De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOODZAKELIJKE CORRECTIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOODZAKELIJKE CORRECTIE

6 minuten leestijd

In de discussie met ds. J. van Sliedregt heeft dr. C. Graaf land in het nummer van 18 november 1.1. in „De Waarheidsvriend" geschreven over de verschuiving in de Schriftbeschouwing.

Onder de voorbeelden van deze verschuiving behoort ondergetekende, gelet op een artikeltje in „Op weg" van 9 september 1964 over: „Het wonder van Genesis 1".

Hoewel het mij liever was geweest, dat hij geciteerd-had uit een uitvoeriger artikel, dat ik schreef in „Leiding", eveneens van september 1964, getiteld: „Genesis 1, Openbaring van God", neem ik het geschrevene in „Op weg" voor mijn rekening. Deze artikelen zijn een verkorte neerslag van een bezig zijn met Gen. 1 in preken en bijbellezingen, dat aanleiding gaf tot een bundel: „Ik ben de Alpha", in 1964 verschenen bij Bout in Huizen (N.H.).

Wat dr. Graafland citeert, betreft twee dingen.

In de eerste plaats gaat het over het eigen karakter van Genesis 1. Daarvan is negatief te zeggen, dat dit hoofdstuk geen reportage is van biologische en geologische wetenswaardigheden, maar rijke openbaring van God. Positief is ervan te zeggen, dat Gen. 1 openbaring van God is, die verstaan wordt door het geloof. Daarin neemt God Zijn kind op de arm en zegt: Zie eens, dat heb Ik alles geschapen. Is dit niet mooi? (Calvijn).

Dit houdt in, dat Gen. 1 naar eigen aard verstaan wil zijn en niet de maatstaf aangelegd wil zijn van een wetenschappelijk boek over biologie en geologie. Hiermee heb ik geen verschuiving van Schriftbeschouwing helpen inluiden, die dr. Graafland signaleert, maar eenvoudig weergegeven wat Augustinus en Calvijn in hun tijd en prof. dr. Hugo Visscher en prof dr. J. Severijn met vele andere gereformeerde theologen in deze eeuw hebben geleerd.

Dit zou met de stukken waar te maken zijn. Augustinus zegt o.a.: God gaf ons Zijn Geest niet om de loop van zon, maan en sterren te leren, maar om ons in alle waarheid van Christus te leiden. Daarmee is gegeven de vrijheid van de wetenschap. Zoals elke vrijheid begrensd is, is ook deze vrijheid begrensd.

Immers de wetenschap behoort tot de schepping, tot deze geschapen werkelijkheid. Dat is haar eer èn betrekkelijkheid. Zij kan nooit uitstijgen boven de grens, die God haar stelt. Zij kan nooit zaken beoordelen, die het geloof alleen beoordelen kan.

Het geloof laat de wetenschap heel ver achter zich, omdat het gemeenschap heeft in Christus met de levende God.

Dr. Graafland wijst op resultaten en feiten van de exacte wetenschap, die in strijd zijn met Genesis 1. Hij meent, dat onder ons Genesis 1 niet meer letterlijk genomen wordt.

Deze conclusies zijn voor zijn rekening en niet voor de mijne. Daarmee ontken ik niet de moeilijkheden en de vragen, die er zijn. Ook bestrijd ik niet de speurzin en de ontdekkingstochten van de wetenschap. Maar feiten en resultaten van de wetenschap zijn even betrekkelijk als de wetenschap zelf.

Wanneer wij nu het openbaringskarakter van Genesis 1 door het geloof verstaan (Hebr. 11 : 3), de eigen aard van deze openbaring in Genesis 1 onderkennen (wereldbeeld van de aanschouwing enz.) dan is er een oneindig niveau-verschil tussen het geloof en de wetenschap. In het geloof zeg ik: Laat de wetenschap — zich haar grenzen bewust — haar gang gaan. Tot haar resultaten voorzover strijdig met Genesis 1, zeg ik twee dingen: Heb ik de Heilige Schrift goed gelezen? en, bij eventuele botsingen: Wat zijn de problemen van mijn denkend verstand verschrompelend klein bij de overweldigende zekerheid dat ook deze Schrift van God is en dat ik zo'n rijke God heb. Wie dat als een dooddoener beschouwt — hij ga zijn gang. In dit geloof sta ik boven alle vragen en middenin alle vragen.

Wanneer dr. Graafland zegt: maar dan dienen de consequenties uit de vrijheid van de wetenschap getrokken te worden, dan hangt het er maar van af, wat wij onder wetenschap verstaan. Over deze vragen zou in kleinere kringen veel dieper en breder gesproken moeten worden.

'k Heb diep respect voor de mensen, die aan deze problemen sjouwen, ook al wordt dit door velen weinig gewaardeerd. Maar zij mogen wel een sterk geloof hebben om op een bepaald punt de geloofsspanning vol te houden.

Na deze korte uitweiding vraag ik: Wat hebben mijn opmerkingen met een verschuiving van Schriftbeschouwing te maken?

Nu een volgend punt.

Volgens dr. Graafland heb ik een nauw verband gelegd tussen Genesis 1 en 3 en Mattheüs 1 en Lucas 2. Dat is ook zo. Scheppingsorde en de heilsorde zijn in de Schrift nauw vervlochten. Volgens dr. Graafland zou ik dit niet gezegd hebben, als ik niet kennis genomen had van de nieuwere theologie. Dit verband zou invloed van Barth verraden.

Wat ik ook van Barth geleerd heb: dit niet. 'k Wil van ieder leren, die mij helpt de Schrift beter te verstaan. Wanneer Barth mij op een punt helpt de Schrift beter te verstaan, dan erg graag, hoewel ik de vele structuren van zijn theologie verwerp, omdat zij of in strijd zijn met de Schrift (verzoening en verkiezing bijvoorbeeld) of de zaak scheef trekken (scheppingsleer).

Van wie ik dit verband dan wel geleerd heb? Van mijn dominee op de catechisatie uit de catechismus.

In Zondag 11 wordt de scheppingsorde ingedragen in de heilsorde, zodat de scheppingsorde in een bijzin dienstbaar is aan de heilsorde, die in een hoofdzin staat. Natuurlijk is er veel meer over de schepping te zeggen. Dat doet o.a. Calvijn in zijn Institutie, Boek I.

In de tweede plaats heb ik dit geleerd van Calvijn.

In de inleiding op zijn Commentaar op het boek Genesis waarschuwt Calvijn tegen het filosoferen over de schepping.

Hij citeert Hebr. 11 : 3 en 1 Cor. 1 : 21. Daaruit trekt hij de volgende conclusie: „Ligt daarin niet de vermaning zich geheel en al op Christus te richten als de enige weg om tot God en tot rechte kennis te komen?" Van deze kennisweg zegt Calvijn: „Men moet niet bij de geschiedenis van de schepping beginnen, maar bij het Evangelie, dat ons Christus en Zijn kruis predikt en bij Hem bewaart". De verleiding is groot hier verder te citeren, maar ieder kan deze inleiding zelf er op naslaan.

Hierbij wil ik het laten. Laten wij elkander recht doen en ons tot het uiterste inspannen in het spoor te blijven. Ik dacht, dat dr. Graafland mij in een „harnas" plaatst, waarvan ik zeg: "Er zijn betere. En: In deze kan ik niet gaan. Vandaar deze noodzakelijke correctie.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NOODZAKELIJKE CORRECTIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's