De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

De Messias Israëls.

Wanneer in de Kersttijd de bekende woorden uit Lucas 2 weer gelezen en overdacht worden: „U is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere", dienen we steeds te bedenken, dat dit de Griekse vertaling is van het Hebreeuwse woord: Messias. Dat houdt meer in dan een vertaalkwestie. Achter de Messias staat het O.T. en het heilshandelen Gods, waarvan daarin verhaald wordt. Dat is in de christelijke kerk maar al te dikwijls vergeten. Hoe vaak is Christus niet gezien in het licht van onze voorstellingen en begrippen, waardoor men kwam tot allerlei Christusbeelden, maar in wezen aan de Zoon van David, de Messias Israëls voorbijging. Hand in hand met deze misvorming ging een veronachtzaming van het Oude Testament. Wij zullen in de prediking en de theologie telkens weer ernst moeten maken met Christus' eigen woord: „Onderzoekt de Schriften (het O.T.), want die zijn het die van Mij getuigen".

In het kerstnummer van Hervormd Nederland (18 dec.) schrijft ds. S. Gerssen, secretaris van de Raad voor Kerk en Israël, over deze zaken in een artikel, getiteld: De Messias spreekt Hebreeuws. Gerssen laat zien hoe in de weigering om Christus als de Messias Israëls te zien, de voornaamste wortel ligt van het antisemitisme. Wanneer Christus en Zijn volk van elkaar losgemaakt worden, stroomt het heidendom de kerk binnen. En we behoeven alleen maar aan de voorbije wereldoorlog te herinneren, om te zien waar dat op uitloopt. Christus komt van buitenaf naar ons toe. Dat roept weerstanden op. Bij de volkeren, maar ook bij Israël zelf. Gerssen schrijft in dit verband:

Christus komt dus werkelijk van buitenaf naar ons toe. Hij komt uit een andere wereld dan waarin wij plegen te denken en spreekt een andere taal. Hij spreekt niet de taal van onze moderne cultuur, maar Hebreeuws. Als wij Hem in onze eigen systemen proberen te integreren, maken wij Hem tot een gevangene.

Ons christendom wordt dan wellicht wel aanvaardbaar voor de moderne mens en het kan meedoen in de cultuur van een bepaalde tijd, maar het verkiest de ergernis en de vreemdheid van het evangelie. Wie Christus wil belijden moet om zo te zeggen een andere taal leren. Dat kunnen wij alleen wanneer de Heilige Geest ons in de Schriften onderwijst.

Nu moeten wij niet denken, dat de volkeren daar wel hun moeite mee hebben, maar dat Israël in dit opzicht in een bevoorrechte positie zou verkeren. Die Jeruzalemse rabbijn had wel gelijk, dat hij geen Frans behoefde te beheersen om de Messias te leren kennen. Daarvoor heeft hij inderdaad aan zijn moedertaal genoeg. Maar intussen zegt Hij in het Hebreeuws dingen, die een Hebreeër-van-nature evenmin verwacht en wenst als ieder ander. Wij hoeven er alleen maar aan te denken hoe moeilijk het voor de profeten was om het gehoor van hun eigen volk te krijgen. De „valse" profeten, die Israël alleen maar prezen en gelijk gaven, hadden het daarin veel gemakkelijker. De profetische boodschap is nu eenmaal principieel het tegenovergestelde van een nationale ideologie. En dat God aan Israël een koning gaf juist om het ervoor te bewaren dat het zou worden als de andere volken, wekte bij Israël vaak de grootste weerstand.

Dat is bij de komst van de Messias in het vlees duidelijk gebleken. Als Christus de bevrediging van de nationale verlangens als Zijn opdracht had gezien, had Hij algemene erkenning gevonden. Maar Hij zag zich als de Messias in de lijn van psalm 72, waarin het over de ellendigen en nooddruftigen gaat. En ook in het licht van Jes. 53, waarin de lijdende Knecht des Heren wordt beschreven. Dat vond Israël vreemd. En zo ontstond er vanzelf een vervreemding tussen Israël en de Messias van Israël, die voortduurt tot vandaag. Men kan Jezus immers alleen als Messias verstaan en herkennen vanuit de beloften Gods.

