DISCUSSIE
van dr. Graafland en ds. Van Sliedregt VII
Door coll. Van Sliedregt is mij gevraagd aan te tonen, dat er verschuivingen onder ons zijn t.o.v. de schriftbeschouwing. Ik heb drie citaten gegeven van drie verschillende theologen. Jammer is, dat coll. Van Sliedregt niet de moeite neemt hierop werkelijk in te gaan, maar zonder enig argument mij beschuldigt van inlegkunde. Blijkbaar omdat ik, naar zijn mening, bezeten ben met een ketterse schriftbeschouwing.
Coll. Van Sliedregt zegt, dat bij het ontstaan van de Bijbel de Heilige Geest gebruik gemaakt heeft van menselijke woorden, cultuurvormen, enz. Als ik hetzelfde zeg, en dan erop wijs, dat dit ook beperkte cultuurvormen zijn, dan wordt dit als dwaling afgewezen. Maar wil coll. Van Sliedregt dan wel eerlijk onder ogen zien, wat de consequenties van zijn opvattingen zijn? Onder cultuurvormen hoort immers ook de wetenschap. Als de Heilige Geest deze gebruikt heeft, dan moet daaruit de conclusie worden getrokken, dat deze wetenschap toen beperkt was, zoals ze dat ook nu nog is.
Coll. Van Sliedregt zegt nu óók, dat het intellectualisme de kerk in de na-reformatorische orthodoxie parten heeft gespeeld. Daar ben ik blij om. Toen ik dit al eerder opmerkte, o.a. in mijn boekje, was dit kwaad in veler ogen. Coll. Van Sliedregt acht de beïnvloeding van de bezinning der nieuwere theologie, o.a. t.a.v. Genesis 1, o.a. rijke winst. „Als we van Barth niets geleerd hebben zijn we niet te prijzen". Deze opmerking heb ik elders in diezelfde geest gelezen, alleen werd het de schrijver toen kwalijk genomen. Coll. Van Sliedregt blijkt wat dubbelzinnig, althans tegenstrijdig te redeneren. Dat doet hij ook, als hij de Reformatie voor zijn wagen spant. Weet coll. Van Sliedregt niet, dat juist Luther en Calvijn ook wisten van de beperktheid van de bijbelschrijver, die zich volgens Calvijn kon vergissen, en die volgens Luther (denk aan de brief van Jakobus) wel eens ernaast kon schieten. Blijkbaar heeft deze erkenning van de beperktheid van de bijbelschrijvers niets te kort gedaan aan hun schriftgeloof en aan de belijdenis, dat de Bijbel Gods Woord is. Met de Hervormers wil ik belijden dat de Bijbel Gods Woord is. Maar dit noopt mij niet tot een onfeilbaarheidsbegrip te komen, zoals de gereformeerde orthodoxie leerde. De Bijbel is door de Geest van God geïnspireerd, maar dit is geen mechanische inspiratie geweest, maar gebruikmakend van cultuurvormen, enz.
Ik wil geen scheiding van vorm en inhoud, zoals coll. Van Sliedregt suggereert. Maar God heeft zich geopenbaard in Zijn Woord in een vorm, waarin God gebruik gemaakt heeft van beperkte middelen. Coll. Van Sliedregt vraagt: Zijn er nu geen problemen meer? Antwoord: verre van daar. Even terug zegt hij, dat er angstige spanningen opkomen in menig studerende van christelijke huize. Inderdaad. Maar is het dan niet hoog tijd, dat met deze studerenden eerlijk wordt gesproken en niet over hun vragen wordt heen gepraat?
