UIT DE PERS
Ongewenste situatie.
Wie geen vreemdeling is op het kerkelijk erf weet dat er inzake de liturgie het een en ander te doen is. Naast allerlei losse experimenten circuleren er een aantal proefbundels en ontwerpen. Er is een proeve van nieuwe berijming van het psalter dat moet dienen ter vervanging van de psalmberijming van 1773. Enkele maanden geleden verscheen de proefbundel van de 102 gezangen, een eerste keuze uit een geheel nieuwe bundel die ongeveer 800 nummers gaat bevatten. Deze nieuwe gezangbundel komt in de plaats van de hervormde bundel uit de dertiger jaren, die aan de gemeenten ten gebruike is aangeboden, maar nog nooit officieel is ingevoerd.
Voorts is er het dienstboek in ontwerp met allerlei orden van dienst voor de zondagmorgen en - avond, voor doop, avondmaal, huwelijksinzegening, bevestiging ambtsdragers etc.
De kerkelijke praktijk laat ons zien dat inzake gebruik van deze proefbundels en ontwerpen grote verscheidenheid heerst — verscheidenheid die soms tot nare kwesties geleid heeft. Het laat zich dan ook verstaan, dat velen niet gelukkig zijn met deze veelheid van proeven. Tot dezen behoort o.a. ds. H. G. Groenewoud. In het orgaan van de confessionele vereniging „De Gereformeerde Kerk" van 27 jan. gaat hij nader in op deze situatie. Hij wijst op het feit dat men in deze gevallen officiële invoering vermijdt.
We vragen ons evenwel af: En als de nieuwe Gezangbundel komt, zal het dan ook zo gaan? En moet ook de nieuwe Psalmberijming op een dergelijke manier de kerk binnengesmokkeld worden? Zolang het nog gaat om dingen die werkelijk voorlopig zijn, en men zich strikt houdt aan de bedoeling van een proefneming met inachtneming van een termijn na welke de proef beëindigd moet worden, kunnen we dit wel aanvaarden. Ten slotte is het invoeren van nieuwe liederen en ander liturgisch materiaal van zo grote betekenis, dat men zich de tijd van proefneming om tot een weloverwogen en verantwoord besluit te komen, wel mag gunnen. Overhaasting kan schaden.
Maar het lijkt ons, in de situatie van steeds meer nieuwe op proef aangeboden boeken, bepaald ongewenst dat ook de definitieve nieuwe Psalmberijming en het grote Gezangboek daar nog aan toegevoegd worden als niet officieel ingevoerde liederenbundels. Met nadruk zouden we ervoor willen pleiten, dat thans de periode van aanbieding en proefbundel wordt afgesloten, en dat we bundels krijgen die officieel worden ingevoerd. Het gevaar dat er in een toestand als we nu hebben schuilt, en dat nog vergroot zou worden als ook de beide nieuwe bundels op de bekende manier werden ingevoerd, is dat de gewoonte om op eigen gezag met nog weer heel andere liederen te gaan experimenteren nog meer terrein zou winnen dan ze nu al heeft veroverd.
Terecht legt de schrijver de vinger bij dit punt. Wie de geschiedenis van onze kerk nagaat, ontdekt hoe liturgische kwesties soms diep ingegrepen hebben in het kerkelijk leven.
Bovendien staat de liturgie niet los van de belijdenis der Kerk. Aanbidden, lofzingen en belijden liggen, zoals de Schrift ons leert, menigmaal dicht bij elkaar. Men kan de kwestie van de liturgie en het kerklied dus niet behandelen als een vrijblijvende zaak, waar ieder naar hartelust kan experimenteren. Hier is de belijdenis, zo u wilt het belijden van de Kerk — in het geding. Die verantwoordelijkheid moet ons zwaar wegen. Groenewoud pleit dan ook voor officiële kerkelijke beslissingen in deze.
Zolang de bundel nog vrijblijvend ten gebruike wordt aangeboden, kan men dit vrijblijvende ook laten gelden bij de keuze der liederen. Bij een officiële kerkelijke bundel, die dus ook het karakter van kerkelijk belijden draagt, wordt dat anders. Dan is de verantwoordelijkheid zwaarder omdat alle liederen dan ook kerkelijk verantwoord moeten zijn. We menen dat het de inhoud van beide bundels ten goede zal komen, wanneer men, uitgaande van de gedachte dat ze officieel zullen worden ingevoerd, ze dan ook met het besef van verantwoordelijkheid voor het definitieve zal samenstellen. Het zal ook de plaats van de bundels in het kerkelijk leven ten goede komen.