Inderdaad, ook dat element van vervreemding mogen we niet vergeten. In de weken van Advent en Kerst komen we immers ook in aanraking met dat woord uit de proloog van het Johannesevangelie over Christus' komst tot het Zijne, en — zo lezen we — de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar dit alles doet ons ook als christelijke kerk niet vrij uitgaan.

Israël heeft de Messias niet aanvaard, maar het is de kerk tot op de huidige dag niet gelukt om aan Israël duidelijk te maken, dat de Christus van haar belijdenis werkelijk de Messias der Schriften is. Wij moeten niet te gauw zeggen, dat dat verklaard zou kunnen worden uit het raadsel der verharding. Wij zullen eerst en eerder de verklaring moeten zoeken in de feitelijkheid van het christelijk misverstand.

En wij moesten eerst maar eens een serieuze poging doen om het evangelie terug te vertalen uit het Grieks of Duits of Nederlands in het Hebreeuws. Pas wanneer dat enigszins gelukt is kunnen wij verder praten. Dan komt tegelijk heel ons christendom op tafel. Is dat werkelijk de gestalte van Christus in de werkelijkheid van alledag? Of is het veeleer de karikatuur daarvan?

Onlangs stelde ds. M. Groenenberg in Hervormd Utrecht voor, de naam christelijk te vervangen door Messiaans. B.v. Messiaanse kerk en school en partij. Dat zou alleen kunnen, wanneer heel ons leven en werken doorgloeit zou zijn van de hunkering naar de voleinding van het rijk Gods. En wanneer in ons christelijk leven duidelijk zou worden, dat wij het Messiaanse lijden niet schuwen.

Een christendom, dat in de eerste plaats van het leven wil genieten en in de cultuurcentra serieus wenst genomen te worden, heeft meer met het heidendom dan met de Messias te maken. Het zou zichzelf blameren als het zich Messiaans zou noemen. En het zou voortgaan een verhindering te zijn voor Israël om de Christus Jezus te belijden als de Messias van en voor Israël. Israël zal beter dan tot dusver het getuigenis van de christelijke kerk kunnen verstaan als de kerk aandachtiger gaat luisteren naar de Messias, wie het behaagd heeft in het Hebreeuws tot haar te spreken.

Heilloos ondernemen.

In de feestbundel voor Prof. Berkouwer heeft Prof. Berkhof een boeiend artikel over de methode van Berkouwers theologie, met name over de ontwikkelingen en de verschuivingen in diens methode. Berkhof onderscheidt namelijk een drietal fasen in Berkouwers theologie. Er is zijns inzien een ontwikkeling van strenge binding aan het formele Schriftgezag naar een meer aan de heils-inhoud der Schrift georiënteerde wijze van behandeling; eindelijk als derde fase een meer existentieel verstaan van de Schrift, waarbij Berkouwer voortdurend waarschuwt tegen een overschrijding van de grenzen der Schrift, tegen speculatie, omdat dogmatische arbeid directe geloofsbezinning dient te zijn op het spreken Gods.

Het moge uit deze enkele zinnen duidelijk zijn, dat ook deze publicatie van Berkhof de moeite van het lezen en bestuderen waard is. Niet alleen in verband met de dogmatische arbeid van zijn collega Berkouwer, maar omdat de opmerkingen die Berkhof maakt de centrale vragen van de theologie raken: De aard van het Schriftgezag. De verhouding van openbaring en geloof, de betekenis van het kerygma, de verhouding van heilsfeit en heilsverkondiging enz. En zoals al Berkhofs publicaties, munt ook dit artikel uit door helderheid en eenvoud. Te eenvoudig? Dat is de vraag die in de kerkelijke pers door enkelen gesteld is, en daarom tevens de reden dat we in deze rubriek aan dit artikel aandacht schenken. Dr. Buskes heeft in het blad „In de Waagschaal" van 27 nov. kritiek geoefend op het schema van de drie fasen. Hij schrijft onder meer:

