De volmacht in de prediking*)
II.
Hij is niet alleen de bron van alle macht, maar ook van het recht. Macht en recht zijn in Hem één. Hij stelt, geeft en handhaaft het recht. Vanuit Zijn macht en recht, dat is vanuit Zijn volmacht, handelt Hij. Niemand kan zeggen: Wat doet Gij? Heeft Hij als pottenbakker niet het recht het ene vat te maken tot eer en het andere tot oneer? Ook de schepping behoort tot Gods macht. Zo heeft Hij de macht over de natuur. Het boek der Openbaring is eén indrukwekkend getuigenis van Zijn macht over het vuur en de machten van het verderf. Ja, zelfs de macht van de satan is door Gods macht omgrensd. Zondaren worden uit de macht van de satan tot God bekeerd. Hij trekt ze uit de macht (de exousia) van de duisternis. De satan heeft macht ontvangen en tegelijk is zijn macht door Gods macht omgrensd.
Intussen heeft de Vader alle macht in hemel en op aarde aan Christus gegeven. Hij heeft ze niet genomen. Dat had Hij gekund, toen de satan Hem zeide: Ik zal U deze macht en de heerlijkheid van alle koninkrijken geven, want zij is mij overgeleverd en ik geef ze aan wie ik wil. Toen heeft Hij geweigerd. Maar Hij ontving alle macht uit de hand van de Vader. Dat wil zeggen: Hij heeft onbeperkte volmacht in overeenstemming met de wil van de Vader.
Dit houdt veel in. Hij heeft macht over alle vlees, macht om gericht te houden, geeft macht om kinderen Gods genaamd te worden; heeft macht om zonden te vergeven en macht om demonen uit te drijven.
Vooral blonk Zijn volmacht in Zijn prediking. Hij toch leerde de mensen als Een, die volmacht had (als machthebbende) en niet als de Farizeërs en Schriftgeleerden. Een en andermaal is de schare verslagen over deze volmacht. Toch loopt Christus met deze achtergrond van Zijn leven niet te koop. Op de vraag naar Zijn volmacht verbergt Hij Zich achter Zijn werk en woord. Die getuigen van Zijn volmacht en roepen tot geloof. Want, laten wij het niet vergeten, Christus volmacht staat in dienst van Gods Koninkrijk. Zijn volmacht in Zijn woord en werk is verbonden met de macht Zijn leven af te leggen en het opnieuw tot Zich te nemen. Zijn volmacht heeft kruis en opstanding nodig. Juist als Gekruisigde is Hij de kracht Gods bij uitnemendheid.
Zo veronderstelt Zijn leven goddelijke opdracht en volmacht. In deze volmacht overwint Hij alle machten en vaart ten hemel om van daaruit als het Hoofd der gemeente alle dingen te regeren en onder Hem te laten brengen.
Maar dan is er ook de Heilige Geest, die in de gemeente woont om woning te maken voor de Vader en de Zoon. De volmacht om te preken verleent God in Christus door de Heilige Geest. Daarom verbazen de mensen zich opnieuw en vragen: Vanwaar ontvangen dezen (de apostelen) de wijsheid en de macht? Let ook op de wijsheid (sofia) verbonden met de volmacht. Christus is niet alleen de kracht Gods, maar ook de wijsheid Gods! Dit betekent, dat Christus niet alleen de waarheid is, de waarheid heeft, de waarheid geeft, maar deze ook werkzaam maakt. Dat was het geheim van de prediking van Jezus Christus en van de apostelen, dat de prediking zuiver èn krachtig was.
Aan de ingang van het Koninkrijk Gods staat de noodzaak en de werkelijkheid van de wedergeboorte. Tenzij iemand wederom geboren wordt — ook onder ons — hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Evenmin als de Heere Jezus kan één onzer iets aannemen, tenzij het hem van boven gegeven wordt. Alle theorieën — van welke aard ook — ten spijt, geldt: Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden. Die zijn dan ook uit God geboren. Verleent God aan ieder kind Gods de krachtige werking van de wedergeboorte en verleent Hij de volmacht om kinderen Gods genaamd te worden, hoeveel temeer aan hen, die Zijn gezanten, ambassadeurs, predikers worden genoemd. God Zelf is met de prediking begonnen en houdt er niet meer mee op. Hij heeft het door de patriarchen en profeten laten verkondigen en in Zijn eniggeboren Zoon vervuld. Maar dit vervulde Evangelie is niet gestold, maar is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft. Daartoe stelde Christus de twaalf apostelen. Tot de volmacht, die Jezus hen gaf, behoorde: Wie u hoort, die hoort Mij, en wie Mij hoort, die hoort de Vader, die Mij gezonden heeft. Wie u verwerpt, die verwerpt Mij en wie Mij verwerpt, verwerpt de Vader, die Mij gezonden heeft.
