is in Gen. 1 voluit belden. Het exacte relaas van 't ontstaan der dingen is onderhevig aan het beperkte inzicht van de bijbelschrijver. Dit is dacht ik een legitieme conclusie uit wat ds. Boer schrijft.
Vandaar dat anderen die conclusie ook trekken. Zo schrijft drs. S. Meijers in het laatste jaarboekje van „Voetius" (instemmend G. von Rad citerend): „dat de vorm van de openbaring nooit kan worden losgemaakt van de geschiedenis Gods met Zijn volk, met het doorgeven van het Woord in deze situatie, deze cultuurperiode, door deze mensen". Het historische behoort tot het wezen van de openbaring. Daarom is het de tragiek van de gereformeerde theologie, dat men de Schriftkritiek te weinig serieus heeft genomen. En Meijers laat ons zien, dat deze starre positie juist niet die van de Reformatie is geweest. „Het begrip inspirare bij Calvijn sluit juist op een ongedwongen wijze het menselijke in". Hij denkt dan ook in dezelfde lijn als ds. Boer, als hij in „Theologia Reformata" (maart 1960, blz. 45) dit schrijft: „Voor ons moet gesteld, dat de gedachte, dat niets in de H. Schrift zelfstandige waarde heeft en alles moet gezien in zijn betrokkenheid op het centrum, centraal reforma torisch moet heten. De Schrift is geen geschiedenisboek, maar heilsgeschiedenisboek". „Het gevaar dreigt steeds dat wij, schijnbaar op de gereformeerde lijn, Schriftgegevens gaan isoleren en hun een zelfstandig leven gaan gunnen buiten het kerugma om en zo de eenheid der Schrift niet realiseren".
In deze lijn heeft Prof. Jonker systematisch verder gedacht en komt dan (in zijn „Actuele prediking", blz. 52 v.) tot een polaire verhouding tussen Woord Gods en Heilige Schrift. „De een mag nooit van de ander gescheiden worden, maar ook niet met de ander vereenzelvigd worden". „Het Woord Gods is meer dan de Heilige Schrift. Wij kunnen wel zeggen: de Heilige Schrift is Gods Woord, wij kunnen niet zeggen: het Woord Gods is de Schrift". Een van de redenen, waarom Prof. Jonker tot deze onderscheiding komt, is, „omdat de Bijbel in de tijd ontstaan, terwijl het Woord van eeuwigheid is" (blz. 54). In de Bijbel komt het Woord in de bonte menigte van de samenleving der oudheid aan het woord".
Ik zie deze drie uitspraken (van ds. Boer, ds. Meijers en prof. Jonker) in elkaars verlengde liggen. Dat wil niet zeggen, dat ds. Boer de uitspraken van b.v. Prof. Jonker zal onderschrijven. Maar wel zal hij moeten erkennen, dat zijn uitspraken een op zichzelf legitieme poging is om de grondstelling van hemzelf uit te werken.
En dan blijkt het, dat wij onder invloed van de nieuwere theologie toch in feite dichter tot de Reformatorische theologie genaderd zijn dan de na-reformatorische orthodoxie met haar statische Schriftbeschouwing.
Hiermee heb ik in feite ook een antwoord gegeven op de vraag, hoe ik zelf hier tegenover sta. Als coll. Van Sliedregt vraagt: vindt u dit niet verontrustend? Dan antwoord ik: het maakt de zaak wel onrustig. Wij kunnen n.l. niet meer rustig voortvaren op het (lekke) schip van de geijkte orthodoxe Schriftbeschouwing. Dat kan niemand meer. Als hij meent, dat hij het wel kan, dan ontwijkt hij de vragen. En dat zal zich geducht wreken. Daarom is die onrust nodig. En ik hoop, dat zij heilzaam is, hoewel ik ook besef, dat er grote gevaren zijn.
Maar zoals het nu en tot nu toe onder ons toegaat, n.l. in de bezinning over de Schrift, meen ik, dat de onrust meer betreft de Schriftbeschouwing dan het Schriftgeloof. In wat ik lees van de drie genoemde schrijvers, ontdek ik een diep Schriftgeloof. Dat is blijkbaar onaangetast. Ja meer. Ik zeg dacht ik niet teveel als zij juist door deze bezinning in hun Schriftgeloof zijn verdiept. Want wie de Schrift leert lezen en verstaan als het boek van Gods geschiedenis met de mens, die gaat zich steeds dieper verwonderen over de onuitputtelijke rijkdom van Zijn openbaring. Dus laten wij niet te gauw in negatieve zin verontrust zijn. Laten wij alleen in het rusteloos zich bezighouden met de Heilige Schrift elkaar vasthouden en elkaar binnen de ruime gereformeerde traditie de ruime geven.