Anderzijds is het mij steeds duidelijker geworden dat Berkouwer toch zeer wezenlijk bedoelt, dogmatische problemen te doordenken en positie te kiezen, maar zijn denken is sterk anti-speculatief. Dit betekent echter niet, dat hij existentialist is geworden. Men mag m.i. het woord existentialisme niet zomaar gebruiken, wanneer het gaat om de vaste overtuiging, dat het spreken en handelen van God altijd betrokken is op de mens, die Hem in het geloof ontmoet. Dogmatische arbeid is voor Berkouwer directe geloofsbezinning op het spreken Gods, maar hij denkt er toch niet over, aan dat spreken van God grenzen te stellen vanuit onze existentie.

Berkhof geeft zelf een sprekend voorbeeld: de behandeling van de maagdelijke geboorte. Berkouwer komt tegen hen, die naar de existentiële zin van dit dogma vragen, op voor de feitelijkheid, die onze zingevingen te boven gaat: „Het zal de taak der kerk zijn duidelijk te maken, dat de weg terug is de weg naar het getuigenis van de Schrift, ook in haar mededelingskarakter, het struikelblok der ervaringstheologie". Berkhof citeert deze zin uit: „Het werk van Christus", voegt er echter aan toe: „Maar deze zin stamt uit de tweede fase".

Dat gaat mij te vlot. Zo is men bezig Berkouwer in een op zichzelf verhelderend schema van een ontwikkeling in drie fases vast te leggen. Dat schema is niet door Berkouwer ontworpen, maar door Berkhof. Juist dit stuk over de maagdelijke geboorte had voor Berkhof een waarschuwing moeten zijn. Het past niet in de derde fase en dus zegt hij: „Maar deze uitspraak stamt uit de tweede fase". Hij zou gelijk hebben als Berkouwer door die tweede fase en dus door zijn stuk over de maagdelijke geboorte een streep had gehaald. Ik geloof niet, dat Berkouwer dat doet en ik zou mij best kunnen voorstellen, dat hij tegen de schematiek van Berkhof bezwaar heeft. Die schematiek is wel verhelderend, maar men moet haar niet verabsoluteren. Men mag niet zeggen: er zijn drie fases en dus moeten bepaalde uitspraken uit de tweede fase wegvallen. Dat moeten ze, als Berkouwer zelf ze laat wegvallen. Beslissend is niet Berkhofs schematiek, maar Berkouwers werk. Men mag op zijn best zeggen: hier zitten spanningen en, wat mij betreft, tegenstrijdigheden in het werk van Berkouwer, indien men dan toch maar aanvaardt, dat deze spanningen en tegenstrijdigheden geen toevalligheden of vergissingen zijn.

Inmiddels is in het Geref. Weekblad de betrokkene zelf begonnen Berkhof van antwoord te dienen. Zoals we dat van hem gewend zijn: Op een zeer sympathieke en irenische wijze. Berkouwer sluit zich aan bij de critiek van Buskes.

„Ik ben van oordeel dat het grenzen stellen aan de openbaring vanuit onze menselijke existentie, dus vanuit de mens, een heilloos ondernemen is, dat de theologie tot anthropologie maakt. De Amsterdamse dogmaticus maakt dan enkele opmerkingen over het z.i. verwarrende gebruik van het woord: existentieel, die zeer de overweging waard zijn. Duidelijk is dat het gaat om een aanvaarden van de waarheid Gods in een oprecht en levend geloof. Maar dat is heel wat anders dan dat van de mens uit grenzen gesteld worden aan de openbaring.

