De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een onmogelijke zaak wordt mogelijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een onmogelijke zaak wordt mogelijk

9 minuten leestijd

„Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; , en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage". Joh. 6 : 44

Bij het eerste lezen van deze tekst zouden we zeggen, dat dit woord van Christus niet helemaal op zijn plaats staat. In het verband van deze tekst spreekt Jezus immers tot mensen, die al tot Hem gekomen zijn. En hoe! Zij hebben Jezus maar niet toevallig op de straten van Kapernaüm ontmoet. Neen, zij hebben Jezus gezocht. De vorige dag waren ze zo haastig van huis weggegaan, dat ze zelfs geen brood hadden meegenomen. Gelukkig had Jezus hen van spijs voorzien. Maar toen ze Hem koning wilden maken, had Christus zich onttrokken aan dit eerbetoon. Het is nu de dag na de wonderbare spijziging. De Joden zijn nog niet bekoeld van hun geestdrift en ze gaan weer op pad naar Jezus. Hun Rabbijnen leerden hen n.l., dat de Messias, evenals Mozes, manna van de hemel zou laten dalen. Om dit teken vragen de Joden. En Jezus? Hij wijst op zichzelf en zegt: „Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren". En opeens slinkt door deze woorden de belangstelling der Joden in de Messias. Ze zeggen onder elkander: „Is deze niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? " De Joden meten Jezus af naar hun omgeving, in plaats van naar Zijn Zelfopenbaring. Kortom, ze geloven niet in Hem als het Brood des levens. Daarom zegt Christus: „Och, eigenlijk is het ongeloof geen wonder, want niemand kan tot Mij komen". Daartoe is een gevallen mens van zichzelf uit onmachtig. Niet alleen de Joden, tot wie Hij spreekt. Maar ook u en ik — wij mensen van de 20ste eeuw. Het ongeloof is ons van nature eigen. Het vloeit voort uit onze diepe verdorvenheid. En het zit zo diep, dat het onuitroeibaar is. Zin hebben we niet in de Heiland en belang hebben we niet voor het leven uit Hem. Wij smaden de Here en tergen God met ons wangedrag. Wij zitten zo vol verzet tegen de Allerhoogste en tegen de betuigingen van Zijn liefde. „Niemand kan tot Mij komen". Er staat niet: „Niemand mag tot Mij komen". U moogt tot Jezus komen. U moet er maar eens op letten hoe Chris­ tus Zelf in dit hoofdstuk daarop heeft aangedrongen. Neen, lezer, u kunt nooit de schuld aan de Here geven.

Juist in dit verband wordt onze onmacht een schuld, in plaats van een schild om achter te schuilen. Onze onmacht is zo onredelijk. En juist daarop wijst Christus. Hij wijst de diepte der verdorvenheid aan, door te wijzen op de noodzakelijkheid der wedergeboorte. Hier is pas ware ontdekking. Achter het niet-komen ligt een positieve verwerping van de lokkende Heiland. Hier is ongehoorzaamheid — niet maar tegenover een eisende Wet der Tien geboden — maar tegenover een alles schenkend Evangelie, een alles gevende blijde boodschap. De krachten van het verzet tegen Christus komen alleen op uit ons verdorven hart. Wij hebben ons door de zonde moedwillig en vrijwillig in de diepste ellende gestort. Eigen wegen kiezen we boven de wegen des Heren. Wat is het toch erg, dat we onze Schepper en Behouder zo ongehoorzaam zijn. Och, we weten zo vaak van jongsaf aan van ellende, verlossing en dankbaarheid — en toch: We komen niet tot Christus. Ligt dat aan de moderne tijd of aan de kerk? Neen, zegt Christus, de oorzaak ligt in uw eigen verdorven bestaan. De vraag is maar of u zich aan het Woord van Christus: „Niemand kan tof Mij komen" hebt laten ontdekken. Of u zich uw schilden hebt laten ontnemen, om uw schuld te zien. Bent u gekomen tot Jezus Christus? Hij riep u immers in Doop, Avondmaal en prediking? Heeft uw vijandschap u wel eens uitgedreven tot de Here? Hebt u het al eens geprobeerd om tot Christus te komen? En hebt u toen niet gemerkt, dat u uw hart hierin tegen had, zodat het u een onmogelijke zaak werd? Dan zijn alle verontschuldigingen ons uit de handen geslagen. Het eindeloze geduld, dat de Here met ons heeft, klaagt ons aan. De Here heeft er zo geheel het recht toe, om ons voor eeuwig te veroordelen, omdat we ons niet hebben laten zaligen. Het zo taai volgehouden verzet klaagt ons aan. Eigenlijk moesten we hier een punt zetten. Want hier houdt alle men­ selijke wijsheid op. Maar Christus gaat verder in de tekst: „Tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke". De Vader. Maar die Vader is het toch. Wiens recht en Wiens liefde door mij, in mijn onmacht, zo vreselijk geschonden zijn? Die Vader heb ik op het hart getrapt. Zijn heilig recht heb ik geschonden. „Tenzij de Vader". Maar, als van iemand wraak en oordeel te verwachten is, dan juist toch wel van die beledigde Vader. Maar nu zien we naar onze tekst. En dan ziet u in die tekst een Christus, Die niet zegt: „Tenzij de Vader, Die gij beledigd hebt u trekke". Of ook: „Tenzij de Vader, Die u reeds zoveel weldaden bewezen heeft, u trekke". Neen, Jezus zegt: „Tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke". Christus predikt hier Zijn Vader op zulk een wijze, dat het door schuld en onwaardigheid verslagen hart juist dat ontvangt, waaraan het alleen hoop en geloof ontlenen kan. „Gezonden". Dit kleine woordje drukt uit het welbehagen des Heren in verloren zondaren. God is in beweging gekomen, om ons mensen te redden. Hij zond Zijn Zoon. Dat is het antwoord der liefde Gods jegens vijanden, die niet tot Hem kunnen komen. Die liefde zoekt een weg, en dat ten koste van de Zoon.

