UIT DE PERS
Bij het heengaan van prof. dr. Hendrik Kraemer.
Het laat zich verstaan dat in de kerkelijke pers van 19 november aandacht geschonken is aan het leven en werk van prof. Kraemer, die in de morgen van 11 november uit ons midden werd weggenomen. Wie de ontwikkeling van kerk en zending in Indonesië, in ons eigen land en in de wereld nagaat, komt gedurig weer zijn naam tegen. Gezegend met grote gaven van verstand en hart heeft hij immers midden in deze ontwikkeling gestaan, en er zijn woord gesproken. „Dienaar der wereldkerk" is hij genoemd en ds. F. H. Landsman neemt in een „In Memoriam" in „Hervormd Nederland" deze typering over. Landsman citeert in dit artikel een woord van Kraemer dat deze in 1915 als voorzitter van de N.C.S.V. schreef in het orgaan van deze vereniging: „Eltheto":
„Het is een vreselijke tijd die wij beleven. God legt op ons geslacht een taak om van te breken. Laten zij die God zoeken en iets van Hem gevonden hebben elkander zoeken om met het oog op de grote taak te trachten om te worden tot een gemeenschap van helden des geloofs, vrijen van Geest en ootmoedige dienaren Gods".
Kraemer heeft op velerlei terrein die taak aangevat. In het verzet van de kerken in oorlogstijd tegen het nationaal-socialisme speelde hij een belangrijke rol. Zoals zo velen heeft ook Kraemer een tijdlang als gijzelaar gevangen gezeten in St. Michielsgestel. Wat onze eigen kerk betreft, Kraemers naam is blijvend verbonden aan de arbeid van „Gemeenteopbouw" in en na de oorlog. Enkele jaren na de oorlog werd hij belast met de leiding van het Oecumenisch Instituut te Bossey. Maar vooral mogen we hem toch zien als de zendingsman, die — staande in de praktijk van het zendingswerk — vanuit het Evangelie een antwoord gezocht heeft op de vragen waar de zending voor stond en staat. We citeren in dit verband prof. dr. J. V. d. Berg, die in een artikel in het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 19 nov. onder meer schrijft:
Na een grondige opleiding (behalve aan de Nederlandse Zendingsschool, toen te Rotterdam gevestigd, studeerde hij te Leiden, waar hij in januari 1921 bij Snouck Hurgronje „cum laude" promoveerde op een onderwerp, dat zowel om een diepe kennis van de Islam als van het Javaanse denken vroeg) vertrok hij via Cairo (studieperiode aan de Azhar-universiteit) naar Java. Daar wachtte hem een boeiende taak in een nieuwe functie: die van deskundige van het Bijbelgenootschap; hij moest, aldus dr. v. Leeuwen, optreden als „verbindingsofficier" tussen zending en inheemse samenleving. Zo heeft Kraemer op Java geleefd: wijd open naar de kant van het inheemse leven, waarvan hij de religieuze achtergrond steeds beter leerde kennen, maar dat hij ook in zijn nationalistische aspiraties doorzag en begreep — en tegelijk wijd open naar de zijde van de kerk, die hij op allerlei wijze hielp in haar pogen om de Javaanse wereld, ja, heel de „Indische archipel" te confronteren met de boodschap van het evangelie. Er zijn in zijn Indische tijd, die in twee perioden valt te onderscheiden, zeer markante momenten geweest. Ik noem hier slechts zijn strijd om Bali open te houden voor de zending — 'n strijd, door hem niet slechts gevoerd op een bewonderenswaardig hoog niveau, maar ook op een wijze, die diep christelijk was en tegelijk zeer modern: de unieke betekenis van het christelijk geloof werd door hem belicht in het kader van een vooruitstrevende visie op de toekomstige ontwikkeling van het Indonesische leven. „Voor Bali kan, evenmin als voor elk ander levend volk, het ideaal niet liggen in door kunstmatige en op den duur niet te handhaven bescherming van zijn rust en stabiliteit, maar in het strijdend en levend verwerken van wat de bovenredelijke leiding der geschiedenis beschikt" (De strijd over Bali en de Zending, Amsterdam 1933, blz. 133).
In 1936 zag Kraemer, toen met verlof in Europa, zich gesteld voor een uiterst belangrijke opdracht: een boek te schrijven ter voorbereiding van de wereldzendingsconferentie die in 1938 te Tambaram zou worden gehouden. Begin 1938 zag het boek, getiteld The Christian message in a nonchristian world (De christelijke boodschap in een niet-christelijke wereld) het licht. Zonder overdrijving kan men zeggen dat dit boek, geschreven door een man van de godsdienstwetenschap, één van de belangrijkste produkten der theologische literatuur van deze eeuw geworden is. Het is haast onvoorstelbaar, dat één man in zo korte tijd een zo groot èn groots werk tot stand kon brengen. Reeds de titel laat ons iets van de dubbele gerichtheid van Kraemers denken zien: de gerichtheid op de „non-christian world", die hij in haar religieuze en niet-religieuze componenten op magistrale wijze wist te analyseren, en de betrokkenheid op het evangelie, dat hij tekende in zijn radicaliteit en uniciteit, niet als levens- en wereldbeschouwing, maar als de verkondiging van de levende Heer, in Wie God zich aan de mensen gaf tot in het laatste offer, zo, dat de kerk in Hem gebonden is om tot de bodem te gaan in haar kritiek op en haar verzet tegen kwaad van de wereld, maar tevens in haar indentificatie met het lijden en de nood van de wereld (blz. 30).
