De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 7, artikel 7
L. VROEGINDEWEIJ
Hoofdstuk V, artikel 7
Want, eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere, vernieuwt Hij hen zeker en krachtig door Zijn Woord en Geest tot bekering, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn: vergeving in het bloed des Middelaars door het geloof, met een verbroken hart begeren en verkrijgen; de genade Gods, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen; zijn ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hunne zaligheid met vreze en beven des te naarstiger werken.
DAGELIJKSE BEKERING.
Het slot van art. 7 uit hoofdstuk V der Leerregels stelt, dat de val in en de opstanding uit bepaalde aanmerkelijk grote zonden, daartoe meewerken, dat Gods kinderen „voortaan hun zaligheid met vreze en beven des te naarstiger werken". Dat is een noodzakelijk iets. Een mens is van nature een zondaar, ook na de wedergeboorte. De oude mens is niet ineens gedood. Daarom schreef de apostel Johannes over de kinderen Gods: Indien iemand zegt, dat hij geen zonden heeft, die bedriegt zichzelf, en de waarheid is niet in hem". (1 Joh. 1:8). Deze tekst ziet niet op het verleden, doch op het heden van de christen, anders zou er moeten staan: Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben. Wij hebben een onuitsprekelijk verdorven natuur, die ons steeds geneigd doet zijn tot alle kwaad. Daarom moet de Avondmaalsganger zich bij iedere viering overtuigen, dat hij een mishagen aan zichzelf heeft. Als dit mishagen er niet is, als een gelovige geen walg van zichzelf heeft, dan is hij een christen met een kwijnend leven. Dan is hij in een soort geestelijke bewusteloosheid. Of hij is een schijngelovige. Die innerlijke vernedering mist het praat-en mondchristendom, dat zo erg uit de hoogte spreekt.
Maar kan men dan telkens weer door zonde besmet worden en toch vrolijk in Christus roemen? Neen, dat kan niet, tenzij Gods kind over de bedreven zonde verootmoedigd is en opnieuw de vrijspraak heeft ervaren. „Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd En in mijn ziel de ware rust herboren".
Zonde vraagt om berouw en bekering, d. i. een zich afwenden van dit kwaad, voorts om een verlangen naar het bloed van Christus en een werkelijke toe-eigening daarvan.
En als nu de gelovige maar voortdoolt, misschien wel elke dag een algemene schuldbelijdenis doet — woorden zijn goedkoop —, maar zich niet bijzonder voor dit bepaalde kwaad vernedert en niet zich van deze boosheid afkeert, wat dan? Dan komt er een afstand tussen God en zijn ziel. Zijn bidden en lezen en andere oefeningen worden een plichtwerk, een verstandswerk. God is eruit. Alles is intact, maar God is eruit. Men kan het in de psalmen vinden. „O Heere, waarom staat Gij van verre? Waarom verbergt Gij U? " (Psalm 10 : 1).
Een gelovige, die de nabijheid Gods geproefd en gesmaakt heeft, zegt dan: Het is alsof ik een onbekende God aanroep. De Heere is wel nabij degenen, die Hem vrezen, doch niet nabij degenen, die zich verharden. Het is opmerkelijk, dat in deze donkerheid der ziel het verstand vaak nog wel helder werkt, maar het doet de mens zo weinig. De smaak is er af. Hij ziet de grote dingen Gods niet in hun waarde. De liefde tot de zonde heeft de liefde tot God en Zijn reddende werken verdrongen. Denk over die liefde tot de zonde niet gering. Waarom slaat u mij, vroeg Getrouw aan Mozes. Het antwoord luidde : Om uw verborgen liefde voor de oude Adam. Daar zijn wel ware christenen, wier geloofsleven ziek is, zodat zij door de gebondenheid aan wereld en zonde en door een openstaande schuld niet genieten, wat hun van God geschonken is. Het is in de grond alles maar smakeloos voor hen, ook al is het, dat zij naar buiten veel en rechtmatig van de dingen kunnen spreken.
Wat is nog meer een gevolg van de openstaande schuld? Daar is geen gemeenzame omgang met de Heere Jezus. Als er geen schuld op de consciëntie ligt, handelt de ziel met Jezus als een bruid met haar bruidegom. Maar zonde, zonder verootmoediging en echte gelovige wederkeer, brengt vrees en achterdocht in de ziel. De mens steekt wel de hand des geloofs uit om Jezus aan te grijpen, docht die hand keert ledig terug.
