Kerknieuws
Beroepen te:
Ugchelen C. van Gelder te Tricht — Papendrecht A. Gooijer te Wezep — Lopik P. M. Breugem te Achterberg — Gameren A. J. Wijnmaalen te Maartensdijk — Oudenbosch-Kruisland, Ouden Nieuw Gastel (toez.) vic. H. Faas te Meppel — Gouda (vac. H. van den Akker) W. Hoogendoom te Medemblik — Heemstede (toez.) J. A. van Boven te 's-Gravenhage-Loosduinen.
Aangenomen naar:
Ede (vac. E. F. Vergunst, toez.) A. den Hartogh te Bodegraven — Ameide P. J. Bos te Sprang — 's-Gravenhage-Loosduinen (vac. W. van Beem), A. H. Lentz te Zeist — Warmond J. M. Snijders te Hekelingen — Huizen (N. H.) (vac. G. H. van Kooten) D. v. d. Berg te Veenendaal.
Bedankt voor:
Scheveningen (vac. J. J. Poldervaart) L. J. Bloemsma te Ommen — Jaarsveld (toez.) P. van Dieren te Heusden — Nieuw Amsterdam (toez.) A. Griffioen te Oudega (H. O.) — Gouda J. J. Duvekot te Deurne.
J. H. Schrijver.
Onder voorzitting van prof. dr. H. Jonker, heeft de heer J. H. Schrijver, theol. cand. te Utrecht, zijn proefpreek gehouden op 20 jan. j.l. in de Geertekerk te Utrecht over Handelingen 4 : 20. Als paranymphen fungeerden de heren N. Shepherd, B. D., Th. M., theol. Drs., en J. R. Eekhof, Vet. stud.
Harderwijk.
Ds. C. V. d. Boogert te Harderwijk gaat 1 april met vervroegd emeritaat wegens gezondheidsredenen. Ds. v. d. Boogert, die in 1903 werd geboren, aanvaardde 5 aug. 1934 zijn ambt te Zuid-Beijerland. Hij diende de gemeenten van Ridderkerk-Slikkerveer en deed 22 mei 1949 intrede te Harderwijk. Tal van jaren was hij praeses van de classicale kerkvergadering te Harderwijk. Hij behoort tot de modaliteit van de Geref. Bond.
Benthuizen.
Op oudejaarsavond ontving de kerkvoogdij een extra gift van duizend gulden. In de oudejaarsavond collecte voor de Herv. Geref. Em. pred. wed. en wezen was o.m. een gift van ƒ 150, —.
IJsselmuiden-Grafhorst.
Op Oudejaarsavond ontving ds. Jongerden een gift van ƒ 1.000, — voor de kerkvoogdij.
Synode Geref. Kerk en C.N.V.
In het rapport over „Zondagsarbeid" als verzoek van het C.N.V. werd door de synode uitgesproken, dat de gemeenteleden zich niet zonder meer aan noodzakelijke zondagsarbeid moeten onttrekken. Zij dienen vanuit de navolging van Christus solidair te zijn met de medemens. Maar tevens worden de kerken opgeroepen om speciale pastorale zorg te besteden aan hen, die zondagsarbeid verrichten. Uitgesproken wordt dat bij de beoordeling van de wenselijkheid of noodzakelijkheid van zondagsarbeid, men zich twee dingen moet afvragen:
1. Wordt het welzijn wezenlijk gediend van hen die bij deze arbeid betrokken zijn, en
2. wordt de samenleving gediend.
Maar de uitspraken richten zich niet alleen op de kerken. Er is ook een opdracht voor het bedrijfsleven. Op hen die verantwoordelijkheid dragen voor de technische en economische ontwikkeling van het bedrijf, moet een beroep worden gedaan om de technische ontwikkeling in dienst te stellen van de vrijmaking van de zondag.
Tevens wordt gezegd dat wanneer iemand „door op de zondag arbeid te verrichten, geestelijk schade lijdt, doordat hij meent zijn geweten geweld aan te doen of wanneer zijn gezin de spanningen die deze arbeid met zich meebrengt, niet kan verwerken of ook wanneer de onregelmatige diensten lichamelijk en psychisch nadelige gevolgen voor hem en zijn echtgenote met zich meebrengen, het voor hem raadzaam is ontheffing te vragen".
Reeds eerder is het rapport tot de conclusie gekomen dat op grond van de Heilige Schrift de zondagsarbeid niet kan worden verboden of als zondig kan worden gekwalificeerd. Sociale, economische en technische factoren kunnen zondagsarbeid wenselijk, misschien wel noodzakelijk maken, wordt er gezegd.
(Rotterdammer.)
Over de vrouw in het ambt werd o.a. (naar de Rotterdammer) het volgende uitgesproken:
De Geest van Christus herstelt de vrouw geheel in haar volwaardige positie als mens Gods. (Gal. 3 : 28) en integreert haar als zodanig volkomen in het dienstwerk tot opbouw van Zijn gemeente. Het kan een verschraling van het leven van de gemeente betekenen als de aan de vrouw tot welzijn van allen verleende genadegaven bij de institutaire opbouw van de kerk verwaarloosd zouden blijven. Met de haar geschonken gaven mag de vrouw medewerken in de ambtelijke dienst, zoals deze in zijn geheel tot leiding van de gemeente is geroepen.
Deze drie uitspraken zijn een inleiding tot de belangrijkste vierde conclusie:
Bij de opening van de toegang tot het ambt voor de vrouw dient haar een volwaardige plaats naast de man te worden ingeruimd, overeenkomstig het beginsel van wederzijds aanvullend deelgenootschap in een gezamenlijke taak.
Dit principe-besluit gaat verder dan het besluit dat de Hervormde synode in 1958 met 27 tegen 24 stemmen nam. Zij stelde alleen de ambten van ouderling en diaken open. De Gereformeerden spraken over alle drie de ambten op dezelfde wijze. In principe kan de vrouw dus ook op de Gereformeerde kansel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's