Het Woord des Heeren (1)
„Toen zeide Elisa: Hoort het woord des Heeren; zo zegt de Heere: Morgen, omtrent deze tijd zal een maat meelbloem verkocht worden voor een sikkel en twee maten gerst voor een sikkel in de poort van Samaria". 2 Koningen 7 vers 1.
Wilde Joram soms nog meer zeggen? Of is hij uitgesproken, met dat wanhopige: zie, dat kwaad is van de Heere, wat zou ik verder op de Heere wachten? Maar genoeg over de woorden der mensen, waarin wrevel, woede en wanhoop evenzoveel bewijzen zijn, dat de kennis Gods ontbreekt. Dat het licht van de Naam des Heeren geen schijnsel meer werpt, in voorspoed niet en in tegenspoed niet. De man Gods, Elisa, maakt die Naam weer bekend, roept hem uit, in deze benauwde omstandigheden, voor de oren van koning, hovelingen en volk.
Toen zeide Elisa. Hij verkeerde zo even in levensgevaar, de moordenaarszoon had hem de dood gezworen. Hij kruipt echter niet in zijn schulp, hij kent een veiliger schuilplaats: De naam des Heeren is een sterke toren! In die Naam treedt hij op, daarom welft de belofte Gods zich boven hem, zo hoog als de hemel: Alle instrument, dat tegen u bereid is, zal niet gelukken en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat zult gij verdoemen. Dit is de erve der knechten des Heeren en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere. Daarom mag Elisa, onbevreesd en met grote vrijmoedigheid antwoorden. De koning wankelt van de ene onzekerheid in de andere, maar Elisa kan hem daarin niet volgen. Integendeel: Staat vast en ziet het heil des Heeren.
Toen zeide Elisa. Vond u het ook niet wat eentonig worden: En hij — de koning — zeide? Tot driemaal toe nam Joram het woord. Zal Elisa hem punt voor punt weerleggen? Zal hij hem streng onderhouden over al die bitterheid en boosheid tegen de Heere? Niets daarvan, tenminste niet met zoveel woorden! Hij zal hem niet eens een antwoord waardig keuren, gekrenkt als hij is, door de moordaanslag, die tegen hem beraamd werd. Hoe menselijk zou dat zijn. Elisa kiest ook deze weg niet. Nu is het woord aan hem, nu zal hij de koning bedelven onder een stortvloed van verweer en verwijt. Hoe anders handelt de man Gods. Hij verdedigt zijn eigen zaak niet, hij neemt niet eens het woord, hij brengt het Woord des Heeren over. Het woord is aan de Heere. Eindelijk!
Hoort het Woord des Heeren. Dat is de kracht van de Godsman Elisa. Hij mag er nu aanspraak op maken, dat ieder luistert, de koning en de vorsten, en heel het volk van Samaria. Hoort, dat staat in het meervoud. Hoort, wat de Heere te zeggen heeft. Wij mensen praten daar zo vaak doorheen, wij praten ertegenin, wij praten het Woord des Heeren stuk. Wat ons voor alle dingen nodig is, is luisteren. Met verwondering, dat de Heere nog spreekt. Want Hij doet er het zwijgen niet toe. Hij zal Zijn Woord handhaven tegenover de woorden der mensen. Hij wordt niet van Zijn stuk gebracht, door wat Joram dénkt en spreekt. Hij neemt er kennis van, en dient hem van antwoord, dat wel. De machteloosheid van koning en volk trad duidelijk aan het licht. Gods Woord is geladen met macht. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Zijn Woord is nooit los van Zijn daad. Daarom is het te meer zaak om te horen.
Dat geldt even goed voor ons, die dit lezen, en plotseling worden opgeroepen: Hoort het Woord des Heeren. Hebben we daar de tijd nog voor en de stilte? Vragen wij niet al te vaak: Wat zou die ervan zeggen, en die, en wat denk ik er van? Zodoende blijven we binnen de beslotenheid van de woorden der mensen. Gods Woord breekt daar doorheen. Het eist gehoor. Zijn er gedachten, die daarmee niet stroken, dan moeten we die gevangennemen tot gehoorzaamheid. Echt horen is het aanbinden van de strijd tegen alles wat zich verzet en verheft, wat zich aan God niet gewonnen wil geven. Echt horen is de overgave: Spreek Heere, Uw knecht hoort. God heeft er recht op, en wij kunnen de kracht van Zijn Woord alleen in dit horen ervaren.
