De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Discussie Dr. Graafland en Ds. van Sliedregt

Bekijk het origineel

Discussie Dr. Graafland en Ds. van Sliedregt

7 minuten leestijd

In verband met bovengenoemde discussie, die in ons blad enige tijd geleden gevoerd is, wil het hoofdbestuur gaarne het volgende onder uw aandacht brengen.

Deze discussie heeft uiteraard een voorgeschiedenis. Het beginpunt ligt in een particuliere brief van ds. Van Sliedregt aan dr. Graafland, waarin ds. v. Sl. naar aanleiding van het boekje: „Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking", aan dr. Gr. een aantal vragen stelde.

Dr. Graafland heeft toen aan het hoofdbestuur voorgesteld een discussie te houden en deze te publiceren in de Waarheidsvriend. Het hoofdbestuur heeft daarna met deze beide predikanten gesproken en zijn fiat gegeven aan dit voorstel, mits de discussie tussen dr. Gr. en ds. v. SI. eerst geheel klaar was, zij beiden dus tot een afgerond geheel gekomen waren en ook het hoofdbestuur het geheel van de discussie onder de ogen was gekomen. Zo nodig was dan — in overleg met elkander — het een en ander in deze discussie gewijzigd en aangevuld. Het was het voornemen van het hoofdbestuur daarna een slotartikel te schrijven, waarin een eventuele aanvulling kwam op punten, die niet of niet voldoende aan de orde gekomen waren. Zo was het plan.

Dit plan is doorkruist door tijdnood. Terwijl deze beide predikanten met de voorbereiding bezig waren, kwamen er van allerlei zijden vragen enige voorlichting te mogen ontvangen over de vragen, die dr. Gr. aan de orde stelde en werd hier en daar het vermoeden geuit, dat deze vragen werden doodgezwegen.

Toen bij informatie bleek, dat deze predikanten een aantal brieven gereed hadden, is besloten deze — gezien het bovenstaande — alvast te publiceren. Dit is toen gebeurd. Achteraf zeggen wij allen: wij hadden er beter aan gedaan te wachten, totdat het geheel klaar was en er een afronding gekomen was. Niemand — noch de scribenten, noch het hoofdbestuur — is gelukkig met deze procedure.

Waarom niet? Van de zijde van de scribenten gezien is het jammer, dat zij, wat de gehele voortgang en afronding van de discussie betreft, niet de stilte en de rust hebben gehad de gedachtenwisseling te voren af te maken, de misverstanden mondeling uit de wereld te helpen en de verschillen zo te formuleren, dat beiden er vrede mee hadden, zelfs al waren zij tot dezelfde conclusies gekomen als waartoe zij nu gekomen zijn. Zij beiden hebben zich ingespannen om het beste te geven, dat zij hadden, maar hebben intussen niet kunnen voorkomen dat hun discussie tot een aantal vragen is beperkt gebleven. Er zijn punten aan de orde geweest, wezenlijke punten, zelfs zeer wezenlijke punten, maar het geheel van het boekje van dr. Gr. is niet besproken. Dit is geen verwijt aan wie dan ook, maar is een gevolg van het stellen van een aantal concrete vragen, waarop antwoorden zijn gekomen.

Onze Voorzitter heeft bij het verschijnen van de eerste brieven een voetnoot geplaatst, waarin hij mededeelde, dat het hoofdbestuur na beëindiging van de discussie zijn standpunt zou bepalen en bekend maken. Deze voetnoot moet dus in het licht van het bovenvermelde plan gezien worden. Deze mededeling van onze Voorzitter betekende niet, dat er een soort beoordeling zou komen, maar dat de beleidszaken die naar aanleiding van dit boekje van dr. Gr. of naar aanleiding van de discussie aan de orde zouden komen, in één of meer slotartikelen zouden worden behandeld. Gedacht is toen o.a. aan de opmerkingen van dr. Gr. over de verschuivingen, die hij meende te zien in de Schriftbeschouwing en de — alweer volgens hem — gesignaleerde veranderende houding ten aanzien van de vrouw in het ambt, die veel  tegenspraak ontmoetten niet alleen buiten maar ook binnen de kring van het hoofdbestuur.

