De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

het gebed in de stilte

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

het gebed in de stilte

6 minuten leestijd

En des morgens vroeg, toen het nog diep in de nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit en ging henen naar een woeste plaats en bad aldaar. Markus 1 : 35.

Wij hebben allen de verkeerde neiging onze eigen moeilijkheden als heel bijzonder te beschouwen. De problemen waarvoor onze tijd ons plaatst, komen ons soms zó buitengewoon voor, dat wij wanen geheel anders te zijn dan vorige geslachten. Neem b.v. onze houding tegenover de drukte van het moderne leven. Van de mensen uit vroegere eeuwen hebben wij de voorstelling dat ze een heel rustig leven leidden. Maar ook in andere tijden zaten sommigen tot over de oren in het werk. Uit de hierboven afgedrukte tekst vernemen wij hoe de Here Christus reageerde op een dag van onafgebroken arbeid. Daarin zijn raadgevingen te vinden voor hen die overbelast zijn, mits zij naar Jezus willen luisteren en zijn voorbeeld willen volgen.

Hoe wonderlijk het ons misschien in de oren klinkt: Jezus had een drukke dag achter de rug; en het was nog wel sabbat geweest. Markus vertelt ons, dat de Meester op vrijdag zijn twaalf leerlingen had uitgekozen en tot zich geroepen. Dit was zonder twijfel een gewichtig ogenblik voor de Heiland tijdens zijn openbaar optreden. Toen was de sabbat aangebroken. Hij had in de synagoge gepredikt en in de samenkomst had een man stoornis teweeggebracht door luid te roepen. Een onreine geest waardoor hij was bezeten, verwekte die opschudding tijdens de toespraak van de hoogste Profeet. Christus had zijn goddelijke kracht getoond en de onreine geest uitgedreven, zodat de rustverstoorder werd genezen. Uit de synagoge gekomen betrad Hij het huis van Petrus, één van zijn leerlingen. Diens schoonmoeder lag met koorts te bed en de aanwezigen deden een beroep op de wonderkracht des Heren. Hij genas de zieke, die terstond kon opstaan en het gezelschap dienen. Nauwelijks was met zonsondergang aan de sabbat een eind gekomen, of men bracht vele zieken tot Hem. Er ontstond zo'n gedrang, dat het kleine huisje lang niet allen kon bevatten; ook op de straat vóór de deur heerste een geweldige drukte. Midden tussen pratende en gesticulerende mensen, in de grote warmte en benauwde atmosfeer die door de opeenhoping van zieke mensen ontstond, moest Jezus zijn Messiaanse werk doen. Hoewel Hij niet alleen mens, maar ook God was, gevoelde Hij toch naar zijn mensheid de ongemakken des levens even werkelijk als ieder ander. Eerst heel laat keerde de rust in de woning terug; de laatste vreemde verliet het huis waarin zoveel wonderen waren gebeurd. Eindelijk konden allen de matrasjes tevoorschijn halen en gaan slapen op de vloer.

De hierboven staande tekst bericht ons wat er later in die nacht gebeurde. Toen allen nog in een geruste slaap verzonken lagen, stond de Here Jezus stilletjes op. Het was „vroeg in de nacht", dat wil zeggen: tijdens de vierde nachtwake, die van drie tot zes uur duurde; „zeer vroeg" betekent: in het begin van deze tijdsruimte. Om even na drie uur in de nacht stond de Meester op en voorzichtig, zonder de anderen in hun nachtrust te storen, opende Hij de deur, sloot die weer zachtjes achter zich en verliet het huis. Daar lag de straat, rustig nu, in het nachtelijk donker. Door de smalle straatjes van Kapernaüm begaf Hij zich, kalm wandelend, naar de velden die het plaatsje omringden. In het ochtendgloren was er tussen akkers en boomgaarden nog wel een stil plaatsje te vinden.

