De Dordtse Leerregels
L. VROEGINDEWEIJ
Hoofdstuk V, artikel 7
Want, eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere, 'vernieuwt Hij hen zeker en krachtig door Zijn Woord en Geest tot bekering, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn: vergeving in het bloed des Middelaars door het geloof, met een verbroken hart begeren en verkrijgen; de genade Gods, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen; zijn ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hunne zaligheid met vreze en beven des te naarstiger werken.
Herhaalde bekering.
Wij plegen te spreken van bekering en dagelijkse bekering. Met de eerste bedoelen we dan de wederkeer tot God, zoals die getekend is in de gelijkenis van de verloren zoon. Daar is veel onder begrepen. Calvijn spreekt immers van een bekering, die aan het geloof voorafgaat en een bekering, die op het geloof volgt. Hij bedoelt deze bekering als een voorbereiding van het geloof. De bekering, die aan het (zaligmakend) geloof vooraf gaat wordt door anderen ook wel wedergeboorte (in engere zin) genoemd. Deze wedergeboorte wordt ook wel inwendige roeping genoemd. Deze roeping, wedergeboorte, bekering gaat aan het geloof vooraf. Dat ligt in de aard der zaak.
De Reformatoren en de oudste belijdenissen verzekeren met de allergrootste nadruk, dat het geloof een gave Gods is. Zij betogen voortdurend, dat geen mens uit zichzelf geloven kan. Tot het geloof moet hij dus door de Heilige Geest worden bewogen en in staat gesteld. Calvijn schrijft: „Daar ons verstand geneigd is tot ijdelheid, kan het Gods waarheid nooit aanhangen, en daar het stomp is, is het altijd blind voor zijn licht". Daar zijn zelfs twee dingen nodig. De mens is niet alleen blind, doch ook krachteloos. Daarom: „is het ook niet genoeg, dat het verstand door Gods Geest verlicht is, indien ook niet het hart door zijn kracht versterkt en gesteund wordt".
In de leer van de roeping hebben de oude Gereformeerden steeds geleerd, dat de uitwendige roeping door het Woord alleen, 't geloof niet werkt. Daar moet de inwendige roeping van de Heilige Geest in het hart des mensen bijkomen. Het is duidelijk, dat de oude Gereformeerden een genadewerking van de Heilige Geest aannamen, die aan het geloof voorafgaat en waardoor het geloof zelf tevoorschijn wordt geroepen. En het is bekend dat b.v. Luther in de eerste tijd van zijn optreden dit schenken van het geloof aan de mens steeds met de naam „wedergeboorte" heeft aangeduid.
Het is voorts onder ons algemeen bekend, dat Calvijn meer dan eens heeft uitgesproken, dat de wedergeboorte (in engere zin) aan het geloof voorafgaat. Bij Lucas 17 : 3 lezen we „dat het levend geloof nooit sterft, omdat het in de Geest der wedergeboorte blijvende wortelen heeft". In de commentaar op Johannes 1 : 12, 13 verzekert Calvijn „dat degenen, die geloven, reeds uit God geboren zijn" Hieruit volgt ten eerste, dat het geloof niet uit ons voortkomt, doch vrucht is van geestelijke wedergeboorte. Want de evangelist ontkent, dat iemand kan geloven, tenzij hij uit God geboren is; derhalve is het geloof een hemelse gave.
Voorts is het genoegzaam bekend, dat Calvijn bij Hand. 20 : 21 het begin der bekering de voorbereiding tot het geloof noemt. Op deze eerste bekering volgt een tweede bekering. Is de eerste lijdelijk, in de tweede is de mens ook werkzaam.
Het is de bekering uit Fil. 2 : 12, 13: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven. Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen". De eerste bekering is een voorbereiding tot het geloof. De mens krijgt dan een mishagen aan zichzelf. Hij wordt in eigen oog een goddeloze en verlorene. In de voortgaande of tweede bekering openbaart God hem Christus. Daar begint het toevlucht nemend geloof. Eerst is de mens in duisternis gebracht, doch nu begint het licht te worden. Dus wordt deze mens een Jezus zoeker. Hij wordt getrokken en loopt Christus na, tot wie niemand komen kan tenzij de Vader hem trekke. (Hoogl. 1 : 4; Joh. 6 : 44). Hier is een begin van de overgang des zondaars uit de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God.
Zo wordt de zondaar gebracht tot de rust in Christus maar dan is de bekering nog niet ten einde. Daar is de dagelijkse bekering, waar we straks op terugkomen.
Doch daar is ook een bijzondere bekering na een zware zondeval of na een aanmerkelijke en langdurige verslapping en afzakking in het geestelijk leven. Over deze herhaalde bekering hebben we in de bespreking van artikel 7 gehandeld. Daar is niets, dat zo eigen is aan het leven des geloofs dan de herhaling. De zonde steekt telkens weer de kop op, de duivel gaat voort met aanklagen en verzoeken. De mens voelt zich telkens opnieuw zondaar. Dat is niet op te lossen met een verstandelijke dood-doener: we blijven nu eenmaal zondaren. Dat is alleen op te lossen met de dagelijkse beleving van onze nieuwe schuld, het dagelijkse mishagen, het dagelijks ontdekt worden ook.
