Het Woord des Heeren (2)
Maar de hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man Gods en zeide: Zie, zo de Heere vensteren in de hemel maakte, zou die zaak kunnen geschieden. En hij zeide: Zie gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten. 2 Koningen 7 vers 2.
En wat is daarop uw antwoord? Op dat overweldigende woord des Heeren, vol verrassing en verlossing? Van u, koning Joram? Joram geeft helemaal geen antwoord, hij denkt: ik kies de veilige weg, wanneer ik niets zeg. Hoe kan ik zulke woorden aanvaarden, en waarom zou ik ze ontkennen? Ik laat ze voor wat ze zijn. Niet antwoorden is ook antwoorden. Omdat horen naar, gehoor geven aan betekent. Joram geeft geen gehoor aan dit woord des Heeren, hij doet alsof hij niet thuis is.
Een ander neemt het woord; de hoofdman op wiens hand de koning leunde, zijn adjudant. De man is zich nogal van zijn waardigheid bewust, want vóór de koning langs, spreekt hij tot Elisa, die hier met nadruk de man Gods genoemd wordt. Als een waarschuwing: wees toch voorzichtig met uw antwoord. Maar deze hoofdman ziet de hoogheid des Heeren niet, hij is van eigen hoogheid te zeer overtuigd. Wat Elisa daar zegt is al te dwaas. Ik zie de Heere al vensters in de hemel maken, antwoordt hij spottend. Sluizen, waardoor het graan en meel zou regenen! Zou die zaak kunnen geschieden? Het is onmogelijk, wat Elisa beweert. In deze hoofdman is het brutale ongeloof aan het woord. Het neemt Elisa's woorden niet ernstig, het lacht er schamper om. Wees toch verstandig!
Want deze hoveling houdt zich voor een verstandig man. Hij laat zich niet zomaar op sleeptouw nemen door de mooie beloften van de profeet. Hij vindt de profeet eigenlijk een praatjesmaker, en zijn praatjes, praatjes voor de vaak. Nuchter blijven. Schertsend zeggen, dat zijn woord reine onzin is: Zie, zo de Heere vensters in de hemel maakte, zou die zaak kunnen geschieden. Dat is gezonde taal. Die taal hoort u overal in de wereld spreken, vroeger en nu. De wonderen zijn de wereld uit. God doet ze niet meer; trouwens, wie kan nog volhouden, dat God er is, wanneer Hij niets doet! Ik denk, dat deze hoofdman veel aanhang heeft onder de geleerden van deze eeuw, de eeuw van wetenschap en techniek. Zij schakelen God uit, en ontsteken dan hun eigen licht. Maar even goed onder de eenvoudigen, die moeten toegeven: De man heeft nog gelijk ook. Het ongeloof heeft altijd gelijk, voor ons verdorven verstand. Misschien houden wij de mogelijkheid voor het wonder open, maar dat helpt niet, wanneer we er niet diep van overtuigd zijn, dat God, de Heere, gadeloze wonderen werkt.
Zullen wij met deze man, en met al zijn aanhangers, van gedachten gaan wisselen? Het gesprek voeren? Dat kan een interessante discussie worden. Laat Elisa zich eens nader verklaren, hoe stelt hij zich dat voor. In de netten van zo'n discussie raakt het woord des Heeren verstrikt, het kan zich niet meer vrij bewegen. Elisa discussieert niet. Het woord des Heeren wil niet in menselijke gedachtenwisselingen krachteloos en onschadelijk gemaakt worden. Laten wij ook maar op onze hoede zijn voor die eindeloze gesprekken over het wat en het hoe van des Heeren woord. Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, spreekt de Heere. Het zijn geen gelijkwaardige grootheden. Mag ik er nu het mijne van zeggen? De Heere zegt er het Zijne van. Wie dat hoort, heeft niets meer in te brengen. Mijn woord zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
Elisa zeide: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten. God neemt Zijn woord niet terug, maar Hij vergunt deze ongelovige geen aandeel aan het genade goed. Met eigen ogen zou hij het zien, doch daarvan niet eten. Het gaat hard, tegen hard. Zie ... tegen zie... Bij de openbaring van Gods verlossende voornemen, spant het altijd. Wie er mee spot, speelt gevaarlijk spel. Het is God ernst, zo zeer ernst, dat Hij dit ongeloof straft. Ik zie het al, zei de hoofdman. Gij zult het zien, zegt de Heere. Dat zal u echter niet verlossen, het zal u veroordelen. En zo zal het ieder vergaan, die in de zonde der ongelovigheid volhardt. Ziet, Mijn knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren. Ziet, Mijn knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten. Ziet, Mijn knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn. Omdat Ik gesproken heb, en gijlieden hebt niet gehoord. Daar zit het dus op vast: Niet gehoord, niet geloofd.
Het wordt ons medegedeeld, opdat niemand in hetzelfde oordeel der ongelovigheid valle. Het woord des Heeren is levend en krachtig en scherpsnij dender, dan enig tweesnijdend zwaard. Ongelovigheid. Met het verstand te rade gaan, met vlees en bloed. En dan een groot vraagteken zetten achter het woord Gods. Niet iedereen doet dat lachend en lichtvaardig. Velen nemen de schijn aan, alsof ze er echt over denken, alsof ze het graag zouden geloven. Ondertussen komen ze niet verder dan deze man: Zou die zaak kunnen geschieden? Dringt het wel eens tot ons door, dat wij zodoende God tot een leugenaar maken? Wij horen het evangelie, het verlossende woord Gods, in Christus Jezus, Zijn Zoon. Het woord, dat wat nieuws schept, dat de opstanding uit de doden in zich draagt. Wij gaan daar niet op in, wij betwijfelen het ten sterkste. Het ongeloof kan zich in allerlei vermommingen aandienen, maar hieraan herkent u het altijd: Het geeft niets voor de Heere en voor Zijn woord. Dat laat de Heere niet ongestraft. Israël is daar het vermanend voorbeeld van: zij zijn de rust niet ingegaan, vanwege hun ongeloof.
