UIT DE PERS
Theologische opleiding in Z.O. Azië. In maart 1965 werd in Shatin, Hong Kong een conferentie gehouden betreffende de vragen rondom de theologische opleiding en het predikantschap in Z.O. Azië. Afgevaardigden van theologische instituten, van de jonge kerken in Azië en van de zendingsinstanties namen aan dit overleg deel. In het september/oktober nummer van „De Heerbaan" geeft dr. I. H. Enklaar een verslag van deze conferentie. Hij wijst erop hoe ook in Azië een proces op gang is gekomen van herbezinning op en herwaardering van de taak van predikant en gemeentelid in deze tijd, in de veranderende wereldsamenleving. De kerken leven in Azië in een maatschappij die t.g.v. de historische gebeurtenissen een verbijsterende ontwikkeling heeft doorgemaakt. Te noemen zijn als bepalende factoren: Het modern politiek zelfbewustzijn, de nationale opbouw, de technische revolutie. De gemeente weet veelal niet hoe zij met dit alles aan moet. „De christelijke gemeente is nog maar al te zeer een gesloten, statische, naar binnen gerichte gemeenschap, met veel meer aandacht voor haar eigen leven dan voor haar zendingsopdracht, met veel gepraat over haar privé-belangen, maar met een mond vol tanden als zij staat tegenover de nood van de mens buiten de kerk". Al te veel kijkt men alleen naar de beroepsdienst van de geordende predikant. Maar het komt niet tot werkelijke toerusting, opdat de gemeente haar plaats en taak in de wereld zal waarnemen. Vandaar dat op deze conferentie uitvoerig gesproken is over de functie van het predikambt en de taakuitbreiding. Over het werk buiten de gevestigde gemeenten, op de nieuwe fronten van de Aziatische samenleving. De situatie is niet uitgesloten dat wie zich hieraan gaat wijden, aan dit meer evangelisatorisch gerichte werk door de omstandigheden, waarin hij verkeert gedwongen wordt zijn levensonderhoud te verdienen in een seculiere betrekking. Met een zinspeling op het beroep van de apostel Paulus spreekt Enklaar van „tentmakers-ambt". Voorts is er gesproken over teamwerk in de geurbaniseerde industriecentra. Wat betekent dit alles nu voor de predikantsopleiding? In dit verband schrijft Enklaar onder meer:
Het was de stellige overtuiging van de conferentie, dat juist de theologische school geroepen is aan de vernieuwing van de kerk te werken, zodat deze haar apostolaire roeping weer gaat waar maken; en dat het daarom een zaak van grote urgentie is, dat de theologische instituten zelf zich op hun taak en functie radicaal gaan herbezinnen, daar zij immers evenzeer zijn bevangen in de overgeërfde, inadequate structuren van het kerkelijk leven en denken. Deze herbezinning ten aanzien van de theologische opleiding zal moeten geschieden langs de volgende lijnen:
1. De theologische school is niet alleen geroepen om herders en leraars voor de gemeente op te lei dei), maar ook tot de opleiding van mannen en vrouwen, die dé leden der gemeente kunnen toerusten en vormen voor hun missionaire taak van Godswege in de multidimensionele maatschappij van het Azië van heden.
2. De theologische school moet eveneens de opleiding verzorgen van hen, die in naam van Christus pioniersarbeid van dienst en getuigenis gaan verrichten in de nieuwe, nog onbewerkte velden der samenleving, en hen er op voorbereiden dat dit misschien alleen gebeuren kan, indien zij zelf de kost verdienen.
