De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het gezag van het kerkelijk ambt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het gezag van het kerkelijk ambt

7 minuten leestijd

Dr. H. Goedhart

Het hanteren van statistieken is een bijzonder moeilijke bezigheid. Al te gemakkelijk trekt men uit ter beschikking staande gegevens conclusies. Later blijken deze niet gewettigd te zijn, omdat met omstandigheden die niet in de statistiek verwerkt werden geen rekening werd gehouden. Ditzelfde euvel doet zich ook op het terrein van Bijbelse exegese voor. Tegenwoordig wordt vaak de betekenis van een bepaald woord of van een woordengroep in de Bijbel onderzocht. Deze methode heeft naast vele voordelen ook nadelen: zij suggereert soms feiten die niet bestaan. Bij de bespreking van de ambten treffen wij een voorbeeld van een dergelijke suggestie aan. In het (griekse) Nieuwe Testament komt een woord voor ambt niet voor, er is slechts sprake van dienst. Volgt uit dit onloochenbare feit dat het Nieuwe Testament het „ambt" niet kent? Of verschillen de functies in de oudste christelijke gemeente volkomen van wat wij een ambt noemen? Wie deze gevolgtrekking zou maken is op de ingewikkelde paden der statistiek verdoold. Sommigen vinden het echter bedenkelijk dat zowel in de episcopale (= bisschoppelijke) als in de presbyteriale (= niet-bisschoppelijke) kerken aan het ambt de „regeermacht" wordt verbonden”). Maar stemt het niet tot nadenken, dat de Hervormers het ambt als regeermacht bleven erkennen? Zij trachtten toch over het geheel radicaal met roomse tradities te breken. Ook hadden zij oog voor het algemene priesterschap der gelovigen.

Het gezag van het ambt.

Als men het verschil tussen het ambt van alle gelovigen en het officiële ambt van geringe betekenis acht en tussen de charismatische ambten en de officiële al evenmin een wezenlijk onderscheid erkent, blijft er voor het officiële ambt weinig eigens over. Als allen die een charisma (genadegave) bezitten, in de gemeente om Christus' wil gezag kunnen doen gelden, bestaat er eigenlijk geen afgrenzing meer tussen het charismatische ambt en het officiële. Er zijn in de gemeente allerlei „bedieningen" of „diensten". Zij die deze diensten uitoefenen, zijn echter niet met gezag over de gemeente bekleed. Als iemand aan een ambtsdrager wel gezag maar geen „regeermacht" wil toekennen, moeten wij erop toezien niet over een woord te strijden. Gezag, of met een vreemd woord autoriteit, is er met een verkiezing en aanstelling onmiddellijk verbonden. Wanneer een ambtsdrager geen gezag krijgt heeft zijn benoeming weinig waarde. Het „ambt" van ouderling en herder en leraar verleent een zodanig gezag als de charismatische „ambten" (b.v. die van de gave der profetie, van de gezondmaking en van de tongentaal) niet verschaffen. Dit gezag kan zeer goed als regeermacht worden omschreven.

De wettigheid van het ambt.

Het ambt in de kerk vloeit voort uit de volmacht en de opdracht door Christus aan zijn discipelen gegeven. In de gemeente moet orde heersen. Daarom stellen de apostelen als afgezanten van de Koning der kerk in alle plaatsen waar gelovigen wonen, ouderlingen aan. Zodra er in een gemeente ouderlingen zijn gekozen, kan een gemeentelid niet meer doen wat hem invalt. Op bepaalde terreinen heeft de ouderling zijn eigen werk. Het komt hèm toe dat te verrichten en niet-ouderlingen hebben hiertoe geen opdracht ontvangen. Om zulk een taak te mogen uitvoeren moet men „wettig", dat wil zeggen op een ordelijke en geldige wijze, tot het ambt geroepen zijn.

Niemand mag er zichzelf indringen. Wel noemt Paulus het opzienersambt een voortreffelijke taak. Hij deelt als een betrouwbaar woord aan Timotheüs mee, dat iemand het mag „begeren" (er staat eigenlijk „dingen naar", 1 Tim. 3:1). Maar al mag men trachten God te dienen in het kerkelijke ambt, alles moet eerlijk toegaan. Men mag geen stemmen in de gemeente verwerven door mensen om te kopen, of door aan sommige leden bepaalde beloften te doen voor het geval men verkozen zal worden. Deze orde in de gemeente steunt niet op één of andere menselijke verordening, doch berust op Gods orde. God is immers een God van orde.

De bevoegdheid van het ambt.

Wie wettig is gekozen, is bevoegd de werkzaamheden, verbonden aan het ambt, te verrichten. Wie niet is aangesteld, mist deze bevoegdheid. Hieruit vloeit de exclusiviteit van het ambt voort, dat wil zeggen dat bepaalde werkzaamheden alleen mogen worden verricht door de ambtsdragers met uitsluiting van anderen ²).