Daarheen richtte Hij zijn schreden. Hier zou Hij straks onttrokken zijn aan de blikken van de landbouwers die naar de akker zouden komen en aan 't werk gaan. Hij knielde neer. Op dit woeste en eenzame plekje bad Hij. Hij was een tijdlang in gebed; zó zou men de tekst kunnen vertalen. Terwijl de bewoners van Kapernaüm voor de moede leden nog verkwikking zochten in de slaap, begeerde Jezus midden in het drukke werk de gemeenschap met zijn Vader.

Laten we over wat ons hier in het Evangelie wordt medegedeeld een ogenblik nadenken.

Jezus bad steeds, voordat Hij een beslissing nam die voor de voortgang van het Koninkrijk Gods belangrijk was. Zo bad Hij b.v. nadat Hij was gedoopt door Johannes, vóórdat Hij zijn apostelen verkoos, vóór de verheerlijking op de berg, vóór de opwekking van Lazarus en vóór zijn gevangenneming in Gethsemané. Zijn bidden is altijd in het voordeel van zijn volgelingen. Wie rust wil vinden, moet niet op zijn eigen gebed vertrouwen, doch slechts op het werken en bidden van de Verlosser. Overdenkend wat de tekst ons te zeggen heeft, moeten wij een juiste volgorde in acht nemen. Jezus' gebed is ons ongetwijfeld tot voorbeeld, maar eerst moeten we bedenken dat Christus de Verlosser van zijn gemeente is. Zijn bidden is reddend. Hij bidt geheel anders dan zijn gelovigen. Wij moeten, in ons gebed immer onze schuld voor God belijden. Wij hebben als zondaren, als overtreders van Gods heilige wet, geen enkel gunstbewijs verdiend. Het gebed van Christus bevatte geen schuldbelijdenis. Hij naderde niet als zondaar, zelfs niet alleen als rechtvaardig mens tot de hemelse Vader, maar als diens eigen goddelijke Zoon. Wie zich in het drukke leven wil handhaven, moet leren als veroordelenswaardige zondaar te leven door het geloof in Christus en te steunen op zijn verzoenende offerande.

Slechts vanuit dit geloof kunnen wij Christus, die ons tot voorbeeld is, navolgen. Als wij het dagelijkse werk bijna niet meer aan kunnen, als we geen enkele manier weten om de last van het leven draaglijk te maken, staat de weg naar boven nog open. Wij moeten voor ons dagelijks werk achter Christus aan, kracht zoeken in het gebed. De managerziekte zou minder voorkomen, als er meer werd gebeden. Het euvel waarvan wij in de gejaagdheid die ons eigen is, het meest te lijden hebben, is de lust om alles zelf te besturen, de overtuiging, dat niemand zo goed is als de baas zelf. Wij moeten leren op drukke dagen tijd uit te trekken voor de godsdienst: Schriftlezing en gebed. Dat is geen verloren tijd, doch louter winst. Wij leren daardoor dat wij onze bekommernissen niet zelf kunnen dragen; ook dat wij dit niet behoeven te proberen: wij mogen ze gelovig op God afwentelen: Hij zorgt voor de zijnen. Om waarlijk op God te kunnen vertrouwen, is waarachtige bekering nodig: het uit handen geven van het stuur, omdat wij als zondaar leren onze afkerigheid af te leggen en als schepsel de ons toekomende plaats in te nemen.

Ook voor de arbeid in het Koninkrijk Gods is het gebed het middel om het werk te kunnen volhouden. De kerkelijke ambtsdrager zou wellicht minder spoedig overwerkt raken als hij meer bad. Luther zei eens: „Ik heb vandaag heel veel te doen, ik moet lang bidden!" Wie de richting aangeeft voor anderen, heeft zelf behoefte aan leiding. Naast het gemeenschappelijke gebed hebben wij ook het persoonlijke nodig. Zonder particulier gebedsleven zal gezamenlijk bidden ons weinig van nut zijn. Maar wie op een eenzame, rustige plaats pleegt te bidden, zal sterk zijn in God.

H. Goedhart

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

het gebed in de stilte

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's