UIT HET NIEUWE TESTAMENT
Vervolg 1 Corinthe 11 vers 17—34.
De vorige maal zagen wij, welke bedoeling de rechte zelfbeproeving volgens Paulus heeft, 't Gaat er daarbij niet om, dat de mens vrijblijvend bij zichzelf zou uitmaken, of hij kan aangaan of niet mag toetreden. Maar dat hij géén vrede zou hebben, voordat hij op de réchte wijze aangaat!
Wanneer wij ditmaal hierop nog nader ingaan, willen wij er nog eens op wijzen, dat wij wel te bedenken hebben, dat ook voor het Avondmaal het echte geloof dus maar al te vaak zwak kan zijn. Immers telkens weer is het echte geloof de inzinking nabij. Zó ligt het eveneens wat betreft de zékerheid van dit geloof. Doch juist toch om in die zwakheid te hulp te komen, heeft Christus het Avondmaal ingesteld. Daarvan kunnen wij ook nooit als sterken, die roemen in ons sterke geloof aan Zijn tafel komen, doch altijd als zwakken, die zeer verlangen in het geloof en in de liefde te mogen opwassen.
Steeds weer hebben wij ons hierbij goed te realiseren, dat onze Heere een God der middelen is., Niet voor niets spreekt de Catechismus in zondag 7 over het geloof als over een vertrouwen, dat de Heilige Geest in onze harten werkt door het Evangelie. De persoonlijke toeëigening van het heil ligt altijd in het Wóórd verankerd. De vraag: „Is het wel voor mij? " kan nooit recht beantwoord, los van een biddend en begerend ingaan op het Woord. Wie het vast weten wil, die ga, tegen alles in, tot het Woord, tot Christus! En in déze weg zal hij aan de weet komen, dat de beloften Gods en Christus ook voor hém zijn! Welnu, de versterking van het zwakke geloof is eveneens door het Evangelie. En daarom ook door het Avondmaal, dat immers zichtbaar, bevestigd Evangelie is. In de tekenen wijst Christus Zelf ons heen naar Zijn offer in de uitreiking van de tekenen wil Hij met Zijn Geest in ons werken. Hebben wij het dan, als ons geloof zwak is, niet hier te zoeken? Hoe onjuist is, wat toch wel meer gebeurt, dat men eerst wacht op versterking buiten het Avondmaal om! Tegenover Gods weg stelt men een zelf gekozen weg. Men wil door de hemel op een bijzondere wijze behandeld. In plaats dat men erkent, dat de gave van het Woord reeds iets zeer bijzonders is. En dat het érg is en grote schuld, dit voor zichzelf niet te kunnen en te willen geloven! Vaak is men bij het Avondmaal eigenlijk bezig om het paard achter de wagen te spannen. Laten wij ons eens indenken, dat ergens een zieke is, die versterkende middelen moet hebben. De dokter schrijft ze hem voor. Doch de patiënt dankt de dokter hartelijk voor zijn goed bedoelde voorschrift, maar zegt hem tegelijk, dat hij die middelen nemen zal, wanneer hij zich sterker gevoelt. Doen sommige leden der gemeente voor het Avondmaal, geestelijk gesproken, soms niet hetzelfde?
Wat hebben wij steeds in de pastorale zorg en met het oog op ons eigen geestelijk leven goed te bedenken, dat het oprechte geloof uit het Wóórd is. En dat ook de zekerheid des geloofs alleen is uit de vastheid van dat Woord, aan het Avondmaal zichtbaar bevestigd!
't Is de héérlijkheid van het Avondmaal, dat het door de werking van de Heilige Geest de kracht heeft om het echte geloof te versterken. Anders zou het geen Sacrament zijn!
De Reformatoren en de Belijdenisgeschriften van onze Kerk noemen de Sacramenten immers niet alleen tekenen. Ook zegelen, ónderpanden. Zo zeker brood en wijn aan het Avondmaal ons worden gegeven en door ons worden genuttigd, zo zéker wordt door ons, wanneer wij in oprecht geloof aanzitten, het lichaam en bloed des Heeren ontvangen tot spijs en drank ten eeuwigen leven. En zo zeker maakt de Heere Zijn beloften van Zijn genadige gezindheid jegens ons vast en wil Christus alles voor ons en in ons zijn!