M.a.w. we moeten gedurig weer met het eerste stuk beginnen. Daarom moet ook gedurig de Christus ons geopenbaard worden. Maar dat is bijzonder nodig bij afval of verval. Dan moet het eerste stuk in zijn diepte beleefd worden anders dan bij de dagelijkse bekering. In de herhaalde bekering komt de mens soms lange tijd in de duisternis te zitten. David zat er wel meer dan een jaar in, eer de profeet Nathan tot hem kwam. Van die herhaalde bekering lezen we in Openb. 2 : 4, 5: Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verlaten hebt. Gedenkt dan, waarvan ge uitgevallen zijt, en bekeert u en doet de eerste werken". Uit deze tekst is duidelijk, dat niet alleen bijzondere zonden een herhaalde bekering nodig maken. Het kan ook noodzakelijk zijn voor een gemeente als Efeze, die veel deugden heeft. Het is een kerk, die inspanning en volharding aan de dag legt. Ze zijn daar voortdurend bezig. Daarvan krijgen ze dit getuigenis: Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid". Dit laatste zegt, dat ze de tegenstand goed konden verdragen. Ze zaten niet zo spoedig in zak en as. Verder waren ze onverdraagzaam. Dit werd Efeze tot een deugd gerekend. In onze dagen vinden we het verschrikkelijk. Waarin waren de christenen van Efeze onverdraagzaam? Inzake de predikers van een onzuivere leer. Christus weet „dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, “dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden". Daar in Efeze leeft een kerk, die de ontzaglijk moeilijke kunst verstaat om waarheid en dwaling te onderscheiden. Zij laat zich niet meeslepen door lieden die zeggen, dat zij gereformeerd (apostelen) zijn, maar het niet zijn. De mannen in Efeze verdragen niet, terwille van de lieve vrede allerlei verkeerde elementen. Zo houdt deze gemeente met ernst de wacht bij Gods Woord. Wanneer een prediker afwijkt van de prediking der vrije genade en van deleer der rechtvaardigmaking door het geloof alleen en van de alleen werkzaamheid Gods, zal zij hem geduldig toetsen, maar als de dwalingen duidelijk zijn, zegt deze gemeente: neen! Wij leven in een tijd, dat veel kerken geen neen kunnen zeggen. Prof. J. H. Bavinck schrijft, dat de wereld te gronde gaat door mensen die niet neen kunnen zeggen. M.i. geldt het ook van kerken. Maar zo was het in Efeze niet. Zij kan de kwade predikers niet verdragen. De gemeente kon laster, vervolging, schande, armoede verdragen. Ze werd ook niet moe door de stille afmattende tegenstand van de vijanden, waar men in onze tijd zo moe van kan worden. Tegen de rechte belijdenis en prediking van Christus is zoveel stille, heimelijk wroetende, afmattende tegenstand, niet zozeer in de wereld als wel in de eigen kerk. Er is ook zo veel ontmoedigende afkeer op subtiele wijze. Och neen, men gunt ieder zijn standpunt, maar men is het er niet mee eens, zegt men dan. In de grond zijn velen er vierkant tegen. In de kerk is niet alleen de strijd van modaliteiten. Er zijn soms ook verschillende godsdiensten in één kerk of op één synode bijeen. Wat is dat afmattend. In Efeze hebben ze echter ook de tegenstand daar manmoedig verdragen. En toch hadden ze bekering nodig, echte diepingrijpende bekering.
En toch hadden ze nodig overnieuw hun zonde en ellende te leren kennen. Wat is een ontdekkende prediking bijbels, en telkens weer nodig. Wat is er dan nu fout? We lezen: „Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten". Men kan ook vertalen: hebt laten varen, hebt verzaakt. Dan zou er bijna iets van moedwil in zijn. De eerste liefde, staat er. Daar staat niet bij liefde tot wie. Het ligt echter voor de hand te denken aan de liefde tot Jezus Christus en tot God de Vader. Hun leven was in hun harde strijd wel erg zakelijk geworden. Daardoor kenden zij niet meer de bevinding van de zalige verrukking om de oneindige heerlijkheid van de genade Gods in Jezus Christus. In alles is de bevinding eruit. Zij voelen zich niet verloren voor God. Dat hoeft ook niet zo gepredikt te worden. Zij zijn strijders voor de waarheid, rnaar zij beleven deze waarheid niet. Zij verwonderen zich dus ook niet over Gods onuitsprekelijke gave. Wie de bevinding van zijn verlorenheid kwijt is, raakt ook de verwondering kwijt. Dan wordt ook de liefde tot het Woord minder. Misschien is men nog wel trouw in de kerk, maar het is een plicht. De liefde tot de prediking is weg. Men is immers een waar christen. Anderen hebben zondekennis nodig en anderen hebben het woord nodig. Men zoekt z'n leven in z'n christen-zijn. Men is niet arm, verbroken en verslagen meer. Als de ijver nog niet weg is, is toch de liefde tot de bevindelijke prediking weg. De ware liefde wordt geboren in de afgrond der verlorenheid. Zoveel hardwerkende kerken en personen raakten verstrikt in ongevoeligheid, zij bevinden zich niet meer ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt. Dan hoeft het nog niet eens "zo te zijn, dat zij in werkgerechtigheid verstarren. Gevolg? De kandelaar is in Efeze van z'n plaats geweerd.
Wat is eraan te doen? De herhaalde bekering is nodig. Christus zegt: „Doe de eerste werken". Dus: houd u in waarheid bij degenen, die arm en ellendig zijn. Een gemeente sterft weg, als de gemeenteleden de bevinding der drie stukken verliezen. Dan wordt het stilstaand water. Een gemeente en een enkele gelovige moet echter een rivier zijn, waarin ellende, verlossing en dankbaarheid telkens vers zijn. Daarom moet. de prediking continu de drie stukken uitleggen ook en juist voor de gelovigen. Zovelen verslappen in bevinding ook afzijn ze ijverig in organiseren en draven. Zovelen hebben dan de naam, dat ze leven, maar ze zijn dood. Het is vandaag tijd voor de herhaalde bekering, omdat men de eerste liefde verlaten heeft.
En wat is dan de dagelijkse bekering?
L.Vroegindeweij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's