Zo zegt de Heere. Elisa is niet meer dan de bode, dan de mond des Heeren. Zijn eigen mening is de moeite van het vermelden niet waard, zijn eigen wijsheid is hier in het grensgebied van oor deel en dood immers dwaasheid. Wie zal hier het verlossende woord spreken? Dat is er altijd maar Eén: de Heere. Zo hebben Zijn dienaren iets te zeggen, iets doorslaggevends, zo alleen. En wat de Heere zegt, gaat aan al ons gebazel voorbij, het gaat daar ver bovenuit. Zo hoog de hemel is boven de aarde, zo hoog zijn Zijn Woorden, boven de onze. Wie aan het eind van zijn latijn is, wie er het zwijgen toe doen moet, die hore!
Morgen, omtrent deze tijd zal een maat meelbloem verkocht worden voor een sikkel en twee maten gerst voor een sikkel in de poort van Samaria. Horen we dat! Binnen vier en twintig uur zullen er levensmiddelen te koop zijn. Geen ezelskop, geen duivenmest, maar fijn meel, gries en gerst. Dat zal wel onbetaalbaar wezen. Nu, dat valt erg mee; de prijzen zijn geweldig gedaald, het is te betalen voor de uitgehongerde burgers van Samaria: Een maat meelbloem voor een sikkel en twee maten gerst voor een sikkel. Helemaal geen buitensporige bedragen. Het zal verkocht worden in de poort van Samaria. Aan de stadspoorten waren betrekkelijk ruime pleinen, die dikwijls als marktpleinen gebruikt werden. Vlak bij de poort van Samaria, wordt morgen korenmarkt gehouden, en ieder kan er terecht.
Wie kan zijn oren geloven, als de Heere het woord neemt? Wij zijn geneigd vragen te stellen, het Woord is al die vragen vóór. Wordt de stad dan niet langer belegerd? Neen, morgen zijn de vijanden verdwenen. De stad wordt gered, zo volkomen gered, dat er een grote voorraad levensmiddelen te verhandelen zal zijn. Horen we dat goed? Het klinkt zo wonderlijk, het lijkt zo onmogelijk. Het is hoog, wij kunnen er niet bij. Maar Hij die hier spreekt is ver verheven boven onze mogelijkheden, Hij is die God, Die wonderen werkt.
Deze hoge woorden zijn nederbuigend van inhoud. De Heere helpt niet, had Joram pas nog gezegd. Elisa ontmaskert dat woord als een leugen: zo zegt de Heere. Hij helpt wel! Dat is de trouw Gods, Samaria had het niet verdiend en Joram nog minder. Deed de Heere met hen, naar hun zonden, dan zag het er donker uit. Dan zouden de oordelen hun gang gaan, de honger en het zwaard. Wat zou óns dan overkomen? Hij handelt nooit met ons naar onze zonden. Hebt u dat reeds ontdekt? Wie dit hoort, wordt verbroken van hart. Hij verwondert zich dagelijks over het geduld en de goedheid des Heeren. Het Woord des Heeren is een verootmoedigend woord. Wij leren het belijden: O Heere, daar heb ik het niet naar gemaakt, dat kimt u om mij nooit doen.
Daaroverheen spreekt de Heere: Ik doe het niet om uwentwil, het zij u bekend! Een stad, waarin de gruwelijkste dingen plaats grijpen, een koning, die harde woorden spreekt tegen God en tegen Zijn dienstknecht. Nochtans was God met hen begaan. Hij houdt Zijn oordelen in Zijn eigen hand. Hij wil hun ondergang niet. Hij zal hen uitstel geven, tijd tot wederkeer. Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet. De Heere heeft geen lust in de dood van de stervende, maar daarin heeft Hij lust, dat de goddeloze zich bekere en leve. Dat genadige voornemen brengt Hij onder woorden, werkt Hij uit in Zijn wondere daden: Morgen, omtrent deze tijd. Wie spoedig helpt, helpt dubbel. Nu, de Heere helpt spoedig. Hij laat er geen gras over groeien.
