De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geen plaats voor Hem

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geen plaats voor Hem

12 minuten leestijd

lucas 2 : 7B... omdat er voor hen qeen plaats was in de herberg . . .

Een kerstoverdenking

Kerstfeest, dat is het feest van de grote blijdschap: Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere! De gemeente Gods gedenkt het ontzaglijke, het heerlijke, dat Gods Zoon in 't vlees gekomen is. Hartverrukkend Evangelie! Geen blijder maar kon ooit meer welkom zijn ...

Dat denkt u maar. Maar ook of juist het Kerstevangelie is niet naar de mens. Er moet heel veel met en aan een mens gebeuren, eer hij te Bethlehem zijn Zaligmaker omhelst. Maar wie de kracht der verlossing door deze énige Zaligmaker aan eigen hart en ziel ondervonden heeft, die alleen zal de onvergelijkelijke heerlijkheid van Jezus aanschouwen. Dat laat de Schrift ons zien. Harde feiten spreken onomstotelijke taal. Want wel schijnt de hele wereld Christus te verwelkomen: Miljoenen kaarsen flonkeren, overal glanzen de Kerstbomen en de lucht is verzadigd van Kerstmuziek. De wereld schijnt opeens christelijk geworden te zijn. Populair is dit feest bij de grote menigte.

Maar men vergisse zich niet. 't Echte 't ware Kerstevangelie is nog steeds voor Joden een ergernis en voor Grieken een dwaasheid. Kerstfeest spreekt van de allercentraalste heilsdaad Gods: „Alzo lief heeft God de wereld gehad"! Er staat niet: Alzo lief heeft de wereld God gehad en hebben de mensen allemaal om God geroepen, dat God tenslotte, zwichtende voor die aandrang. Zijn Eniggeboren Zoon gezonden en gegeven heeft. Neen, maar God heeft een vijandige en tegen Hem revolterende wereld alzo liefgehad, dat Hij tot haar eeuwige behoudenis Zijn Zoon gegeven heeft. Daarom volgt er met nadruk: Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, niet verloren ga ... Een iegelijk! Het kan niet persoonlijker. Het zaligmakend geloof is allerminst vanzelfsprekend. Jesaja vraagt met ontroering: „Wie heeft onze prediking geloofd"? En Johannes slaakt de Kerstklacht: „Hij is tot het Zijne gekomen. en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Voor de heer des huizes m.a.w. geen toegang in eigen woning! Zie, de openbaring van Gods zaligmakende genade te Bethlehem is wonderlijk. Maar even wonderlijk is waarachtig Kerstgelóóf!

Want van nature is er vijandschap, openlijk of verholen. Het ongeloof is zo oud als de wereld. Van nature is het niet bij u en mij. Het is Gods genadegave. Want het woord der keiharde verwerping: Kruis Hem! begint op het Kerstfeest. Daarom heeft genade ons te ontdekken. Immers, alles afsnijdend, staat daar geschreven: „Tenzij iemand wederomgeboren wordt, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien". Blind zijn onze ogen van nature voor de schoonheid van de Koning der koningen. Wat uit de mens voortkomt, is waardeloos, is het „bedenken des vleses", naar 't woord van de apostel.

In de zalige Kerstnacht was er feest in de hemelen. Engelen loofden en prezen het ondoorgrondelijk genade-mysterie: „God geopenbaard in het vlees", en voor wie? Voor doemwaardige zondaren. Ere zij God in de hoogste hemelen! En bij enkele uitverkoren herders, veracht naar de wereld, is daar grote blijdschap in Efrata, als de hemel hen deelgenoot maakt van de vervulde belofte. Maar de aarde ligt verder in stikdonkere duisternis.