3. De theologische school moet zo nauw met de kerk verbonden zijn, dat de gehele christelijke gemeenschap bereid is haar missionaire opdracht opnieuw te aanvaarden, ook in deze zin dat zij haar dienst aan de wereld ook wil gaan vervullen door het aanvaarden en inzetten van een aantal predikanten, theologisch gevormd en praktisch getraind, voor bijzondere apostolaire en pastorale arbeid buiten de engere kring der gemeente. Deze aandacht voor nieuwe vormen wil niet zeggen dat men de gewone opleiding terzijde schuift. Het gaat erom dat het onderwijs sterker getrokken wordt in de richting van de apostolaire roeping der gemeente en de problematiek van de wereld waarin deze moet worden gerealiseerd. De academische opleiding mag niet plaats vinden in de beruchte „ivoren toren". Deze korte weergave van een gedeelte van dit artikel laat ons zien dat op deze conferentie vragen naar voren kwamen die ook in ons land telkens weer besproken worden: de verhouding van gemeente en wereld. Deze zaak heeft uiteraard meer facetten, dan de kwestie van de opleiding. Het zal ook voor ons dienstig zijn, dat we ons — vanuit de Schrift — op deze vragen bezinnen. Maar al te dikwijls wordt op dit terrein gesproken vanuit allerlei „slogans", b.v. de kerk is er voor de wereld, die dan door de ene groep gretig aanvaard en door de andere fel verworpen worden. Dan verzandt de discussie en blijft het gesprek onvruchtbaar. Of we doen er uit reactie tegen allerlei overspannen apostolaatstheologieën het zwijgen toe. Echter juist de bijbels-theologische bezinning kan ons hier verder helpen, en onze ogen openen voor facetten die ook onder ons wel eens verwaarloosd worden. Wanneer het spreken over het dienstbetoon op ons wel eens een vermoeiende en krenterige indruk maakt en we daar terecht huiverig voor zijn, zullen we anderzijds toch niet in deze negatieve kritiek mogen blijven steken. De toerusting tot dienstbetoon komt in Efeze 4 met zoveel woorden ter sprake. Dat zullen we, willen we gehoorzaam zijn aan de Schrift, niet stilzwijgend mogen voorbijzien.
Kerkbouw en diaconaat.
Dat deze zaken elkaar raken laai dr. J. C. van Dongen zien in een artikel in „Woord en Dienst", (van 6 nov. j.l.) getiteld: Kerken bouwen zonder barrières. Dr. v. Dongen, een specialist op het gebied van diaconale zaken — hij promoveerde o.a. op een onderwerp met betrekking tot het diaconaat — houdt zich vooral bezig met het pastoraat en het diaconaat aan de lichamelijk gehandicapte mens. In het hierboven genoemde artikel stelt hij ons voor de vraag of wij bij de plannen tot kerkbouw met deze groep mensen überhaupt wel rekening houden. Opdat er geen onnodige barrières opgericht worden, waardoor de kerkruimte als zodanig ontoegankelijk wordt voor gehandicapten (bij deze barrières valt te denken aan monumentale trappen, scherpe hoeken, drempels etc.) We citeren uit dit zeer lezenswaardige artikel dat ons met de neus op enkele feiten drukt, die we wel eens dreigen te vergeten het volgende:
Intussen groeit het inzicht in de samenleving, dat de lichamelijk gehandicapte een volwaardig lid is. Hij begint deel te nemen aan behandelings- en scholingsprocessen in een mobiel geworden maatschappij. Revalidatie is een kleurengamma. Medische zorg, technische voorzieningen, onderwijs, herscholing, huisvesting, arbeidsinzet, maatschappelijk werk, culturele en recreatieve activiteiten vullen elkaar aan. Wanneer wij ons beperken tot de bouwsector, dan moeten wij verstaan, dat het probleem niet uit de wereld is geholpen door het bouwen van aangepaste woningen, pensiontehuizen en inrichtingen. Daarmee wordt immers een nieuw isolement geschapen. Er wordt krachtig gepleit voor een ruimtelijke ordening en een huisvestingsbeleid, waarbij de gehandicapte die bewegingsvrijheid geniet die hem een echt sociaal functioneren mogelijk maakt. Het gaat niet meer om die éne inrichting of die éne aangepaste woning, maar om een stadsplanning, die rekent met een toenemend aantal gehandicapten en bejaarden, die mét de anderen kunnen wonen, werken, spelen, leven. Ruimtelijke ordening moet mede gericht zijn op de gehandicapte mens. En het is juist hier, dat de kerk samen met andere publieke lichamen voorbeeldig kan zijn. Een stadswijk, waar de telefooncel, het postkantoor, de schouwburg, het restaurant, maar waar vooral ook de kerk met haar centra van ontmoeting toegankelijk zijn. Waar ook in een dienstgebouw of bureau de gehandicapte actief bezig kan zijn, als telefonist, typist, vrijwillige medewerker, zo goed als ieder ander.