Binnengesmokkelde psalmen?
Dit artikel in de „Gereformeerde Kerk" heeft een antwoord ontvangen in „Hervormd Nederland" van 5 febr. j.l. Ds. F. H. Landsman gaat op Groenewouds bezwaren in. Vooral de zinsnede: „En moet ook de nieuwe psalmberijming op een dergelijke manier binnengesmokkeld worden" wekt het misnoegen van de scribent in Hervormd Nederland op. Landsman meent een hartig woordje te moeten wisselen met het orgaan van de Confessionelen. Er is geen sprake van binnensmokkelen, zo meent hij. Dat moge blijken uit de werkwijze, die gevolgd is en gevolgd wordt inzake de proeve van nieuwe berijming. Landsman schrijft onder meer:
Ten eerste: DE PROEVE VAN EEN NIEUWE BERIJMING van de psalmen, in opdracht van de Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming, door haar werkcommissie vervaardigd, werd krachtens besluit van de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk enige jaren geleden toegezonden aan ALLE kerkeraden en classicale vergaderingen nadat ze eerst in de synode was besproken. De toezending van deze psalmberijming ging gepaard met het verzoek aan de classicale vergaderingen er haar mening over te zeggen en rapport uit te brengen aan de generale synode. Dit is dan ook gebeurd. Er ligt een rapport van enkele honderden bladzijden: algemene beschouwingen en kritische opmerkingen psalm voor psalm en vers voor vers gerangschikt. Dit rapport is in handen gesteld van de interkerkelijke werkcommissie. Deze is bezig de „proeve van een nieuwe berijming" aan de hand van dit hervormde rapport en een soortgelijk rapport, opgesteld door de gereformeerde deputaten voor de psalmberijming plus rapporten uit andere kerken, waar nodig, te HERZIEN. Psalm voor psalm, vers voor vers, nauwgezet acht gevend op de stem van de kerken en wederom Bijbeltekst en berijming aan elkander toetsend.
Wat gaat er nu verder gebeuren?
Niets anders dan dat wat de kerkorde voor de INVOERING van een nieuw psalmboek als onderdeel van het kerkboek, voorschrijft. Als de herziene berijming klaar is, zal ze aan de hervormde synode worden toegezonden met het rapport over de bevindingen van de classicale vergaderingen. Deze stukken zullen worden behandeld in een verdubbelde vergadering van de generale synode van de hervormde kerk. En, omdat het om een INTERKERKELIJKE zaak gaat, tegelijk, in elk geval, in de generale synode van de Gereformeerde Kerken. Als de synode de herziene berijming aanvaardt, volgt de officiële invoering. Dit behoeft o.i. nog niet te betekenen dat de oude berijming niet meer mag worden gebruikt. Wel zal ze vermoedelijk steeds meer in onbruik geraken.
Wanneer zal deze laatste fase worden afgesloten? Deze datum is wel „nieuw". Maar al was ze nog niet vastgesteld, dan deed dit niets af aan de gang van zaken zoals deze door de synode werd uitgestippeld!
Met het moderamen van de" gereformeerde synode werd echter afgesproken dat de slotbehandeling in beide synodes die (vermoedelijk) tot de invoering" zal leiden D.V. in juni 1967 zal plaatsvinden. Dan heeft de werkcommissie ruim de tijd gehad haar werk met grote nauwgezetheid te verrichten. Ons antwoord aan het hervormde weekblad kan dus duidelijk zijn: de nieuwe psalmberijming moet noch kan noch zal de kerk worden „binnengesmokkeld".