Regeermacht?

Het is onjuist aan het ambt „regeermacht" te ontzeggen of het regeren te laten opgaan in „dienen". Wij geven enkele voorbeelden, die aantonen dat het Nieuwe Testament aan het ambt een groter gezag toekent dan tal van hedendaagse theologen. Hebr. 13 : 17 luidt: Zijt uw voorgangers gehoorzaam en zijt hun onderdanig. Het voor voorgangers gebruikte woord wijst op leiding geven, hetgeen nimmer zonder bevoegdheid om te regeren kan geschieden. Ook de geboden onderdanigheid duidt macht aan. De opzieners van Efeze krijgen van Paulus de opdracht: Zo hebt dan acht op uzelf en op de gehele kudde. Dit opzicht veronderstelt toezicht en leiding, waaraan de gemeente zich moest onderwerpen. Tot de vereisten voor de opziener behoort ook het vermogen zijn eigen huisgezin te kunnen regeren. „Indien iemand zijn eigen huis niet kan regeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen (1 Tim. 3 : 5)? " Met deze woorden wil de apostel zeggen: de gemeente moet geregeerd worden; hoe zal iemand in staat zijn dit te doen, die zelfs over zijn kinderen geen gezag kan uitoefenen?  De bijzondere aard van de regering in de christelijke gemeente blijkt uit omschrijving „zorg dragen voor de gemeente Gods". Elders spreekt Paulus van „regering". Men mag dit getuigenis van de Schrift over de regeermacht van de ambtsdragers niet negeren. Ze besturen de gemeente, zij het op een bepaalde, „christelijke" wijze.

Regeren of dienen?

Het regeren in de kerk van Christus mag nimmer ontaarden in de heerschappij die wij in de staat kennen. Dit wordt vaak beklemtoond door hen die aan het ambt weinig of geen regeermacht willen toekennen. Heeft Jezus, zo vragen zij, zelf niet gezegd: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen en de groten gebruiken macht over hen. Doch zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot zal willen worden, die zij uw dienaar en wie onder u de eerste zal willen zijn die zij uw dienste knecht, gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen" (Matth. 20 : 25—28) . Uit deze woorden van Christus blijkt inderdaad, dat het gezag van de kerkelijke ambtsdragers (hier: de apostelen) een ander karakter draagt dan dat van de wereldlijke bewindhebbers. In de christelijke gemeente moet de grootste de dienaar van allen zijn. Sluit nu dit dienen het regeren uit? Zeker niet, want de apostelen (en in navolging van hen alle ambtsdra­gers) moeten dienen zoals de Zoon des mensen dit deed. Sluit het dienen van Christus zijn koningschap uit? Verhindert zijn komst om te dienen in plaats van om gediend te worden, dat Hij heerst als koning over de wereld en inzonderheid over zijn gemeente? De ambtsdragers treden in de gemeente niet despotisch op, zoals de rijksgroten vaak doen in de staat; het kerkelijk gezag draagt het stempel van de Meester. De ambtsdragers bezitten autoriteit niet om eigen wil aan anderen op te leggen, maar om de wil van hun allergenadigste Here te doen gehoorzamen.

Samenvatting.

We vatten nog kort de in dit artikel getrokken conclusies samen:

1. Uit de verkiezing van de ambtsdragers door de gemeente vloeit voort dat de gekozene gezag kan uitoefenen;

2. de orde in de gemeente van Christus vordert, dat een ambtsdrager wettig moet zijn gekozen;

3. de wettigheid van het ambt verleent er bevoegdheid aan waardoor het ambt een exclusief karakter draagt; (er zijn handelingen waartoe alléén de ambtsdrager bevoegd is);

4. het Nieuwe Testament kent aan de leiders van de gemeenten regeermacht toe;

5. het feit dat de leiders der gemeente tot dienen geroepen zijn, sluit niet uit dat zij autoriteit bezitten.

Goedhart

  ¹) G. HULS, De Vrouw in de Kerk, blz. 143, vergelijk De dienst der Vrouw in de Kerk, blz. 178.

²) Tot dergelijke conclusies kwam ook prof. dr. A. A. van RULER, „Het gezag van het ambt". Woord en Dienst VII (1958), pag. 328.

³) Hègoumenos.

4) Episkopos; Hand. 20 : 28.

5) Zie ook Fil. 1 : 1, Tit. 1 : 7; in 1 Petr. 2 : 25 wordt het woord episkopos van Christus gebruikt.

6) Kubernèsis.

7) Boven de pericoop Matth. 20 : 20-28 staat in de Nieuwe Vertaling als opschrift „Niet heersen, maar dienen". Dat is correct. Men hoede zich echter voor de verkeerde interpretatie van deze woorden, alsof dienen regeren uitsluit en alsof regeren gelijk staat met op wereldse wijze heersen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het gezag van het kerkelijk ambt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's