De ongelovige kent het geloof niet. Hij kent eigenlijk ook het ongeloof niet; hij onderkent het niet als zodanig. Daarom klaagt hij er nooit over, en het klaagt hem nooit aan. Hoe zelden ontmoet men mensen, rechtzinnige mensen overigens, die het met hun ongeloof te kwaad hebben. Sommigen zien het voor verstand aan. Zij zeggen: dat kan een mens die zijn verstand gebruikt toch zo maar niet geloven. Anderen zien het voor ernst aan. Zij nemen het niet zo licht; geloven, dat gaat zo maar niet. Waar is, onder ons, bij u, de worsteling met het woord Gods om het te mogen geloven?
De gelovige kent het ongeloof. Hij schrikt van de woorden van de hoofdman, want hij hoort het zichzelf zeggen. Hij schrikt van de straf: zien, doch niet eten, hij heeft dat verdiend. O, die vraagtekens. Wij zetten ze, waar ze heel niet thuishoren; achter het woord des Heeren. De beloften Gods, worden niet vervuld, tenminste niet aan ons. Wat geeft het, al verlangen wij naar verlossing, die is voor ons niet weggelegd. Hoort het woord des Heeren. Wij horen het terdege, we krijgen het er wel eens benauwd onder. Wat moeten wij er mee aan. Ons „maar", valt de Heere in de rede, en keert al Zijn woorden een slag om. Maar ik . . . Gaat het over de zaligheid, dan zal het allemaal wel waar wezen, voor anderen. Maar voor mij? Was ik er nu maar anders onder, was ik het maar waardig, was ik er maar aan toe. Kon ik op grond van mijn gegevens, dit woord maar bevestigen, kon ik het maar verankeren in mijn bevinding en verklaren uit mijn ervaring. Het ongeloof zoekt naar waardigheid, naar mogelijkheid, naar aanvankelijke werkelijkheid. Het wendt zich echter niet, naar Hem die hier spreekt, en die ons uitsluitsel geeft. Zeker, wij hebben het er moeilijk genoeg mee, maar……
Hoe kan dit alles zich toespitsen. Wij denken samen aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Het heil werd voorgesteld en uitgestald, wij werden dringend genodigd en echt, het liet ons niet onverschillig. Maar... En wat, vraag ik u, was het gevolg? Gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten! Voor straf! Dan kijken we niet argwanend naar hen die toetreden, we kunnen wel door de grond gaan, omdat we wegblijven. Komt dat ook nog wel eens voor? Smart ons dat? Wie niet gelooft, is alrede veroordeeld! Veroordeeld onder de nabetrachting, dat is een vruchtbare voorbereiding.
Blijft het bij die ene keer? Belijden wij aan het Avondmaal niet, dat wij dagelijks met de zwakheid van ons geloof te strijden hebben? Het geloof is geen glijbaan, het is een loopbaan! Begeren wij wel oprecht, om tegen ons ongeloof te strijden? De Heilige Geest grijpt heilzaam in, in deze worsteling. Hij ontdekt er ons aan, dat wij onszelf te kort doen, omdat wij te klein denken van de Heere. Want alle vraagtekens achter onze eigen woorden, betekenen nog geen vraagteken achter het woord des Heeren. Daar zetten we dan met bevende hand, die vastgehouden wordt door de Heere, — net als een vader bij zijn kind doet — een groot uitroepteken achter.
Het ongeloof is onze natuur. Wie sprak u ook weer over het doden van onze oude natuur? Dat is geen kleine zaak. Wie er geen moeite mee heeft is er nog niet aan toe. Voor hem is het geloof vanzelfsprekend, terwijl er niets wonderlijker is! Het is een leven, als uit de doden. Als stervende, en zie, wij leven. Hoe bedroeft ons dan het ongeloof. Het is een grote dief, het berooft God van Zijn eer, en ons van de zegen en de vrede. Hoe zullen wij het ooit overwinnen? In de kracht van de Heilige Geest. De Heilige Geest komt eraan te pas. Hij werpt ons terug op de Heere en op Zijn woord. Zo zegt de Heere. Wat zégt Hij? Wendt u nu niet moedeloos af, omdat het u te groot en te wonderlijk is. Wie zegt het? De Heere. Omdat het wonderlijk is in uw ogen, zou het daarom ook wonderlijk zijn in Mijn ogen, spreekt de Heere! Welgelukzalig wie dan door de knieën gaat. Heere niets staat U in de weg, om Uw woord gestand te doen, ik val ervoor. Heere, — zo zei, veel later, een andere hoofdman —, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak inkomt, maar ... Merkt u wel, dit „maar" staat op een heel andere plaats. Het leidt ook een heel andere zin in: spreek alleen een woord en mijn knecht zal genezen worden.
Voorts bedenken wij tot onze vertroosting en vermaning: Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's