We citeren Berkouwer, als hij in het nummer van 17 dec. schrijft:

Nu is dit alles natuurlijk geen verschilpunt tussen Berkhof en mij. Maar indirect raakt het wel een belangrijke zaak. Want het is inderdaad mogelijk, dat men in de prediking en in de exegese zó over dat erbij betrokken zijn van de mens gaat spreken, dat er grenzen gesteld worden aan het Woord Gods. Dr. Kuitert heeft dat de laatste tijd nogal eens aangeduid als de „filtertechniek", d.w.z. dat men alleen datgene als Woord Gods aanvaardt, wat door de filter van wat de mens over zichzelf meent te weten en van zijn gevoelens en verlangen is heengegaan. Het moet dan alles — om het wat ruw te zeggen — kloppen op onze gedachten, voorstellingen en ervaringen. Dat deze gedachten een grote rol gespeeld hebben in de theologie, is zonder meer duidelijk. Met name was dat het geval — maar daar niet alleen —in de ervaringstheologie. In de tweede helft van de 19e eeuw heeft daarna de gedachte van het „waardeoordeel" een grote rol gespeeld. Wat voor ons waarde had, was de maatstaf voor „de openbaring" en heel veel viel dan weg, omdat niet viel in te zien, hoe allerlei voorstellingen voor ons „waarde" zouden kunnen hebben. En dat zou dan de „correlatie" zijn, de betrokkenheid van de mens op de openbaring en van de openbaring op de mens. De religieuze mens met zijn heilsverlangen werd de maatstaf der openbaring.

Langs deze weg komt men tot een versmalling en een reductie van de openbaring Gods (Bultmann!)

De eigen doelstelling van de Schrift.

Maar hoe zit het dan met de betrokkenheid van de openbaring op de mens? Met de verhouding van geloof en openbaring? Hoe loopt dan de weg van de openbaring tot de mens?

In antwoord op Berkhofs analyse - een analyse, waarin Berkouwer zich niet vinden kan - schrijft Berkouwer:

Ik kan dat nader toelichten door enkele bijbelse en daarnaast confessionele voorbeelden. Allereerst herinner ik aan wat in Joh. 20 : 31 te lezen staat over de beschrijving van Jezus' tekenen „opdat gij gelooft " Daar is die beschrijving op gericht, gelijk Paulus in Romeinen 15 : 4 schrijft over de vertroosting der Schriften. Dat is een betrokkenheid, die met begrenzing niets te maken heeft, maar ons wel ertegen waarschuwt dat we niet buiten de eigen doelstelling der Schrift omgaan, omdat we dan dit doel miskennen. Dat heeft niets te maken met een „benadering" van de Schrift vanuit onze grenzenstellende vooronderstellingen, maar een respecteren van een betrokkenheid, die de Schrift zelf schept en aanwijst.

De Duitse theoloog H. Iwand heeft terecht gewaarschuwd tegen het misbruik van het „voor mij" en „voor ons" in de theologie als een reductie van de openbaring, waarin alles „anthropocentrisch" om mij, om ons zou gaan. Maar dit misbruik heft de betrokkenheid niet op en dat is echt bijbels en reformatorisch. We zien die betrokkenheid duidelijk uitkomen in de Catechismus, als daar gesproken wordt over de maagdelijke geboorte, over de opstanding en de hemelvaart van Christus. Dan treft het ons dat dan gevraagd wordt: Wat nut ons de opstanding van Christus? (vr. 45); wat nut ons de hemelvaart van Christus? (vr. 49) en wat nuttigheid brengt ons de heerlijkheid van ons Hoofd Christus? (vr. 51) en wat troost u de wederkomst van Christus (vr. 52), terwijl in vraag 36 te lezen staat: Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? Dit alles duidt op een diepe betrokkenheid en gerichtheid, die niets te maken heeft met het begrenzen vanuit ons menselijk bestaan, niets met een „filtertechniek" en niets met existentialisme.

We mogen Prof. Berkouwer dankbaar zijn voor deze toelichting. Niet dat daarmee alle vragen en spanningen, waar Buskes op doelde, verdwenen zijn. Maar juist de verwijzing naar de Heidelberger met zijn pastoraal gerichte vragen kan ons duidelijk maken, wat reformatorische en Bijbelse geloofsbezinning wil zijn. Het gevaar van de speculatie, van een doordringen in dat wat voor ons verborgen is, ligt steeds op de loer. Het Evangelie spreekt over het geheimenis dat geopenbaard is en verkondigd wordt. We zullen in alle theologische bezinning steeds weer hebben te bedenken het woord uit Deut. 29 : 29 : „De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen tot in eeuwigheid om te doen al de woorden dezer Wet".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's