C. Graafland.
Hetgeen collega Graafland schrijft over de verschuiving in de Schriftbeschouwing noopt mij het volgende op te merken:
1. Hij tracht eerst te bewijzen dat deze verschuiving in haar algemeenheid inderdaad onder ons is aan te tonen. Daartoe beroept hij zich op drie getuigen: ds. Boer, drs. Meijers en prof. Jonker.
Ik kan niet anders zien dan dat hij in dit pogen bijzonder slecht geslaagd is. Ik ga vanzelf geen uitleg geven van de uitingen der drie bovengenoemden. Zij staan voor hun eigen woorden. Maar ik heb me wel afgevraagd, of hier niet sprake is van een „hineininterpretieren" van eigen visies in andermans schrijven? Is hier niet sprake van andermans uitingen aan eigen visie onderwerpen, dan er logische consequenties uit trekken, om die dan vervolgens aan die ander voor te houden, alsof laatste ze zich nog niet bewust was geworden?
Heeft collega Graafland er geen erg in, dat hij — blijkbaar door een bepaalde visie geobsedeerd — alles leest door de gekleurde bril van die visie en zo anderen eigenlijk zijn eigen gedachten doet weergeven? Kwamen we echter dat „hineininterpretieren" niet al eerder tegen in het hanteren van bepaalde teksten? Wanneer we zo door een bepaalde visie bezeten zijn, dreigen we in een éénrichtingsverkeer te verzanden.
Wat is het toch jammer, dat collega Graafland — in plaats van zijn boekje uit te geven — al deze dingen niet eerst opgezameld heeft om ze in besloten kring te bespreken. Mogelijk dat dan allen er winst mee hadden gedaan, ook hij. Gaat hij nu niet doorslaan? Dat brengt geen winst in deze kritieke tijd, waarin we tesamen biddend in het geloof moesten staan in hetzelfde gevoelen, der Waarheid getuigenis gevende in het eenvoudig kinderlijk geloof der Schriften, het onfeilbare Woord van God.
Collega Graafland meent dat de verschuiving in de Schriftbeschouwing, zoals hij die ziet, onder ons algemeen is. En dat wie niet daarin meegaat voortvaart op het (lekke) schip van de geijkte orthodoxe Schriftbeschouwing. Ik meen toch te weten, dat velen — ook onder de jongeren — zijn visie op de H. Schrift onmogelijk kunnen delen, omdat ze in strijd is met hun Schriftgeloof.
2. Is zijn openbaringsbegrip aansluitend op het geloofsgetuigenis der Kerk Gods in haar belijdenis (N.G.B. art. 3-7)? — Als hij schrijft: „Want wie zegt dat Gen. 1 geen wetenschappelijke gegevens verstrekt, terwijl er toch zeer exacte gegevens in worden genoemd, moet dan erkennen, dat deze Schriftgegevens afhankelijk zijn van menselijke beperktheid. Het scheppingsgeloof is in Gen. 1 voluit beleden. Het exacte relaas van het ontstaan der dingen is onderhevig aan het beperkte inzicht van de bijbelschrijver", kan ik niet anders dan het tegendeel constateren.
Het cultuurpatroon, de historische omstandigheden, de personen van de bijbelschrijvers in hun beperktheid worden onttrokken aan de heilige inspirerende werking van de Heilige Geest, de Auteur der Schriften. De cultuurhistorische vormgeving van het Woord door de Heilige Geest wordt in mindering gebracht op de wezenlijke boodschap. Zij doorlicht wel die boodschap, maar behoort er niet wezenlijk bij.
Ik kan niet anders zien dan dat hier wordt losgelaten het openbaringsbesef van de confessie, dat n.l. de Heilige Geest gebruik makend van menselijke woorden, cultuurvormen enz., blijvende openbaring geschonken heeft, waarbij vorm van inhoud niet kan worden gescheiden. Beiden vormen een eenheid en als zodanig komen ze als het Woord Gods tot ons en vragen kinderlijk geloof.
Collega Graafland vertolkt hier toch wel een ander openbaringsbesef. Hij moet noodzakelijk komen tot tijdgebondenheid van de Bijbel, enz. Ik kan niet anders zien dan dat hier een breuk dreigt met de belijdenis der Kerk, welke ook bittere gevolgen zal hebben.
3. We wezen er daarstraks op, dat ik meen namens velen te spreken, als ik zeg dat de Schriftbeschouwing van collega Graafland door ons niet kan worden aanvaard, omdat ze in strijd is met het reformatorisch Schriftgeloof, dat de H. Schrift geheel — vorm en inhoud, gestalte en wezen in éénheid onlosmakelijk verbonden met elkaar en niet te scheiden — in kinderlijk geloof erkende en kende als de Openbaring Gods, — welk geloof ook ons geloof is.