Dit alles is duidelijk. Feiten zijn feiten en dienen dan ook door ieder gerespecteerd te worden. Of daarmee echter de ongerustheid van ds. Groenewoud en van velen met hem is weggenomen wagen we te betwijfelen. Want hoe weloverwogen de voorgestelde procedure ook moge zijn, een feit is dan toch maar dat in vele gemeenten gehandeld wordt alsof deze proeve de definitieve en reeds aanvaarde berijming is. Wie b.v. regelmatig de orde van dienst nagaat van hervormde radio en t.v. kerkdiensten moet wel de indruk krijgen alsof in verschillende gemeenten de berijming van 1773 bijgezet is in het historisch museum, doordat men uitsluitend zingt uit de aangeboden proefbundel. Is het dan zo verwonderlijk dat — gelet op de geschiedenis van de gezangenbundel van 1938 — vélen de indruk hebben dat een officiële invoering vermeden wordt? Volgens ds. Landsman is dit een foutieve indruk. Er komt een revisie en als deze aanvaard is, dan volgt de officiële invoering. We willen dit volledig serieus nemen. Maar laat men dan anderzijds een proefbundel ook als zodanig gebruiken en niet de indruk wekken, alsof „het groene boekje" nu reeds in dit stadium van revisie al de definitieve berijming is. Opdat kerkelijke sjibbolets vermeden worden. En vooral, opdat we ook in deze dingen kerkelijk en verantwoord handelen.
Ik kan me indenken dat iemand zegt: Maar een proeve dient toch bezien en beproefd te worden? Inderdaad! En we menen dat we op dit punt als hervormd-gereformeerden maar al te dikwijls de weg van de minste weerstand volgen, door deze voorgestelde proeven te negeren. Ook dat is kerkelijk onverantwoord. Als wij zorg willen dragen voor het geheel van onze kerk, zullen we ook op dit punt erbij moeten zijn. Wat er op het gebied van het kerklied (psalmberijming, schriftgezangen etc.) gaande is, raakt ook ons. Juist de liefde voor de reformatorische belijdenis en, onze zorg om het belijdend karakter van onze kerk, mogen ons aansporen van deze zaak studie te maken. Een persrubriek is niet de plaats hier diep op in te gaan en dit perscommentaar mag niet worden tot een apart artikel. Maar bij de hierboven weergegeven discussie zijn ook wij als ambtsdragers en gemeenten betrokken. Daarom is diepgaande bezinning vanuit de Schrift en de confessie geboden. Wanneer wij in het geheel van de kerk (terecht!) telkens weer de waarheidsvraag aan de orde stellen, zullen we ook inzake vragen van liturgie en kerklied ons er niet van af mogen maken met enkele algemene kreten, maar ons standpunt vanuit de Waarheid Gods duidelijk hebben te maken. Om zo het geheel van de Kerk te dienen.
Hoeden of verraden.
De rubriek „Terzijde" in het blad “In de Waagschaal" behoort stellig niet , tot de minst gelezen rubrieken in onze kerkelijke pers. In het nummer van 5 februari gaat dr. Buskes in op een vraag, die een luthers predikant aan verschillende leden van zijn kerk voorlegde: Wat zegt het u, dat de Kerk belijdt, dat de Heer zal wederkomen?
Hij ontving de volgende antwoorden.
Een jongere: „Dat is de pro memoriepost in de geloofsbelijdenis''.
Een bejaarde: „Dat is voor mij heel belangrijk, want het geeft me de zekerheid van het leven na de dood".
Een predikant: „Als ik dat niet geloofde zou ik mijn toga zo aan de kapstok hangen".
Een domineesvrouw: „Ja de wederkomst van de Heer..." en daarna een heel lang en nietszeggend zwijgen.
Een kerkeraadslid: „Ach, dat is helemaal niet zo belangrijk, het is veel voornamer dat je nu altijd weet dat Christus bij je is in je hart!"
Een onderwijzer: „Nou, daar moet je wel een heel grote fantasie voor hebben".
Een andere predikantsvrouw: „Als je je dat allemaal heel concreet gaat voorstellen, geloof je er niets meer van".
Zomaar een gemeentelid: „Ja, het zal wel waar zijn, het staat in de geloofsbelijdenis, maar het doet me niets".
Een ander gemeentelid: „Het lijkt me iets geweldigs, omdat dan de problemen geen problemen meer zullen zijn".
Een derde gemeentelid: „Ach er staat wel meer in de geloofsbelijdenis waar je verder geen aandacht aan schenkt, eigenlijk geloof ik er niets van, dat mag toch in onze kerk? "
Een catechisant: „Ze hebben altijd gezegd dat in deze of in die tijd de Heer wederkomen zal, ik denk dat het mijn tijd ook wel zal uitduren".