Zonde zonder verootmoediging en gelovige wederkeer maakt ook, dat de ziel er weinig voldoening in vindt om aan God te denken. Het zit niet goed. Er ligt een schuld en dus is de ziel zonder geestelijk vermaak. Wat wordt een gelovige hiervan? Hij wordt wispelturig. Daar is geen vaste lijn meer in zijn leven. Een gelovige — als hij goed gesteld is — is op God gericht met heel z'n leven. Maar als de zonde ons van de Heere enigszins vervreemdt, dan doet zo'n gelovige met de wereld mee en jaagt duizend ijdelheden na. Hij zoekt rust bij de bronnen, waar ook de wereld het zoekt. En al die bronnen roepen: bij ons is het niet.
Nu ziet hij tegen het H. Avondmaal op als tegen een berg en de oefening van zijn plichten trekt hem niet. Hij heeft weinig lust in de wegen des Heeren. De zonde ligt ertussen. Hij moet zich van die zonde tot God bekeren. Zonde zonder ware verootmoediging en gelovige wederkeer maakt ook krachteloos tegen nieuwe zonde en begeerlijkheid. De oude mens wordt sterker. Wanneer de mens werkelijk Christus heeft aangenomen — hebben alle lezers van ons blad dit gedaan? — dan kan hij tot zijn liefste begeerlijkheden zeggen: aak dat je wegkomt. Maar wee deze held als hij over een zonde niet opnieuw verootmoedigd is. Hij is machteloos. Gevolg is, dat ook de genademiddelen weinig nut doen. Men kan gerust zeggen, dat het met de gelovige, of wie ook, heel slecht gesteld is, als de prediking van het Woord weinig of geen nut doet. Het is net als in het natuurlijke leven: et is met de mens niet in orde als hij geen nut uit zijn voedsel heeft. Soms geeft men de dominees de schuld. Men zegt: hadden we zulke dominees, zulke echte predikers maar, dan was er hoop. Maar ook onder hun bediening wordt men hoe langer hoe onvruchtbaarder. Wat is de reden? Het hart ligt onder een schuld. Daarom is er telkens weer een wederkeer, een „dagelijkse" bekering nodig. Waarin bestaat deze? Hoe werkt de mens zijn zaligheid? De gelovige werkt zijn zaligheid, als hij weer opnieuw de zonde als een vreselijk kwaad ziet met dodelijke gevolgen. De zonde draagt een masker, zij lijkt voldoening gevend. Maar zij baart de dood. Het gaat goed als de mens telkens weer de dwaasheid der zonde begint te zien. Zonde is een groot gevaar met een ingebeeld vermaak. De kerk zegt in Jes. 59: Onze ongerechtigheid kennen wij". Dat is goed en als het goed is leidt dit tot een hernieuwd schuldbesef. Huichelaars en tijdgelovigen zijn hier zo gemakkelijk in. Zij leven de hele dag in hun begeerten en bezoedelen zich met veel kwalijke dingen en dan bidt men 's avonds: Vergeef ons onze zonden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren". Misschien doet men een iets langere belijdenis. Maar klaar is Kees. En zo kan men de volgende dag weer beginnen. De rechte droefheid over de zonde en de hevige strijd ertegen, is er niet bij. De dagelijkse bekering betekent, dat we onze zonden steeds voor ogen hebben. Dat zijn dan ook zonden met naam en toenaam. Is het genoeg het kwaad te zien en te belijden? Neen, want de echte dagelijkse bekering maakt de ziel uiterst gevoelig over het bedreven kwaad. Daardoor verfoeit de mens zichzelf en beweent z'n verdorvenheid. Ps. 119 : 25 zegt: Mijn ziel druipt weg van treurigheid". Bekering betekent, dat de ziel voor de Heere diep verootmoedigd wordt en het hart verbrijzeld. Als een worm kruipt zij voor de voetbank van Gods voeten, met de begeerte: at de Heere naar een dode hond wilde omzien. Tot de „dagelijkse" bekering behoort ook, dat 's mensen geest op een doordringende wijze de bitterheid van die zonde proeft, waarover hij de verzoening door Christus' bloed begeert. In Jer. 2 : 19 lezen we: Uw boosheid zal u kastijden en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij de Heere uw God verlaat". Het is vaak de tegenstelling, die de mens bedroeft. Aan de ene kant is er de goedheid en barmhartigheid Gods. Daar stelt de mens dan de ongehoorzaamheid tegenover.