Ook ik weet, dat hier grote gevaren zijn. En het is een klein kunstje om door een z.g. consequente redenering iemand die met vragen hieromtrent ernstig bezig is te dringen in de vrijzinnige hoek van de Schriftkritiek, zo in de zin van: als je één stap doet, ben je al verloren. Coll. Van Sliedregt wil ook mij in die hoek dringen. Als hij daar lust toe heeft, dan doe hij dat. Maar hij moet niet menen, dat het angstige hart van die studerende rust vindt in de opgelegde onderkenning van de stakkerigheid van de uitdaging der wetenschap. Het is zo goedkoop om de wetenschap a priori als stakkerig te brandmerken om zo zijn eigen opvatting onbedreigd vast te houden. Trouwens de wetenschap kan met de Bijbel blijkbaar helemaal niets doen, volgens coll. Van Sliedregt. Zij mist nl. het geloof. Maar als de wetenschap dan zo'n ongelovige zaak is, hoe waardeert coll. Van Sliedregt dan zijn wetenschappelijke opleiding, en moet het kinderlijk geloof deze wetenschap dan niet schuwen, wat het toch weer niet moet doen volgens hem. Hoe zit dat dan? De wetenschap mist het geloof, en, zegt coll. Van Sliedregt even verder, zij kan toch stof geven tot grootmaking van onze eeuwige God en Schepper en bewondering zijner werken.
Dan weer verder: het geloof stelt de wetenschap de eis, dat zij zich aan haar grenzen houdt. Betekent dit, dat als er een schedel gevonden wordt, waarvan zuiver wetenschappelijk is uitgemaakt, dat dit een schedel is van een mens van enkele honderden eeuwen geleden, dat dit een grensoverschrijding is? Waar ligt dan de grens? Geeft de Bijbel dan toch wetenschappelijke gegevens, die als grens kunnen dienen? Ik zeg dit alles om aan te tonen, dat we niet klaar komen met over de moeilijkheden heen te praten.
Nog erger vind ik, dat als iemand deze moeilijkheden noemt en erop in tracht te gaan, deze dan daarom aan het kruis van de ketter wordt gespijkerd. Terwijl degene, die dit doet, zélf op tegenstrijdige wijze van de echte problemen zich afmaakt. Dat is het moeilijke in deze discussie.
In zijn „consequente" redenering heeft coll. Van Sliedregt ook al uitgemaakt, hoe ik over de vrouw in het ambt denk. Daar hoef ik zelf dus niet meer op in te gaan.
Hoewel door mij zelf begeerd, is deze discussie voor mij teleurstellend geweest. Niet omdat coll. Van Sliedregt meent mijn on-gereformeerdheid en crypto-vrijzinnigheid aangetoond te hebben. Ook niet, omdat hij als gelovige bezig is afscheid van mij te nemen, hoewel me dit wel pijn doet. Teleurstellend vind ik het, omdat het „in gesprek"-zijn blijkbaar onder ons onmogelijk is. Telkens heb ik coll. Van Sliedregt op ongeoorloofde consequenties of suggesties gewezen. Maar hij is voortgegaan om steeds maar weer zijn stempel op mij te drukken. Voor het oog van de gemeente zal hij er wel in geslaagd zijn mij als een gevaarlijk man te tekenen. Kritisch staan tegenover de na-reformatorische ontwikkeling in de gereformeerde theologie en zich confronteren met de hedendaagse vragen blijkt in onze kring een verboden zaak te zijn. Wie dat doet, hoort er niet meer bij. Althans, dit is voorlopig mijn ervaring.
C. Graafland
Het lijkt mij het beste om niet in te gaan op hetgeen in dit laatste artikel van collega Graafland mij persoonlijk wel moet raken. Dat heeft geen zin. Slechts wil ik verzekeren, dat ik allerminst voor ketterjacht in de wieg ben gelegd. Wat ik aan het eind van mijn vorig artikel schreef (Om mijner broederen en mijner vrienden spreek ik nu: Bid om de vrede van Jeruzalem), geldt ook collega Graafland.
Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven uit de grond van mijn hart, menende te zien de gevaren die dreigen. Als ik het nodig achtte het signaal op onveilig te zetten, dan kon ik daar niet om heen, maar moest ik het scherp stellen: niet om aan de wand te spietsen, maar uit liefde tot de zaak van het gereformeerd belijden, zoals ik dat heb leren verstaan. En mijn enig oogmerk was daarbij, dat het mogelijk tot bezinning zou brengen.
Graag wil ik nu nog enkele opmerkingen ter zake doen.