Gemeentelid: „Ach dat zijn van die dingen, waar de secten zich druk over maken".
Buskes is niet overtuigd dat wanneer dezelfde vraag gesteld werd aan hervormde leden er andere antwoorden zouden komen. Hij vreest dat de belijdenis aangaande Christus' wederkomst weinig leeft in onze kerken.
Blijkbaar is het ons in onze prediking en onze catechese niet gelukt, aan onze gemeenteleden bij te brengen, wat het inhoudt de komst van de Heer te verwachten. Als het om het functionele gaat - het parool van onze dagen - valt de wederkomst van de Heer onder tafel.
Wat zullen we? Haar onder tafel laten vallen? Waarom zouden we niet? We laten al zoveel onder tafel vallen dat dit er nog wel bij kan. Alleen overvalt mij soms de vrees, of wat er op tafel blijft niet te weinig is als brood voor het hart en brood voor de wereld.
Misschien heeft dr. Schulte Nordholt toch wel gelijk, wanneer hij in het novembernummer van Wending zegt, dat hij bang is, dat er in dit proces niets meer van ons zal overblijven, en dat hij daarom pleit voor een Kerk als traditiebewarend, als hoedster van de geheimen.
De Kerk bestaat bij de gratie van naar meerwaarde, die niet te doorgronden, maar die wel vrede en troost is. Zou de komst van de Heer en de verwachting van die komst toch niet behoren tot de geheimen, die gehoed moeten worden?
Een geheim is iets anders dan een raadsel. Een raadsel kun je oplossen. Een geheim kun je niet oplossen. Je kunt het niet doorgronden. Je kunt het alleen maar hoeden of verraden.
Hier is dus tevens de inhoud van de prediking in het geding. Het „vertalen" van de boodschap van het Evangelie voor de mens van heden is geen eenvoudige zaak. In veler theologie blijkt van het geheimenis Gods in Christus niet veel meer over te blijven. Hun vertaling gaat zover dat het gaat lijken op het verraad waar Buskes over spreekt. In dit verband is het goed te luisteren naar de opmerkingen die prof. dr. H. N. Ridderbos in het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 4 februari j.l. maakt naar aanleiding van de theologie van Rudolf Bultmann. Ridderbos ziet in Bultmanns theologisch program een geweldige reductie waarbij van de kern van het Evangelie niet veel meer over blijft. Een nogal negatieve conclusie, die de vraag kan doen rijzen: Wordt daarmee Bultmanns pastorale zorg om het evangelie voor de, moderne mens te vertolken niet miskend? In antwoord op deze vragen schrijft Ridderbos:
Maar dan komt toch wel de vraag levensgroot op ons af, of wij de God van het Evangelie zullen kennen uit het beeld, dat wij van onszelf en van de wereld ons hebben eigen gemaakt, dan wel of wij onszelf en de wereld moeten leren verstaan uit hetgeen het evangelie ons aangaande God en aangaande de zending van Zijn Zoon verkondigt. Hier geldt ook wat Luther zei, n.l. dat het evangelie niet moet worden verkondigd secundum hominem audientem, sed secundum. Deum loquentem, d.i. niet overeenkomstig de mens, die luistert maar overeenkomstig Gtod die spreekt; dat wil ook zeggen: door een zodanige prediking van de dood en opstanding van Christus, waarin niet alleen de onthulling ligt van wie de mens is voor God, maar waarin ook God wordt verheerlijkt in zijn voortgaand en voleindigend heilswerk met de wereld. Kan het geloof met minder toe? En is er een andere boodschap, die ons in onze vastgelopen gedachten over onszelf, over de wereld en onze persoonlijke toekomst kan redden? Want de mens kan alleen waarlijk mens zijn, in vrijheid en met een toekomst, als God waarlijk die God is, die ons in Christus is geopenbaard. Hier ligt naar mijn gedachte een verschil tussen de Bijbelse boodschap en de interpretatie ervan in de theologie van Bultmann (en van velen van onze tijdgenoten), dat niet zo gemakkelijk kan worden overbrugd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's