„De Vader, Die Mij gezonden heeft". Tegenover diepten der verdorvenheid, geopenbaard in het niet-kunnen-komen tot Christus, komt door dit woord te staan de diepte der barmhartigheid in de Here. „Niemand kan tot Mij komen". Welk een afgrond der ellende gaat er open door deze woorden. „De Vader, Die Mij gezonden heeft". Welk een zee van genade wordt hier gevonden. In deze beide zinsdelen komt mijn hart te staan tegenover Gods hart. En om de verdorvenheid van mijn eigen hart te peilen, heb ik een mensenleeftijd nodig. Wat ga ik telkens weer tegen de Here in. Maar om de diepten van Gods hart te peilen, heb ik niet een mensenleeftijd nodig. Daar moet de eeuwigheid aan te pas komen. Eeuwige dank wordt in de hemel Gode toegebracht voor Zijn verlossingswerk.

De Here moet het doen in uw leven. Ja zeker. Maar bij Wie zou het werk van uw verlossing in betere handen kunnen zijn, dan bij die Vader, Die Zijn Eniggeboren Zoon gezonden heeft? Ziende op die Zoon, kan er hoop zijn, dat die Vader, Die mij trekken moet, mij ook trekken wil. Trekken tot Jezus Christus, bij Wie ik niet komen wil en niet komen kan.

In de grondtekst staat voor trekken een woord, dat vaak met „slepen" wordt vertaald. Het ziet op het moeizaam en langzaam voortzeulen van een zwaar voorwerp. Dat is dus een sterke uitdrukking. Het trekken des Vaders wordt in de tekst niet getekend als het werk van één ogenblik. Zeker, God heeft er heus voor zichzelf geen zwaar karwei aan, om een zondaar te bekeren. Maar vanuit de mens gezien, is er alleen maar sprake van „slepen". Wat is er in het geloofsleven een tegenstreven bij hen, die door de Here zijn opgezocht. De Here moet trekken, als de Zijnen er koud, onverschillig en biddeloos tegenover staan. Hij moet slepen, als zij de verkeerde kant uit willen gaan. Komen tot Christus, dat blijft een zaak, die weerstand ontvangt uit ons eigen bestaan. Die God zou toch eigenlijk wel gelijk hebben, als Hij nooit meer naar de Zijnen zou omzien en een einde zou maken aan Zijn bemoeiingen met hen. Moet u hier geen ja op zeggen? Het is niet alleen een wonder als de Here met u beginnen wilde, maar het is een even groot wonder dat God trouw blijft aan Zijn eens begonnen werk.

„Tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke". Kan dat? Is dat ook voor mij, vraagt u. Om alle vrees bij u weg te nemen, voegt Christus er nog een belofte aan toe: „En Ik zal hem opwekken ten uitersten dage". In deze woorden zet Christus de kroon op het werk, dat Hij in en aan de zondaar doet, door de Heilige Geest. Hij roept het Zijn Kerk toe: „Vreest niet, dat u halverwege toch nog omkomt, neen, zelfs dwars door de dood heen, geef Ik het eeuwige leven. Niets staat Mij in de weg. Zelfs tot de uiterste dag, de laatste dag in het bestaan van deze aarde, doe Ik mijn genade ervaren". Dat is de vastheid van Gods genadewerk. Dit bewaren, dit voltooien, is aan Jezus door de Vader opgedragen. Daarom is de zaligheid der gelovigen in laatste instantie een zaak tussen de Vader en de Zoon. Geen ontrouw speelt meer een rol.

De Here moet het doen. Gelukkig. Want er is niemand, die God zoekt van zichzelf. Adam ontliep al, na de zondeval, de stem des Heren. Dit woord van onze tekst roept u op, om uit te gaan tot de Vader, Die ook u trekken moet. Roept deze God aan om Zijn trekkende genade. Bent u zich nog van geen onmacht bewust? Dan moogt u toch tot de Here gaan en Hem belijden: „Here, ik ben zo diep verdorven, dat ik van mijn eigen onmacht niets geloven wil. U moet mij trekken, als iemand, die er geen behoefte aan heeft, om tot Christus te komen en door Hem behouden te worden". Het zal dan goed met u komen, want Jezus zegt: „Ik zal u opwekken". Maar zegt u: „Dat zou een eeuwig wonder zijn, als de Here mij, harde verzetspleger, wil blijven slepen, altijd maar weer in Zijn onmetelijke trouw". Dan vraag ik u: „Wat dunkt u van zo'n Vader, Die Zijn Kind zond naar deze vijandige wereld"? U hebt een eeuwig wonder nodig. Ja, maar wat dunkt u dan van die Vader? Is dat zenden van de Zoon geen eeuwig wonder?

Zeker, het ongeloof en de onmacht is nooit weg. Elke dag staat zij levensgroot voor mij. En toch mag iedere vrome weten, dat ook die onmacht hen niet kan scheiden van de liefde Gods, die er is in Christus Jezus. De Here moet het doen, ja zeker. Maar Hij zal het ook doen, naar Zijn eigen Welbehagen. Gelooft u dat?

Waverveen, J. Broekhuis

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een onmogelijke zaak wordt mogelijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's