Steeds weer zijn wij geneigd, deze geschiedenis in haar barre ernst los te maken uit het historisch verband en haar over te zetten in sprookjesachtig licht. Zo komen wij in een behaaglijke stemming en wij vergeten, in welk een verschrikkelijke wereld wij leven en welk een verschrikkelijke mensen wij zijn. Lukas legt er bijzondere klemtoon op: „Er was voor henlieden geen plaats in de herberg". Dat is de ruige realiteit. Geen plaats! Het kindeke Jezus komt in de kribbe der beesten terecht. Dat is het harde lot, dat de Zoon des Vaders wil delen met de armsten en ellendigsten, de Maria's, de verworpenen der aarde. Dat stelt het Evangelie ons op het allerfrappantst voor ogen. Het Woord werpt ontdekkend licht over een van God afgevallen wereld, tot in de wortel verdorven: Op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld. Juist ook op de bodem van deze vraag: Hoe bestaat het?

Geboren is Hij, die daar komt in de naam des Heeren, in de gestalte van een dienstknecht, Hij, de Rijkste, die arm werd om onzentwil. Het was Hem niet te min, der schepselen vlees en bloed aan te nemen, onzer één, uitgenomen de zonde. Hij, waarachtig God en waarachtig rechtvaardig mens. Welk een liefde is dat geweest! Eeuwig heilgeheim! Hij daalde neder, om aan alle eisen der gerechtigheid te voldoen. Luther zegt: De engelen hadden geen Middelaar nodig, de duivelen begeerden Hem niet; Hij is om onzentwil gekomen, omdat wij Hem nodig hadden". Ongetwijfeld, maar niemand wéét, dat hij zulk een Middelaar nodig heeft, tenzij hij daaraan bevindelijk van Godswege door Woord en Geest ontdekt wordt. Dat het Eeuwige Woord vlees werd, de Almacht zwakheid, de Gezegende des Vaders een vervloekte aan het kruis, dat gaat alle kennis van stervelingen te boven. Want zo diep heeft God Zich neergebogen, om ons te redden. De diepte van 's Heeren vernedering staat in evenredigheid tot de diepte van onze val. De vernedering van Christus wordt openbaar, als Hij in feite reeds vóór Zijn geboorte afgewezen wordt.' Geen plaats in de herberg van het onherbergzaam Bethlehem, daar is het mee begonnen. In de Davidsstad geen plaats voor de Zone Davids! Dan komt de vlucht naar Egypte. Geen plaats in Israël! En straks geen plaats op de aarde: Het kruis is het antwoord der mensen, die Hem uitgestoten hebben als een vervloekte tussen hemel en aarde.

Dat zijn de harde feiten. Want alle vlees zegt „neen" tot God. Want wie wil de Christus der Schriften? Geen leer zo fantastisch, of men vindt er aanhangers voor. Geen bijgeloof zo krom, of het vindt nog verdedigers. Maar Christus is de ongewenste Vreemdeling. Als Hij verschijnt in de wereld, die Hij schiep, met de eis der bekering en het offer van Zijn liefde tot in de dood, gaan alle deuren en vensters potdicht. Wat is dat voor een leer, zegt men vijandig, — een Evangelie, dat spreekt van verzoening door het bloed des kruises, hoe barbaars! Zo is er dan geen plaats voor dit mysterie, dat aller harten moest vertederen. En in staat en maatschappij is er al evenmin plaats voor Christus' koningschap. De mens, dié in Adam de levende God heeft afgezworen, blijft zichzelf altoos gelijk. Niet het minst ook in deze twintigste eeuw, ook al eert men Hem zogenaamd. Men heeft in onze hooggeprezen democratie Zijn Woord verwijdert uit 's lands vergaderzaal. De volkssouvereiniteit is gekomen in plaats van de gehoorzaamheid aan, het Woord des Konings. Neutraliteit is het modewoord, maar deze is verborgen vijandschap. Ook van de staatsschool moest het Woord weg. Geen plaats voor Christus bij de jeugd! Men duldt het christelijk geloof en vervolgt het niet, zolang het een particuliere aangelegenheid blijft. Maar als men partij kiest, staat beginsel tegenover beginsel.