De Schrift spreekt daar reeds van in Jer. 2 : 31: O, geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heeren Woord! Ben Ik Israël een woestijn geweest? Of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan mijn volk: wij zijn heren en wij zullen niet meer tot U komen? " Gods kinderen weten welk een smart het veroorzaakt tegen een goeddoend God gezondigd te hebben. Doch er is nog wat. Wanneer zonde verwijdering heeft gebracht, zit de ziel in duisternis. Maar een gelovige hoort in het licht. Hij was eertijds duisternis, doch nu is hij licht in de Heere. De zonde ver donkert echter het leven. De afgeweken gelovige placht de weergaloze schoonheid van Christus te zien. Door de zonde moet hij dat nu missen. Nu proeft hij de bitterheid van de zonde als zonde. Dit is nodig om de ziel meer te scheiden van de ongerechtigheid. Het is een hele reis om van een beginnend gelovige een geoefend gelovige te worden. De tijdgelovige haat de zonde om de straf. De ware gelovige leert de zonde haten om de zonde. Dit laatste hoort ook tot de dagelijkse bekering. Zij bestaat ook daarin, dat in de ziel groeit een diepe en volkomen haat tegen de zonde ook tegen de allerliefste boezemzonde. Met een eerlijk hart kan de gelovige zich stellen voor des Heeren Aangezicht, betuigende, dat hij niets liever zou willen, dan dat de zonde in hem gedood werd. Hij beschouwt de zonde als de doorn, waarmee Christus gekroond werd. Het gezicht daarvan ontroert hem hevig. Een gelovige heeft dus in zijn wederkeer een verfoeiïng van de zonde en van de gelegenheid daartoe. Voorts behoort tot de daad der „dagelijkse" bekering een gulle belijdenis van zonde. Men wil ook de bijzonderheden der schuld belijden. Daar is meer een neiging om het kwaad te vergroten dan om het te verkleinen. De gelovige bukt in deze wederkeer ook laag voor de Heere. Hij aanvaardt Gods kastijding. Hij belijdt de schuld niet om van de straf af te komen, doch om de rechtvaardigheid van de straf te belijden. Zo veroordelen de wederkerende gelovigen vrijwillig zichzelf zeggende: De Heere is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond wederspannig geweest". Klaagliederen 1 : 18. Maar in die weg wordt de gelovige gebracht in de binnenkamer van Gods liefde in Christus. „Daar wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd". Wij hebben telkens een nieuwe openbaring van Gods gunst nodig, van de genadeweg, die de Vader uitgevonden heeft en die God de Zoon door Zijn bloed geopend heeft.
Het is dus niet zo, dat de mens zichzelf het voorgaande toepast of uit Christus neemt. De ziel vindt alleen rust als de Heilige Geest uit de Zaligmaker neemt en het haar geeft. Wat is dus: Zijn zaligheid werken? Dat is een diepe indruk hebben, steeds weer van de hatelijkheid en de bitterheid van de zonde ook van de kleinste. Voorts is het de last der schuld dragen, zodat de schuld ons doet wenen en onze Rechter om genade bidden. Dan is het ook, dat men de last dier schuld niet kwijt raken kan, zolang God niet in de genadeweg inleidt. Moet dit nu altijd even lang duren? Dat hoeft niet. De mens kan in korte tijd tot nieuwe genade komen. Daar hangt veel af van de werkelijke ernst van zijn herhaalde schuldbelijdenis en van de werkelijke haat tegen de zonde. Daar is in elk geval geen andere weg om tot nieuwe blijken van Gods gunst te komen dan de weg van zondekennis, droefheid, belijdenis, openbaring van Christus: door verootmoediging en met een verbroken geest tot Jezus' bloed komen. Ook de terugkeer uit min of meer kleinere afwijkingen vraagt om deze weg. Is er enig nut te noemen, dat de gelovige put uit zijn herhaalde afwijkingen?
Alle dingen werken mee ten goede voor hem. In dit geval leren wij, dat we heel ons leven bewaard moeten worden en bekeerd moeten worden. Wij worden geheel afhankelijk. We verstaan, als gelovigen, dat we van onszelf niet één ogenblik zouden kunnen bestaan. We gaan niet meer staan en roemen in eigen kracht. Ook oordelen wij veel milder over anderen, die gevallen zijn. Genade maakt nederig, niet hoogmoedig. Zo worden wij ook banger voor de zonde: wetende dat in ons geen kracht is, tegen zulk een grote menigte. Gods kracht echter wordt in zwakheid volbracht. Maar de Heere is groot van goedertierenheid, opdat zij voortaan hun zaligheid met vreze en beven des te naarstiger werken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's