Hij helpt volkomen. Menselijke hulp, hoe goed bedoeld ook, is altijd ten dele; Goddelijke hulp niet. Ziet, de hand des Heeren is niet verkort, dat Hij niet zou kunnen verlossen. Uit de diepste ellende, waarin wij dreigen te verzinken, haalt Hij ons op, en Hij stelt onze voeten op een rotssteen. De dood voor ogen en ziet daar: het leven ons geschonken. De honger, en nu het graan. God doet nog werken van liefdadigheid: Die de hongerigen brood geeft. En Hij doet ze zo doeltreffend: Morgen, omtrent deze tijd. Wat zou ik verder op de Heere wachten? Heeft het nog zin? Zolang de Heere nog leeft en nog spreekt, zou ik maar op Hem wachten. Hij is een waarmaker van Zijn woord. Die éne dag nog, dan nemen nood en ellende een keer.
Het is goed, dat men hope op de Heere, dat men lette op Zijn daden! Doet Hij zulke daden dan nog? Wie vraagt dat? Vraagt u naar God, naar de levende God, Die leeft en leven geeft? Hoort u wat Hij zegt? Een stad, die door de vijanden omsingeld is, en door de hongerdood bedreigd, zal Ik ontzetten en van het nodige voorzien. Zou uw geval dan een hopeloos geval zijn? Zijn er onder mijn lezers mensen, die nergens meer heen kunnen, die het uitkermen: Ik moet de dood sterven. Mensenwoorden schieten hier te kort, Gods Woord niet. Zo zegt de Heere, bij Wie de uitkomsten zijn tegen de dood. Hoort u het Hem zeggen? Het Woord Gods is Hij, Die uit de hemel is nedergedaald. Wij kunnen in een belegerde vesting geen brood binnensmokkelen. Maar Christus Jezus, is het brood des levens. Is daar geen aankomen aan? Koopt, zonder geld, er is met uw armoede gerekend, met uw schuld, met uw nood en dood. Gods reddende daden vinden in Christus hun middelpunt en hun hoogtepunt. Deze geschiedenis is een verwijzing naar Hem! Ge behoeft niet van eeuwige honger en kommer om te komen, want de Heere heeft Zijn eigen Zoon gezonden. En de Heilige Geest draagt Christus in het Woord uit, draagt Hem, in in onze nood, zodat Hij de redder wordt. Des avonds vernacht het geween, en des morgens is er gejuich. Hij zal zijn, als het licht des morgens, des morgens, zonder wolken. Hoe verrassend, hoe verlossend is Zijn Woord.
De verlossing, die Elisa in het vooruitzicht stelde is even volkomen als onvoorwaardelijk. Zeker, de bekering, het berouw, het geloof, zijn de wegen waarop de Heere ons wil ontmoeten. Maar het zijn geen voorwaarden, waaraan wij moeten voldoen, opdat de Heere zou helpen. Hoe menigeen is in dit misverstand verward, hij hoort niet, omdat hij te druk in de weer is, met al die voorwaarden. Hoe kan de prediking aan dat euvel mank gaan. Gods reddende genade wordt ingekapseld in de eisen, die aan de mens gesteld worden, en wordt zodoende krachteloos gemaakt.
Hier in Samaria kan de Heere niet helpen. Hier heerst ongehoorzaamheid en opstandigheid. Hier wordt het ware berouw niet gevonden. Het moet er toch zijn! Wie ontdekt, dat het er niet is, niet voldoende is, die ziet er geen gat meer in. Hem mag het verwonderen, dat het Woord des Heeren, daar koninklijk overheen komt. Over alles wat er is en er niet moest zijn, én over alles wat er niet is, en er echt moest wezen. Het strekt ons niet tot eer, maar het verhindert de Heere niet. Ik, Ik ben het! En Ik doe het om Mijns grote Naams wil, een- en andermaal. Dan beschuldigen wij onszelf eerst recht, dan worden wij beschaamd over onze wegen. Komt, hoort het Woord des Heeren. Het Woord van souvereine genade, zonder enige verdienste onzerzijds. Het Woord van volkomen zaligheid in de Zoon van Zijn welbehagen. Hoort het om uws levens wil. Hoort en uw ziel zal leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's