En hoe is het in de kerk? Beperken wij ons tot eigen terrein, wij hebben genoeg in eigen hof te wieden. Theoretisch is er plaats voor Christus: Belijdenis en kerkorde erkennen Zijn gezag. Maar de praktijk tolereert nog steeds een zgn. „verdraagzaamheid", waardoor de door de Schrift geëiste leertucht een frase is. Men is aan de reformatie ontzonken. Men zegt: Wij prediken ook Christus. De vraag is: Welke? De zonde der kerk, — het zij met schaamte en smart beleden —, is, dat men in de praktijk vrijheid verleent, om een leer te verkondigen, die in strijd is met haar belijdenis van de Christus der Schriften. En de ont„kerst"ening gaat voort. Ondanks de kerstversieringen van couranten, tijdschriften en boeken in ons in naam nog christelijk land. En als men nog doet aan het „geloof", wil men een geruststellende prediking. Men wenst te horen, niet wat men moet horen, maar wat men gaarne wil horen. Over bekering en wedergeboorte, over de heerschappij van Christus in kerk, gezin en leven, moet men zwijgen. Medemenselijkheid is het enig parool van de dag. En de pit en het merg verdwijnt uit de prediking. Moet Christus van de godsdienst dezer eeuw niet zeggen: „Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij"?

Waar nu de dingen zo staan, hebben wij allereerst tot onszelf in te keren. Alle kritiek beginne met zelfkritiek. Daar begint het oordeel. Want wie zijn wij allen? Wij kwamen al te vaak te Bethlehem, maar was er plaats in ons hart voor Jezus? Hebben wij ooit Zijn verschijning waarachtig lief gekregen? Hebben wij Hem leren aanbidden als de Borg, die inkwam in onze dood, in onze verdoemenis? Hebben wij dat persoonlijk, met onze ziel, met ons hart leren verstaan? Voor kinderen des toorns gaf God, de Vader, die Enige, die Hij liefhad. Het was een daad van vrijmachtige genade, deze wonderlijke liefde, die aan de eisen van Gods gerechtigheid kwam voldoen. En voor wie? Voor een volk, dat Hij van eeuwigheid heeft liefgehad, een volk, dood in de zonden en misdaden. Voor hen voer Hij ter helle, opdat zij ten hemel zouden varen. Zo kocht Hij Zijn bruid. O dierbare Christus, algenoegzame Heiland, ja Gij zijt een Vriend, die te allen tijde liefheeft.

Is dit nu waarheid in ons hart en geest en leven? Hebt u deel aan Hem? Kent u Christus als het Lam, dat uw schuld gedragen heeft? Dan zult u eerst als met uw bloed ondertekend hebben de bekentenis, dat er bij u, in uw natuur en hart en leven voor Hem geen plaats is. Want vol is de herberg van ons hart, maar niet van Christus vol. Ons hart is van nature een spelonk der duivelen. Men zingt wel: „Heer, heel mijn hart staat voor u open", maar dit is vroom zelfbedrog. Er is geen sprake van. Ja, was 't maar waar! Er moet iets aan een mens gebeuren, ja wij zullen eerst de genadeslag hebben te ontvangen en de storm van Gods heiligheid zal het trotse schip van onze waan en glorie tot zinken hebben gebracht. Dan zinken wij weg en het wordt hopeloos. Dan vind ik nergens meer dekking. Mijn hart is dood. Mijn hart is boos. Daar woont de duivel. En de wereld. En de zonde. Maar Jezus niet. Want al mijn godsdienst is een rookscherm, om Gods radicale genade te ontwijken. Dat geschiedt altoos, als de Heilige Geest ons treft met Zijn dodelijk schot. Maar dan is er ook geen rust meer buiten Jezus. En zie, daar verschijnt Hij aan zulk een vleugellam geslagen mens, die de hoogte niet meer in, maar op de grond terecht gekomen is, in al Zijn Middelaarsheerlijkheid. Dan spreekt eeuwige liefde te Bethlehem: „Zie, hier ben Ik. Ik ben gekomen, om uw gerechtigheid en heiligheid te zijn, uw zaligheid alleen". Dan breekt het geloof, de toepassing van Zijn zaligmakend werk, door alle nood en verbrijzeling heen. 't Wordt feest. Kerstfeest, de grote blijdschap doet haar intrede, want de Heere Jezus kwam in.