Het intellectualisme heeft de kerk in de na-reformatorische orthodoxie parten gespeeld. Dat wil ik collega Graafland graag toegeven, maar m.i. speelt datzelfde intellectualisme heden degenen, die „in het kader van Gen. 1 ruimte willen laten voor de wetenschap", nog parten. Als collega Graafland schrijft: “want wie zegt, dat Gen. 1 geen wetenschappelijke gegevens verstrekt, terwijl er toch zeer exacte gegevens in worden genoemd, moet dan erkennen, dat deze Schriftgegevens afhankelijk zijn van menselijke beperktheid", is hij m.i. slachtoffer van dit intellectualisme. Hij stelt hier toch immers de gegevens van Gen. 1 op gelijk vlak met de exacte gegevens der wetenschap. Daarom moet hij immers komen tot zijn gedachte, dat „het exacte relaas van het ontstaan der dingen onderhevig is aan het beperkte inzicht van de bijbelschrijver".
Dat is het nu juist, waaruit we de dienstbaarheid aan het intellectualisme constateren, en waarbij dan vanzelf aan de moderne wetenschap groter exacte kennis wordt toegeschreven. Maar het Schriftgeloof van Gods Kerk is toch anders. Het vindt in Gen. 1 (om daarbij nu maar te blijven, want het volgende geldt natuurlijk voor de hele Schrift) niet een verouderd wereldbeeld, beperkt inzicht en foutieve voorstelling van de bijbelschrijver, maar, openbaring Gods, en dus openbaringsfeiten. Doch deze zijn van andere, hogere, d.i. goddelijke orde. Zij kunnen met de feiten der wetenschap niet vergeleken worden en concurreren nooit met hen, daar ze boven de laatsten in absolute zin uitgaan, wijl ze goddelijk zijn. De wetenschap vermag ze niet te peilen, slechts het geloof geniet dit voorrecht, hoewel ze ook het verlicht verstand nog ver te boven gaan. Daarom geldt ook hier het woord: Indien gij niet wordt als een kindeke Het meest kinderlijk gemoed ontvangt het diepst kennis van deze openbaring. Zo wordt de Kerk in het geloof afgestemd op de Zich openbarende God en Zijn openbaring. Dat is de golflengte van de Heilige Geest. Daarbij komt de Kerk niet als de geleerde tot de Schriften, maar als een kind. „God is de God van de kinderen en niet in de eerste plaats van de geleerden", schrijft ds. Boer terecht.
Daarom gaat enerzijds de openbaring de wetenschap goddelijk te boven als zijnde van andere orde, doch anderzijds buigt zij zich neer tot ver beneden alle wetenschap om menselijk met de mens, kinderlijk met de kinderen te spreken, d.w.z.: de Heilige Geest hanteert door middel van de bijbelschrijver als Zijn orgaan niet een wetenschappelijk wereldbeeld, maar het wereldbeeld van de man van de straat, of van de „aanschouwing, zoals gij en ik dit dagelijks waarnemen, en ook de geleerde zelf het hanteert in zijn gesprek met zijn vrouw en kinderen in de huiskamer". (Boer).
Wil dat nu zeggen dat de wetenschap en haar onderzoek geschuwd worden en dat we met huiver kennis nemen van haar resultaten?
Ik ontken niet dat het zo wel vaak geweest is en nog is, en dat hier angstige spanningen kunnen opkomen in menige studerende van christelijke huize, ja dat de kerk hiertoe zelf vaak aanleiding gegeven heeft door met de Bijbel in de mond een intellectualistisch-negatieve houding tegenover de wetenschap en haar resultaten aan te nemen, maar dat was en is enkel te wijten aan een niet onderkennen van de stakkerigheid van de uitdaging der wetenschap aan het adres van de Bijbel en aan het gebrek aan inzicht in het goddelijk karakter van de openbaring. Immers de wetenschap als wetenschap kan de Schriftgegevens niet toetsen, wijl ze ten enenmale het orgaan daartoe mist, n.l. het geloof. En wie zou onze hoge God, Die wist wat Hij deed en openbaarde, steekhoudend kunnen bekritiseren !
Het kinderlijk geloof schuwt daarom de wetenschap, haar onderzoek en resultaten niet, wijl ze niets anders kunnen dan meer stof geven tot grootmaking van onze eeuwige God en Schepper en bewondering Zijner werken. Wel stelt het geloof onophoudelijk aan de wetenschap de eis, dat zij zich aan haar grenzen houdt, en haar hypothesen niet als onomstotelijke waarheden stelt.