Naar haar wezen is het Sacrament niét een verklaring aangaande de vraag, wie wij voor de Heere zijn. Wel gaat de zelfbeproeving vooraf. En wel spreken wij in een recht aangaan uit, dat wij zélf nog midden in de dood liggen, doch nochtans op Zijn beloften en Zijn Christus vertrouwen. Maar hoofdzaak is, wat de Héére in het Sacrament verklaart, — wie Hij in Christus voor ons zijn wil! Wanneer wij in oprecht geloof, nochtans zwak, aangaan aan de tafel des Heeren, kan hiervan een gezegend getuigenis uitgaan. Anderen, bestreden in hun geloof, kunnen tot jaloersheid en tot hartelijk begeren gebracht en mede getrokken worden! Steeds treffen wij in de gemeente ook leden aan, die alsmaar voor het Avondmaal komen aandragen met de opmerking: „Ik mis de vrijmoedigheid én de zekerheid, of mijn geloof en liefde jegens de Heere wel echt zijn". Dit doet denken aan een meisje, dat steeds maar zegt: „Ik weet niet, of ik wel echt van die jongen houd". Dan moeten wij er wel aan twijfelen, of de verhouding inderdaad goed ligt! Wanneer iemand alsmaar blijft volhouden: „Wist ik maar zeker of ik werkelijk wel in Christus geloof en Hem liefheb", gaat het er dan om, dat hij eerst blijft zoeken naar meer helderheid omtrent dat geloof en die liefde? Of moet hem voorgehouden, dat hij zich maar eens terdege moet afvragen, of zijn verhouding met de Heere überhaupt wel goed ligt? Anders gezegd: wij moeten er rekening mee houden, dat veel gebrek aan zekerheid ongeloof is! Hier ligt vaak de oorzaak, de schuld. Zodat ook hier geldt, dat men niet kan ingaan vanwege zijn ongeloof. Het valt niet mee, dit van zichzelf te erkennen. Want dit betekent een onteren van zichzelf. En daar is ons hart heimelijk te hoogmoedig voor. Het klinkt vromer en het is gemakkelijker voor het vlees om te belijden: „Ik heb geen vrijmoedigheid", dan „Ik ben nog zo ongelovig".
Toch moet dit laatste eerlijk beleden. En het is nog altijd waar, dat als men hiermee ernst maakt en zo komt voor de Heere, Hij Zijn hand wendt tot zulke ellendigen. Wij komen hiermee stellig verder, dan met alle geredeneer: „Ik heb geen vrijmoedigheid en geen zekerheid". Terwijl wij dan rustig de beloften Gods voor zondaren en armen laten liggen! Even tevoren merkten wij op, dat van ons aangaan aan de Tafel des Heeren een gezegend getuigenis kan uitgaan. Wij voegen daaraan nu nog toe: wat kan dat aangaan nog verder rijke betekenis hebben! Ziet, in het gedrang van de grote stad zoekt het kind de vertrouwde hand van vader of moeder. Het dringt zich dicht tegen hen aan, opdat het hen niet zou kwijtraken. Wat kunnen wij, juist als wij door genade de Heere Jezus mogen liefhebben, verlegen staan in de drukte en strijd van het leven en ons ellendig gevoelen vanwege ons geestelijk gebrek. Maar is het dan geen grote zegen, wanneer onze Heere juist aan het Avondmaal ons naar Zich toetrekt en wij daar heel dicht tegen Hem aan mogen leunen, opdat wij in die nauwe gemeenschap met Hem ons bewaard en gesterkt zouden weten?
En zit er dan aan dit aangaan tevens niet een andere, heilzame, kant? Op deze wijze ontkomen wij aan de verzoeking van ons arglistig hart, om ons toch nog te verheffen op onze bekering en onze geestelijke ijver. Wij schuilen als een kind opnieuw bij Christus, om het voor Hem en onszelf en anderen te erkennen, dat Hij alleen de grond is van ons betrouwen, en dat Zijn gerechtigheid de enige is, waardoor wij voor God kunnen bestaan.
Nog éénmaal horen wij de woorden van de apostel: „De mens beproeve zichzelf en ete alzo van het brood en drinke van de drinkbeker". Inderdaad, wie alzo Avondmaal viert, doet dat tot zégen van zichzelf, maar bovenal tot éér van Zijn Koning! Wanneer de Koning in de bruiloftszaal de aanzittende gasten overziet, dan verblijdt Hij zich stellig in die aanblik. Is onze Koning niet waard, dat Hij Zich alzo verblijden zou? Als ons hart recht gesteld is, gunnen wij Hem die blijdschap gaarne. En willen wij delen in die vreugde! Wanneer Hij Zich dan ook over óns verblijdt, zal het in onze ziel leven: „De Koning verlustigt Zich in mijn schoonheid. Welke is die? Die is geen andere, dan die Hij mij Zelf heeft geschonken. Het kleed, waarin ik Hem welgevallig ben, is het kleed, waarmee Hij mij Zelf bekleed heeft en waarin ik schuilen mag".
Deze overweging maakt het Avondmaal mede tot een féést. Dit feest gaat in ons leven hier niet onafgebroken door. Maar het is immers onderpand, belofte van een nog rijker feest, eenmaal! Daarom vieren wij dit tijdelijke feest, totdat Hij komt. Om dan Zijn gemeente de eeuwige bruiloftszaal binnen te leiden. Zalig, die geroepen zijn tot deze Bruiloft des Lams!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's