Welke consequenties dit heeft voor de ambten kan ik nu daarlaten, al is het onderwerp actueel genoeg èn in verband met de mogelijke verruiming van de toelating van de vrouwen tot het predikambt èn met de mogelijk in de lucht hangende verandering van de structuur van onze kerkorde.
Het gaat mij over de gezagsvolle overdracht van het Woord Gods. De heraut heeft in de naam en in de opdracht van zijn koning aan het volk de woorden van zijn heer over te brengen. De Koning is de Heere Jezus Christus, het Hoofd van de gemeente, de heraut is de prediker. Dat is een heerlijk werk voor u en voor mij. Maar de eigenlijke prediker is God. Wij prediken, vermanen, bidden, roepen alsof God door ons bade, enz. Het bevestigingsformulier van de dienaar des Woords zegt dan ook tot de gemeente: Gedenkt, dat God Zelf u door hem aanspreekt en bidt. God Zelf ... !
Deze dingen met nadruk te stellen, heeft alle zin. Wanneer het „God Zelf" uit de prediking verdwijnt, wat zullen wij dan nog met onze armzalige theorieën en theologieën? Miskotte (De blijde Wetenschap, blz. 87) spreekt van de dilettanten in het rijk des geestes, die een overdreven gewicht hechten aan de vraag of iets „van deze tijd" is, „op de hoogte is van de tijd", of iemand „met zijn tijd meegaat enz." Het zijn — zo gaat hij voort — steeds de dilettanten in de kerk, die zich bekommeren over het „moderne", het telkens weer wisselend „modern" bewustzijn; dat wil zeggen voorzover dit zich normatief stelt en als zodanig erkend wil zijn, natuurlijk niet voorzover wij dit als psychische sfeer en ruimte der ontmoeting pastoraal kennen en praktisch erkennen moeten.
Het evangelie is oud. Het komt uit het paradijs. Het is jong, want God Zelf verkondigt ook nu het Evangelie. De tijd maakt geen onderscheid in het geloof. Dit zijn bevrijdende woorden in deze tijd, waarin de prediking uit de tijd zou zijn. Het is een ellendige theologie, die niet van dit: „God Zelf" uitgaat, maar van de zonen van de verloren zoon, die intussen alweer zonen hebben, de kleinzonen van de verloren zoon. En de ellendigste theologie is die, waar de stem Gods zwijgt of het zwijgen opgelegd wordt om dan zelf de eigen gedachtenspinsels verder uit te werken.
Het is bevrijdend met het Woord Gods in deze tijd te staan. Ook in het jaar onzes Heeren 1966. Laten wij ons niet van de wijs laten brengen door deze tijd, alsof deze een eigenmachtige koers zou kunnen nemen, die Christus, de Heere van de tijd uitschakelt of overbodig maakt. Dit betekent ook bevrijding van mensen, voorzover zij niet gebogen hebben voor deze Heere van de tijd en dus ook niet in hun tijd het Woord Gods hebben gesproken of spreken.
Dit betekent tegelijk gemeenschap met allen, die in hun tijd de woorden Gods gesproken hebben. Al de leraren der kerk zijn dienstknechten van Christus geweest. Dan hebben wij in Christus gemeenschap met hen. Wij denken aan Augustinus en Luther, aan Calvijn en Kohlbrügge, en zovelen meer. Ook al volgen wij sommigen van hen niet in alles, zij spraken de woorden Gods.
Dit betekent ook, dat wij uitgetild worden boven allerlei vragen en discussies, die zo moe kunnen maken, omdat het gevaar aanwezig is, dat wij de stem van God Zelf niet meer horen.
Wij hebben van ieder te leren, die ons de woorden Gods beter leren verstaan. Maar voor alles weten wij ons verbonden aan God en Zijn Woord en van daaruit aan de belijdenis van de kerk. Daarin willen wij alleen maar dienaren des Woords zijn. Daarom dienen wij ons te verzetten tegen de verlaging tot gereformeerde bondspredikanten, die gereformeerde bondsgemeenten dienen en hier en daar gereformeerde bondsbeurten waarnemen. Laten wij ons niet netjes in het modaliteitsvakje van de gereformeerde bond laten bijzetten, terwijl wij geacht worden ons te houden aan de spelregels van de huidige modaliteitenvisie. Dit zou onze dood zijn, geestelijk en kerkelijk. Hoe doornig ook het struikgewas is van de kerkelijke praktijk en hoeveel schrammen wij ook hebben opgelopen op onze tocht, wij zijn dienaren van Christus en dienen in ons vaderland met alle spanningen en strijd de Nederlandse Hervormde Kerk. In die kerk schamen wij ons niet leden te zijn van de gereformeerde bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid.
Wordt vervolgd
*) Openingswoord van de Contio van Hervormd-Gereformeerde predikanten te Woudschoten op maandag en dinsdag 3 en 4 januari 1966.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's