De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In Gesprek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In Gesprek

6 minuten leestijd

Nu het jaar 1966 zijn intrede deed, worden overal de begrotingen van inkomsten en uitgaven gereed gemaakt. Men moet immers ten naasten bij weten, waar men financieel aan toe is. Ook de kerkvoogden zijn gaan rekenen. Op hun begroting trekt een sterk verhoogde post de aandacht: het quotum. Deze verplichte bijdrage werd meer dan verdubbeld.

Naast het quotum kent onze kerk het zgn. collecte-plan. Daaruit werden de kosten bestreden, voor het breed opgezet en zich nog steeds uitbreidend kerkewerk, dat de nieuwe koers der kerk met zich meebracht. Vele gemeenten hielden deze collecte niet! Gebrek aan offervaardigheid? De feiten leren gelukkig anders. Er zijn overwegende bezwaren tegen een groot deel van dit kerkewerk, bezwaren die mettertijd toegenomen zijn. Wat toch is het geval? In onze hervormde kerk, is een partij — het klinkt wat onvriendelijk, maar ik heb er geen ander woord voor — aan de macht, die overal de lakens uitdeelt. In pers en radio, commissies en rapporten, kortom bij alles wat in naam van de kerk gezegd en gedaan wordt, komt men met de mening van deze partij in aanraking. Anderen komen er niet aan te pas. Hoewel deze meerderheidspositie mij niet geheel gerechtvaardigd lijkt, weet de heersende partij overal haar stempel op te zetten. Bovendien zou er heel wat te klagen zijn, over de „partijdigheid" waarmee zij oordeelt en handelt.

Het is haar eer, veel werk ter hand genomen te hebben. Maar dit werk, gemeten aan de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en de gemeenschap met de belijdenis der vaderen, roept bij ons vele bedenkingen op. Vandaar, dat wij er niet aan konden bijdragen. Dat was aanvankelijk de bedoeling ook niet; men stelde prijs op vrijwilligheid. Dat een duidelijke scheiding tussen bestuurskosten, die uit het quotum, en andere kosten, die uit de collecte, betaald moesten worden, achterwege bleef, geeft te denken.

Pecunia nervus rerum. Het geld is de zenuw der dingen. Blijkbaar zijn de vrijwillige bijdragen niet voldoende. Er wordt nu naar een ander middel gegrepen: Het quotum wordt verhoogd. Iedere gemeente wordt voor een fors bedrag aangeslagen! Dat bedrag moet er komen. Wat een gemeente nu bijeenbrengt voor het collecteplan, gaat van dit bedrag af. Met andere woorden: Het quotum is de stok achter de deur, voor het collecteplan. Houdt de gemeente de synodale collecte niet, geen nood, de kerkvoogdij moet het ontbrekende aanzuiveren. Ik moet zeggen: Niet erg fraai! Pecunia non odet. Geld stinkt niet. Maar aan het geld dat de kerk zodoende binnenkrijgt zit toch wel een luchtje. Wat zullen de gemeenten doen? De collecten houden? Ze zijn daartoe wel genoodzaakt, al zou het aanbeveling verdienen, er een extra kerkvoogdij collecte van te maken en dan liefst niet op Oudejaar en Pasen, waarop andere collecten vanouds gebruikelijk waren.

Het heeft mij verbaasd, dat deze nieuwe regeling — tot billijker verdeling van de lasten, naar het heet — zo weinig protest uitlokte. Zouden de classes zich hierover niet eens beraden? Want wat zedelijk niet verantwoord is, mag toch niet billijk genoemd worden. De hele ontwikkeling geeft trouwens aanleiding, om voorzichtig te zijn.

Allereerst: Wij worden allen gedwongen, bij te dragen aan arbeid, die soms overbodig is en vaak anders diende te geschieden. Wie in gemoede overtuigd is, dat veel kerkewerk, meer kerkafbraak, dan kerkopbouw betekent, omdat de norm van Schrift en belijdenis, niet functioneert, zal daar terecht bezwaar tegen hebben. Waarom wordt met deze bezwaren niet gerekend? En waarom trekt men de financiële consequenties niet uit de zo hoog geroemde modaliteitenvisie? Ik weet wel, dat dit geen eenvoudige vragen zijn. Maar, wanneer de koorden van de beurs steeds strakker worden aangetrokken, dienen ze toch eens aan de orde te komen. Tenslotte is de Hervormde Kerk geen firma, waarvan de hervormde gemeente een filiaal is! De gemeente heeft haar eigen zelfstandigheid en haar eigen verantwoordelijkheid, ook in het houden van collecten.

Vervolgens: Er komen "steeds meer „vrijgestelden". Predikanten, secretarissen, personeel. Dat woekert, met een eigen wetmatigheid voort in onze kerkelijke samenleving, en ieder, die op de hoogte is, weet wel, dat dit voor uitbreiding vatbaar is, en menigeen, ook onder de predikanten, daar wat toekomst in ziet. Mij dunkt, dat hieraan hoognodig een halt moet worden toegeroepen. Er is geen reden te veronderstellen, dat de generale financiële Raad, deze ontwikkeling bevordert; integendeel, ik heb de indruk dat zij die, bij zorgvuldige overweging, afremt. Maar, als de weg van de minste weerstand, tot het verkrijgen van geld, gevolgd wordt, lopen wij gevaar, dat die remmen worden losgegooid. En de ervaring is echt niet van dien aard, dat wij daar gelukkig mee zouden zijn. Zou men trouwens in de gemeente navraag doen, dan zou blijken, dat over de hele linie, daarop weinig prijs gesteld zou worden!

Tenslotte: Steeds meer geld vloeit uit de kerkvoogdij kas, naar de kerkekas! De plaatselijke gemeente, is de eigenlijke gemeente. Daar klopt het hart van de kerk, die vormt de ruggegraat van de kerk. Het is geen geheim, dat vele kerkvoogdijen moeite hebben, de eindjes aan elkaar te knopen. De inkomsten houden geen gelijke tred met de gestegen welvaart, of met de gestegen uitgaven. Gevolg: predikantsplaatsen komen in het gedrang. Dat geldt van de kleine gemeenten. Een vraagstuk apart, in deze tijd. Het zou toch te betreuren zijn, als ze voor een groot deel, verdwenen. Het zou de kerk echt niet ten goede komen. Ook bij combinatie blijkt dat twee meer is dan één! Dat geldt evengoed van grote gemeenten. De uitbreiding van het aantal predikantsplaatsen houdt vooral daar geen gelijke tred met de bevolkingsaanwas. De steden zijn zonder meer onderbezet!

Nu de verplichte bijdragen van de kerkvoogdij worden opgevoerd — en verdubbeld, dat is nogal wat — gaan ze een hele som belopen. Da kerkvoogden zullen minder geneigd zijn, een predikantsplaats te stichten. Wij komen zodoende in een vicieuze cirkel terecht. Want de gemeente, en steeds meer de meelevende gemeente, moet de gelden bij elkaar brengen. Wordt de gemeente niet voldoende bearbeid, dan wreekt zich dat in de inkomsten. Men is, zonder het te merken, bezig de kip te slachten, die de eieren legt. Die kip mag echt wel eens, verontrust, kakelen! Vooral, wanneer het geld, kerkelijk gesproken, beter besteed kan worden, aan het kerkewerk in de gemeente, aan de arbeid der zending, en aan doeleinden waar wij achter kunnen staan, dan dat we het naar kassen zien weg­vloeien.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

In Gesprek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's