Nu de zaken gegaan zijn, zoals zij gegaan zijn, en onze voorzitter niet in staat is zijn bijdrage daarin te geven, staan het hoofdbestuur twee wegen open:

a. De discussie op de voet volgen en telkens signaleren, waar één van de partners aan vragen voorbijgaat, of er niet voldoende op ingaat of een lijn trekt, die van het hart van de Schrift kan afvoeren en bijgevolg voor tegenspraak vatbaar en voor het geheel van de Gereformeerde Bond niet zonder gevaar is.

b. De kernen van de vragen in en buiten deze discussie over het boekje van dr. Gr. opsporen en die punten te zijner tijd in artikelen en lezingen aan de orde stellen.

Wij willen tot dit laatste besluiten en naar ons beste weten o.a. de volgende punten in bredere verbanden pogen te doorlichten:

a. Blijvende aandacht voor de voortgang van het geestelijk leven, zoals dit door de reformatie en de nadere reformatie aan het licht is gebracht. Daarbij heeft het hoofdbestuur de overtuiging, dat veel van de nadere reformatie positief gewaardeerd moet worden. Voortdurende bezinning op de methoden, die het geestelijk leven niet belemmeren, maar bevorderen, is een aangelegen zaak.

b. Doordenking van de verhouding van Wet en Evangelie niet alleen in de heilshistorie, maar ook in de Bijbelse heilsorde.

Daarbij is te denken aan de levenswet in de schepping en de functionering van de Wet in het Verbond der genade. Daarbij moet de vraag gesteld worden: Hoe preken wij de Wet Gods zuiver in het verbondskader van Exodus 20 zonder tekort te doen aan het totaal bederf van de mens (Gen. 3).

c. Plaats en functionering van de beloften van het Woord, van het belofte-karakter van het Evangelie, waarbij het geloof in Christus en het in Christus zijn, zijn wezenlijke inhoud bewaart en de wederkerigheid van de band tussen Christus en de belofte in alle betrekkingen van het geestelijk leven wordt ontzien en voor de prediking wordt aangewezen.

d. Aandacht voor de verhouding van rechtvaardiging en heiliging en voor het begin en de voortgang van de rechtvaardiging.

e. Bijzondere zorg ten aanzien van het gezag van de Heilige Schrift, waarbij wij niet met onze moeilijkheden, b.v. met de wetenschap, tot de Schrift komen, maar vanuit de volle diepte van het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten tot de moeilijkheden komen, die dan weliswaar verschrompelend klein zijn, maar er toch zijn.

f. Ten aanzien van de vrouw in het ambt zal de studie onverminderd doorgaan. De resultaten daarvan geven ons geen aanleiding ons standpunt te herzien. Zolang wij als hervormd gereformeerden met de Schrift in de hand niet overtuigd worden, dat de vrouw tot de ambten behoort of mag worden toegelaten, zolang staan wij volstrekt afwijzend tegenover de vrouw in het ambt. Wie van andere overtuiging is, op hem rust de bewijslast, aan te tonen, dat wij dwalen. Een dergelijk stuk heeft ons nimmer bereikt. Dan mag ook worden verwacht, dat er geen openlijke suggesties worden gedaan tegen een door ons algemeen aanvaard standpunt. Niemands vrijheid wordt beknot, wanneer wij elkander ook organisatorisch wat meer raadplegen.

Publiceren is een verantwoordelijk werk, waarbij onderling overleg en hulp van groot belang kan zijn.

Heeft iemand — om welke reden dan ook — daaraan geen behoefte, dan moet het hoofdbestuur zich het recht voorbehouden — zo nodig — van bepaalde publicaties, die het leven en werken van de gereformeerde bond zo direct aangaan, afstand te nemen en deze te bestrijden.

Wanneer iemand nog eens deze gehele discussie doorwerkt, zal hij onder de indruk komen van de grote ernst, waarmee de partners met dit werk zijn bezig geweest. Ook inhoudelijk staat veel uit deze stukken op hoog peil. Het is waarlijk niet niets!

Daarom verdienen zij de hartelijke dank van de redactie en de lezerskring.

Wanneer wij, wat vaststaat, in een levend geloof bewaren en de overige punten, waarover geschreven is, in het licht van het Woord Gods biddend onderzoeken, moge God ons zegenen met de bewarende en wervende kracht van Zijn Woord. Hij leide ons — naar Zijn belofte — in alle waarheid.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Discussie Dr. Graafland en Ds. van Sliedregt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's