Hier wil het rapport „Voorzieningen openbare gebouwen lichamelijk gehandicapten" dienstbaar zijn, om de kerk voor alle categorieën toegankelijk en leefbaar te maken. Het komt voor een belangrijk deel aan op eenvoudige dingen: liever geen, maar desnoods een oprit, geen stoepen en drempels, stroeve en effen vloeren, een leuning, een ruime deur, goede ruimte voor rolwagens liever tussen de stoelen dan tussen de banken. De totale bouw en inrichting méé bepaald door het gezichtspunt, dat de gehandicapte onopvallend, tussen andere kerkgangers zijn plaats kan vinden. Een merkwaardige ontdekking doen wij wanneer aan dit aspect aandacht wordt gegeven. Namelijk, dat de kerk voor allen toegankelijker wordt, zeker ook voor de steeds groeiende groep van lijders aan onzichtbare handicaps, zoals vele bejaarden en hartpatiënten. Ook in de kerkbouw zullen we ervoor moeten waken, dat we door de wijze van bouwen de gehandicapten naar buiten werken. De kerk dient ook als gebouw een huis te zijn waar de gehandicapten een plaats hebben.
Prof. Miskotte over de kerkhervorming.
Ofschoon het ver na de 31ste oktober onder uw aandacht komt en daardoor voor uw gevoel mogelijk als mosterd na de maaltijd, kan ik toch niet de verleiding weerstaan een stuk over te nemen uit een prachtig artikel van prof. dr. K. H. Miskotte, getiteld Hervormingsdag en gepubliceerd in „In de Waagschaal" van 30 oktober. Het eigenlijke, waar het in de kerkhervorming om ging, laat zich niet integreren in de leer-, rechts- en gezagsvormen van de Romana, n.l. de prediking dat God goddelozen rechtvaardigt, dat wil zeggen vrijspreekt, terwijl ze nog vijanden zijn, aldus Miskotte. Hij schrijft dan:
Dit Evangelie komt op het Concilie niet aan de orde, omdat het niet aan de orde gesteld is; omdat het na Trente ook niet meer aan de orde gesteld kan worden. Wel weten we dat er ook in de Romana zwaar gedacht wordt over dit punt, dit éne, juist in de laatste decenniën. Wie denkt niet aan het betoog van Küng, een moderne Contarini, over Barths rechtvaardigingsleer en zijn these, dat deze in de grond dezelfde is als die van de vaders van Trente. Ons blad is nu eenmaal geen theologisch tijdschrift; een verhandeling daarover zou velen afschrikken en weinigen helpen. We hebben die nu ook niet nodig; als wij Hervormingsdag vieren komt het geluid van die proclamatie (waar de leer slechts omhéén kan praten) ons onmiddellijk in de zin. Op hetzelfde ogenblik worden we bedroefd over het ontbreken van dit éne, dit übergelegene Godsoordeel, in de prediking van uitgestrekte streken der christenheid. We weten wel, dat de mens van nature aan vrije genade geen behoefte heeft en dat de religieuze mens er zelfs niets van weten wil, maar we weten ook dat overal in de wereld een arm en ellendig volk er naar hunkert, die zekerheid te ontvangen en naar niets vraagt in hemel en op aarde dan naar dit éne; des te erger als het dan niet te horen is, niet te ontvangen. Wij hebben vrachten eeuwenoude klachten en moderne verwijten aan de Romana, maar ze worden alle geabsorbeerd door die éne: waar is het Evangelie vrij, onverkort, onversneden? dat Woord van God, waarop wij antwoorden kunnen (met het einde van de gereformeerde Avondmaalsliturgie): „Indien wij met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, toen wij nog. vijanden waren, veel meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, nadat wij met Hem verzoend zijn. Daarom zal mijn mond en hart des Heeren lof verkondigen van nu aan tot in eeuwigheid". In zulk een dank wortelt de vrijheid en de binding van de christenmens. Hier is ook de bronwel van de ware heiliging.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's