Dit werk, dat ook in het Duits uitkwam en waarvan Kraemers vriend prof. dr. J. H. Bavinck een samenvatting in het Nederlands gaf, heeft vele discussies opgeroepen, in Tambaram en in wijder kring. Ook al kan men niet zeggen dat hier het definitieve antwoord op de vraag naar de waardering van de niet-christelijke religies gegeven werd (misschien was daarvoor het element van reactie in heel de opzet van het werk te sterk), toch is in ieder geval duidelijk, dat van dit werk een sterke invloed ten goede is uitgegaan: het is als een evangelisch tonicum in het bloed van de zending ingegaan, dynamiserend en vitaliserend. Velen gaf het een nieuwe visie op en een nieuwe vreugde in de zendingstaak. In onze studententijd was het één van die boeken, die onze horizon verbreedden en tegelijk ons door het gebeuren buiten en in de kerk aangevochten geloof versterkten en verdiepten. Het was de stem van een profeet èn een geleerde, van een bewogen getuige èn een nuchter mens, die in dit boek tot ons kwam. Juist ook daarom kwam de inhoud ervan „over" als een authentieke vertolking van het evangelie voor onze steeds meer één-wordende wereld.
Van verschillende zijden, is na zijn overlijden gezegd, dat Kraemer ons een erfenis heeft nagelaten, waar we ons ook in de toekomst mee bezig zullen moeten en mogen houden. „Wij zijn overtuigd dat hij behoort tot degenen die nog tot ons zullen blijven spreken in het getuigenis dat van hen is uitgegaan, ook al hebben zij het aardse leven afgelegd om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het Licht" (Landsman). Me dunkt, niemand zal dit kunnen ontkennen. Ook al blijven er vragen ten aanzien van verschillende inzichten van Kraemer. Vragen die wel samenhangen met het feit, dat Kraemer, zoals Landsman schrijft: „voor geformuleerde belijdenissen als „grondslag" voor christelijk werk weinig interesse kon opbrengen". En ook al hebben we onze bedenkingen tegen de wijze waarop „Gemeenteopbouw" gewerkt heeft aan de vernieuwing van de Hervormde Kerk. De betekenis van dr. Hendrik Kraemer voor kerk en theologie is groot. En vooral ten aanzien van de vragen die er rijzen in de ontmoeting van het chr. geloof en de niet-christelijke godsdiensten zullen we er goed aan doen ons te verdiepen in de erfenis die Kraemer ons nagelaten heeft.
Prof. dr. A. J. Bronkhorst over het concilie.
In “Hervormd Nederland" geeft de Brusselse hoogleraar van week tot week commentaar op de besprekingen en de genomen besluiten op het tweede Vaticaans concilie. In het nummer van 27 november gaat Bronkhorst in op de pauselijke toespraak van 18 november, waarin de zaligverklaring van Pius XII en Joannes XXIII werd ingeleid. Bronkhorst schrijft in dit verband:
“Op 18 november werd weer een openbare conciliezitting gehouden ter officiële afkondiging van de Constitutie over de Goddelijke Openbaring en van het Decreet over het Lekenapostolaat. In zijn toespraak bij deze gelegenheid kondigde de paus aan, dat hij een begin heeft doen maken met de procedures om zijn beide voorgangers, Pius XII en Johannes XXIII zalig te doen verklaren.
Onbegrijpelijk is deze mededeling in geen enkel opzicht. Reeds vóór het begin van het concilie klonken er telkens stemmen, die van Joannes XXIII de heiligverklaring van paus Pius XII verlangden. Na de dood van Joannes XXIII was niet anders te verwachten dan dat hetzelfde voor hemzelf zou worden gevraagd. Het blijkt dat Paulus VI op deze verzoeken wenst in te gaan en in ieder geval de zaligverklaring, die immers in de R.K. Kerk aan de heiligverklaring voorafgaat, reeds ter hand te doen nemen. Het kost reformatorische christenen altijd weer moeite om dergelijke zalig- en heiligverklaringen goed te waarderen. Het uiteindelijke oordeel over de totaliteit van een mensenleven is immers niet in onze handen gelegd maar aan onze hemelse Rechter zelf voorbehouden. Tijdens zijn leven was de officiële bewondering voor paus Pius XII groot, maar na zijn dood vermeerderden zich de stemmen, die gedocumenteerd betoogden, dat hij op bepaalde punten toch wel zeer wezenlijk te kort geschoten zou zijn. De menselijke waardering voor paus Joannes XXIII is tot op deze dag vrijwel algemeen positief; hij sprak tot het hart van miljoenen binnen en buiten de E.K. Kerk Maar ook wanneer men geen enkele behoefte heeft om zijn bewondering en hoogachting aan deze paus te onthouden, toch maakt ook in dit geval een zalig- en heiligverklaring de indruk van een grensoverschrijding, die ons de kloof, die er nog altijd tussen het rooms-katholicisme en de reformatie bestaat, opnieuw tot bewustzijn brengt.