Zijn er nu geen problemen meer? — Verre van daar ! Er zal steeds veel blijven en komen, waarvoor geen oplossing gegeven kan worden. Dat hoeft ook niet. Het moet ons juist ootmoedig en klein maken, en vatbaar voor het wonderlijk uitzicht dat veel wat nu onopgelost blijft, eenmaal — als het dienstbaar is tot Gods eer en onze zaligheid — in schoonste harmonie voor ons stralen zal. Dan zal lichten over de verloste mensheid in volmaakte glorie de waarheid der werkelijkheid, die God in Gen. 1 van vers tot vers geopenbaard heeft. Hij wist wat Hij wilde en wat Hij openbaarde en liet vastleggen in het geschreven Woord voor Zijn Kerk.
Dat daarbij de kerk zich in onze dag meer en meer bewust wordt dat de hele Schriftopenbaring vanuit haar centrum (Jezus Christus) verstaan moet worden, en niet atomistisch mag worden gehanteerd, is een winstpunt voor de kerk in haar confrontatie met de wereld van vandaag. In dat opzicht staan we heden ongetwijfeld dichter bij de reformatie dan de na-reformatorische scholastieke orthodoxie met haar starre atomistische Bijbelbeschouwing (ieder woord, los van het centrum, op zichzelf van gelijke waarde als het centrale van de openbaring).
Maar — nog eens — vorm en gestalte (onder) scheiden van het wezenlijke der boodschap, en daarmee gepaard gaande overwoekering door de tweede oorzaken (bijbelschrijvers enz.) van de eerste Auteur, de Heilige Geest, Die ook de eerste auteursrechten heeft, is een offer brengen aan het westers intellectualisme, dat door het theologiseren telkens weer heenspeelt.
Als de verschuiving slechts daarin mocht bestaan, dat de hele Schriftopenbaring thans beter vanuit het centrum in het geloof verstaan wordt, het ware rijke winst. En zeker is dat niet zonder beïnvloeding van de bezinning der nieuwere theologie te denken. Als we van Barth niets geleerd hebben zijn we niet te prijzen. Zo denk ik er persoonlijk over.
Maar collega Graafland ontkomt er m.i. niet aan met de moderne theologie de Schriftopenbaring zelf aan te tasten. Daartegen gaat mijn protest. Want dat kan ik niet anders zien dan als een heilloze weg. Op deze weg is geen stilstand. Thans houdt de critiek nog halt bij de heilsfeiten (bij de rechtzinnigen dan). Maar wat zal straks weerhouden om verder te gaan? Men moet van Bultmann werkelijk eens kennisgenomen hebben om te beseffen, dat dit een legitieme vraag is. Ja, wat zal straks weerhouden? Niet het openbaringsgeloof. O zeker, het Woord kan ondanks alles Zijn overmacht bewijzen in het vasthouden. Maar het verzwakken van het Schriftgeloof op het erf der kerk zal gestraft worden in de geslachten. — Wee degene die op zijn geloof vertrouwt! Laatst zei iemand tegen mij bij een gesprek over Gen. 1—3 (waarbij deze persoon sprak in de geest van collega Graafland), toen ik hem vroeg over Gen. 3: Neen, de zondeval van het eerste mensenpaar blijven we natuurlijk geloven. — Ja, waarom?, zo vraag ik. Waarom zou dat niet behoren tot de beperktheid van het levenspatroon der bijbelschrijvers? En Paulus heeft zich in de Romeinenbrief daarbij eenvoudig aangesloten: tijdgebondenheid! Het zal bekend zijn met welke „feiten" de wetenschap ook in dit opzicht komt aandragen. — We begrijpen volkomen, dat een dergelijke openbaringsbegrip, ook al komt het nog niet tot deze consequenties, toch geen principiële motieven meer kan vinden tot afwijzing van de vrouw in het ambt.
Daarom, wie — zich bewegend op dit vlak — op zijn (rechtzinnig) geloof vertrouwt, zal blijken te steunen op een rietstaf, die de hand doorboort.
4. Als collega Graafland meent dat zijn Schriftbeschouwing, zoals die in zijn schrijven naar voren komt, het Schriftgeloof onaangetast laat, dan vraag ik me af of hier onze wegen toch niet scheiden. Dan heb ik een ander Schriftgeloof dan collega Graafland. Ik kan het niet anders zien. We zullen steeds meer bemerken op verschillend spoor te rijden. Ze zijn zelfs niet evenwijdig te houden, maar zullen langzaam maar zeker steeds meer uit elkaar lopen.
Dat benauwt me, meer dan ik zeggen kan. Om Gods Kerk, om onze kinderen, om de verwarring die gesticht wordt, terwijl de onkunde hand over hand toeneemt, om ons als ambtsbroeders.
Déze onrust verontrust mij, wijl we graag rusteloos bezig blijven elkaar vast te houden. Maar het moet kunnen. Om mijner broederen en mijner vrienden spreek ik nu: Bid om de vrede van Jeruzalem.
v. Sliedregt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's