Zo is het toch, want het zou een voor eeuwig verloren zaak zijn, als deze reeds te Bethlehem verworpen Heiland Zichzélf geen plaats had bereid als het Licht in onze duisternis, als het Leven in onze dood. Zijn Woord is met macht. Nog dringt het de wereld binnen, in steden, dorpen en vlekken, tot bij de verste volken. En overal, waar de Zon der gerechtigheid haar stralen uitzendt en God naar Zijn verkiezend welbehagen in deze gevallen schepping herscheppend werkt, is daar de triomf der genade, die onweerstandelijk plaats maakt voor Jezus. God is Zijn eigen Kwartiermaker. En de afkerigsten knielen op Zijn tijd voor de kribbe neder. Want genade wil wonen bij de armsten, de verbrokenen en verslagenen, die alle troost bij zichzelf zagen vergaan en het leerden belijden: „Heere, ik verdien bij U geen plaats. Ik heb alles verbeurd". En tot zulk een nooddruftig volk zegt Hij: „Weest welkom bij Mij, gij blinden en lammen, kreupelen en door de zonde getekenden en verminkten, omdat er voor Mij geen plaats was bij u, heb ik borgtochtelijk een ruime plaats voor u."

Wat is het een groot ding, dat de onwaardigen de uitverkorenen zijn bij God. Dat God door Zijn Geest en Woord een volk vergadert door Jezus Christus van de einden der aarde. Dat Hij altijd door gesloten deuren komt en onwilligen gewillig maakt, ja zéér gewillig op de dag Zijner heerkracht door zielverbrekende en hartvertederende genade. Daar worden hongerigen onthaald aan een liefdemaaltijd van eeuwige liefde, waar zij alles uitgestald vinden wat Jezus voor hen meegebracht heeft en Hij heeft alles voor hen meegebracht. Maar al wat vol is van zichzelf en heerlijk bij zichzelf, zullen vergaan als stoppelen op het veld in het vuur in de dag van de toorn des Lams.

De wereld heeft Hem niet gekend. Kennen wij Hem? Werd Hij door genade uw Bruidegom, begenadigd volk. Hij, de Prins des hemels, die aanzoek kwam doen om uw hart en hand? O dan is ons genade geschied, omdat Hij Zichzelf begeerlijk en onmisbaar maakte voor ons. Dat is een wonder van Boven, een werk van de Heilige Geest in ons binnenste naar Gods verkiezend en aanbiddelijk welbehagen. Daar zinkt een mens weg, zeggende: Wie ben ik, dat Hij omzag naar mij? En tóch, zulk een Heiland is dit!

Och, dat ons hart naar Hem uit mocht gaan! Want deze Zaligmaker wil de uwe zijn. Het zij uw bidden en smeken, in Hem gevonden te worden en dat Hij door het geloof in uw hart mocht woning maken. Op dit gebed is antwoord, zeer positief, een antwoord, dat ligt in het verlengde van de openbaring van de arm des Heeren te Bethlehem. Verneemt het dan, want dit Evangelie is louter vreugde voor alle treurigen in Sion. En al zouden wereld, vlees, ongeloof, ja alle duivelen hun de weg versperren naar Bethlehems kribbe, zij hebben het Woord als paspoort en vrijgeleide. Die door de vlakke velden rijdt, bereidt Zelf de weg tot Hem en doet hen daarin optrekken onder de banier der vrije genade. En zij zingen: „Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga"!

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Geen plaats voor Hem

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's