Er is meermalen opgemerkt dat er ten aanzien van de rechtvaardiging, het verstaan van de genade etc. een consensus aan het groeien is tussen de Reformatie en de nieuwe theologie binnen de Catholica (Küng e.a.). Echter wie deze uitspraken over de zaligverklaring van de twee voorgangers van Paulus VI leest, heeft wat moeite er mee deze consensus in het geheel van Catholica te ontdekken. Telkens weer blijkt dat in de practijk van geloofsbeleving en geloofsbezinning de kloof die Rome en de Reformatie gescheiden houdt nog even diep is.
Naar aanleiding van de ere-promotie van dr. Martin Luther King.
De toekenning van een ere-doctoraat aan Martin Luther King door de V.U. heeft nogal wat reacties opgeroepen, vooral in Zuid-Afrika. De Kaapse synode van de N.G. Kerk heeft publiekelijk deze daad van de V.U. afgekeurd vanwege communistische sympathieën en drijfveren van dr. King. Prof. dr. H. N. Ridderbos noemt dit in de rubriek „Van week tot week" in het Geref. Weekblad van 19 november een bedenkelijke uitspraak. Vooral hierom omdat de Nederduitse Gereformeerde Kerken op klakkeloze wijze dr. King een etiket opdrukken, waarmee hij niets te maken heeft. Men wekt de indruk dat men ieder streven dat (in welk land ook) gericht is op een rassen-politiek van integratie en niet van apartheid als communistisch veroordeelt en alleen rassen-discriminatie als christelijk beschouwt. Prof. Ridderbos betreurt dit ook gezien de betrekkingen, die er zijn tussen de reformatorische kerken in ons land en de Zuid-Afrikaanse kerken. Wat dat kerkelijk aspect van de zaak betreft schrijft hij:
Zolang kerkelijke woordvoerders in Zuid-Afrika pleiten voor begrip voor de uitzonderlijk moeilijke omstandigheden, waarvoor men zich in Zuid-Afrika t.a.v. de rassen-kwestie gesteld ziet, zal zij bij de meesten van ons een geopend oor vinden, ook bij degenen, die het met de in Zuid-Afrika gevoerde rassen-politiek niet eens zijn, maar bereid zijn zo lang mogelijk een groot vertrouwen te stellen in het oordeel en het beleid van de Zuidafrikaanse kerken. Wanneer echter uit de Zuidafrikaanse kerk zelf uitspraken komen, die er tegen gekant schijnen te zijn, dat elders géén apartheid, maar integratie van volksdelen van verschillend ras wordt voorgestaan, wordt dit vertrouwen wel aan een zeer zware proef onderworpen. Uit de bescheiden, die ons tot nu toe bereikten, is ons niet duidelijk geworden of de Kaapse Synode in deze uitspraak voor de gehele N.G. kerk heeft gesproken. Wij hopen vurig, dat dit niet het geval is en dat er een mogelijkheid zal zijn, dat de N.G. kerk In haar geheel zich van deze uitspraak zal kunnen distantiëren. Het gaat ons er daarbij niet om de Vrije Universiteit in haar (ere-) promotiebeleid voor kritiek te vrijwaren. Dat beleid is voor haar en voor ons geenszins sacrosanct. Wat wij echter ten zeerste vrezen is, dat de kerk in Zuid- Afrika (waarvan de N.G. kerk verreweg de grootste is) door uitspraken als bovenbedoeld, waarvan de politieke strekking moeilijk te miskennen valt, ook bij haar beste en beproefdste vrienden het vertrouwen zou verspelen, dat zij bereid en in staat is in kerkelijke on-afhankelijkheid en onbevangenheid te spreken en te handelen. Wij zouden wel wensen, dat wanneer anderen zich inspannen de kerken van Zuid-Afrika niet door een te strenge of eenzijdige critiek in het isolement te drijven, men in deze kerken zelf de bestaande bruggen niet al te roekeloos gaat afbreken. Het zou, naar onze overtuiging, niet alleen funest zijn voor de oefening van het onderlinge contact en het gemeenschappelijke overleg, maar ook voor de kerken in Zuid-Afrika zelf. Want deze kunnen zich evenmin als enig andere kerk in de wereld zonder schade afsluiten van de grotere (lichaams-) verbanden van de kerk van Christus in heel de wereld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's