Als collega Graafland het over de menselijke cultuurvormen heeft, waarvan de Heilige Geest gebruik heeft gemaakt, dan meent hij bij mij dubbelzinnigheid te vinden, als ik enerzijds dat aanvaard en anderzijds toch zijn visie bekritiseer. Hij schrijft dan verder dat hij geen scheiding wil van vorm en inhoud, zoals ik zou suggereren. — Maar is dan hetgeen collega Graafland geschreven heeft (Het scheppingsgeloof is in Gen. 1 voluit beleden. Het exacte relaas van het ontstaan der dingen is onderhevig aan het beperkt inzicht van de bijbelschrijver) anders te verstaan? Voor mijn besef is hier wel degelijk sprake van een trachten om vorm en inhoud uit elkaar te halen. Is dat niet zo, dan moet collega Graafland deze uitspraak terugnemen.
Voor mijn besef speelt het intellectualisme inderdaad collega Graafland parten. Hij weet niet te onderscheiden en uit elkaar te houden het vlak, waarop de wetenschap zich beweegt (zich dient te bewegen), en het vlak, waarop het geloof ademt.
Het gaat mij er in 't geheel niet om een mechanische-inspiratietheorie te verdedigen, maar wel om volledig te honoreren N.G.B. art. 3: Daarna heeft God door een bijzondere zorg, die Hij voor ons en onze zaligheid draagt, Zijn knechten de profeten en apostelen geboden Zijn geopenbaard Woord bij schrift te stellen. —- Dat „geboden Zijn geopenbaard Woord bij schrift te stellen" dwingt niet tot het aanhangen van de een of andere theorie. Het is geloofsgetuigenis, en daarom absoluut te nemen. Maar daarom zijn dan ook de door mij gewraakte boven geciteerde woorden van collega Graafland er niet mee in overeenstemming te brengen.
Ik mis in deze uiteenzettingen van coll. Graafland het benaderen van de vragen rondom de inspiratie van de Heilige Schrift in het kinderlijk geloof, dat met Calvijn God de Heere in de Heilige Schrift als met hoorbare stem van de hemel hoort spreken. Ik meen niet, dat hij Calvijn daarom terecht te zijner verdediging aanhaalt. En wat Luther betreft, hij weet ook, dat deze later nog wel wat anders heeft gezegd. Natuurlijk hebben we van Barth ook wat geleerd. Dat doet zelfs een mens van zijn grootste tegenstander. Al was het alleen maar dat we door hem weer des te scherper naar Calvijn zijn gaan luisteren.
Als collega Graafland het over geloof en wetenschap heeft, is hij weer wat te gehaast met zijn pen. „De wetenschap mist het geloof", schrijft hij. — Wat bedoelt hij hiermee? Ik heb erop gewezen, dat de wetenschap als pure wetenschap nooit een oordeel over de openbaring zich kan en mag aanmeten, omdat alleen het geloof kan afgestemd zijn op de openbaring, en daarom ook alleen de Kerk in het geloof de eigen aard van de Heilige Schrift als Woord van God kennen kan. En dat de wetenschap zich aan haar grenzen heeft te houden, daarmee bedoel ik het volgende: zij constateert feiten; goed, dat moet ze doen; dat is haar recht. Zij stelt ook hypothesen op; maar hierbij stelt het geloof grenzen aan haar. En het geloof wijst aan de wetenschap de grens in de belijdenis dat God ook de God van ruimte, tijd en kracht is.
Collega Graafland meent, dat ik ongeoorloofde consequenties getrokken heb ten opzichte van hem en dat ik een stempel hem heb opgedrukt, dat niet bij hem past. Ik kan niet anders zien dan dat ik hem voor de legitieme consequenties van zijn beschouwingen gesteld heb (legitiem = wettig). Ik kon en mocht niet anders. Dat hij daarop reageert als in dit laatste artikel, daarin dient hij niet de Kerk des Heeren, dacht ik. Dat doet mij pijn. — Wat collega Graafland over de vrouw in het ambt schrijft is zeker aan te nemen als een bekentenis, dat wat ik schreef (in 't algemeen) op hem van toepassing is? Dat bevestigt dan te meer dat ik „kamp, niet als de lucht slaande".
V. Sliedregt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's