De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GOD IS MIJN HEIL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GOD IS MIJN HEIL

8 minuten leestijd

„Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil". (Psalm 35 : 3b).

De dichter van psalm 35, de welbekende koning David, verkeert in grote nood. Zijn roeping tot en zijn recht op het koningschap worden fel bestreden door Saul, de huidige koning van Israël. Saul broedt in zwoele haat op plannen, om zijn mededinger naar de kroon te doden. Moest David niet wegbukken voor de suizende speer, die vlak bij hem als een bliksemschicht in de wand sloeg? Moest hij niet rondzwerven buiten de bewoonde wereld en onderduiken in holen en spelonken? Hij, de uitverkoren erfgenaam van Israëls troon, is bijna afgezakt tot de twijfelachtige positie van een soort partisanenkoning, met een lijfwacht van verschoppelingen om zich heen. Hoe voelt David zich gekrenkt en verguisd. Hij weet zich omringd door vijanden; een net van spionage wordt voor hem gespannen om hem daarin te strikken. Hij is een vogelvrij verklaarde geworden, die buiten elke wet staat en op geen enkele rechtsbescherming rekenen kan. Verlaten hebben hem allen, die hem vroeger met liefde waren toegedaan. Hij had niet alleen zijn ouders naar Moab moeten brengen, doch ook Michal, zijn huisvrouw, was hem ontstolen en aan een ander gegeven, en de steun en de omgang met zijn hartsvriend Jonathan was hem ontnomen. Daarom klaagt hij: „Wees is mijn ziel". Deze klacht houdt in: „O Here, Gij zijt zo duister en zo vreemd geworden. Waarom hebt Gij het zover met mij laten komen? Hoe staat het toch met Uw belofte van het koningschap? "

In deze zielsgesteldheid is onze psalm en uit deze zielenood is het gebed van onze tekst geboren. Uit de diepte roept de dichter tot God, die hij kwijt is en «hem toch alleen helpen kan. „O Here, zeg tot mijn verweesde ziel: „Ik ben uw heil". Spreek mijn ziel zo vertroostend toe, geef haar weer terug de vreugde in Uw heil". Zo roept David om het behoud, het heil, de uitredding des Heren. En kunt u dit niet begrijpen? David wist van het heil, van de verlossingskracht van de Here in zijn leven. Denkt u maar eens aan de strijd met Goliath. Maar hij heeft aan die kennis op dit ogenblik en in die toestand niet genoeg. Het is allemaal wel waar, maar hij wil weten, ervaren dat het NOG en NU en HIER voor hem waar is, in deze nood. Met historische kennis, ook de kennis van zijn eigen uitreddingen, kan hij heden niet klaarkomen. Hij wil weer staan in de verrukking van toen, toen de slagschaduw van de brallende reus over zijn broze gestalte viel, opdat hij weer zeggen en roemen kan: „De Here is mijn heil, voor wie zou ik vrezen"!

In onze tekst smacht een ziel naar God. Een kind van God, dat God kwijt is. Dit is niet enkel een bede om uit de nood gered te worden. Het gaat een gelovige niet direct om de uitreddingen uit aardse nood. De Here Zelf hebben ze nodig. Het is David ten diepste om God Zelf te doen. Alles is hem ontvallen, één ding blijft nog over: de weg naar boven. Alle wegen zijn afgesneden. Eén weg is nog vrij, de weg naar Gods hart. Het is zeer intiem, wat we hier horen. We zien de bidder en dichter David recht in het ontroerde en door God bewogen hart.

Maar hier spreekt toch meer dan het binnenste en zingende hart van die éne mens. Hier bidt en smeekt het hart van heel Gods ware Kerk in alle tijden. U kunt dagen meemaken van heerlijk geloofsheldendom. En u kon alles aan, ziende op dat vaste Woord van God. U zong uw psalmen. U kon ervan getuigen. Maar u vergat, dat het alles genade was. De zonden, het ongeloof en de Satan benamen u de blik op het kruis van Golgotha, op de eigenlijke HeilsVorst, Jezus Christus. De vroegere vreugde doortintelt u niet meer met blijdschap. Vroeger was het goed, maar nu ... Maar het komt er op aan, dat we kunnen zeggen: od is nu met Zijn heil in mijn ziel. O ja, u kimt weten van het heil des Heren met uw verstand. Het zal echter bevinding moeten zijn, in de goede zin des woords. Ik denk aan de berijming van psalm 73 : 1: Ja waarlijk, God is Isrel goed, voor hen, die rein zijn van gemoed. Hoe donker ooit Gods weg moog'wezen. Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Allemaal waar, volkomen waar. Luister verder: Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet, mijn voeten waren in mijn leed schier uitgeweken, en mijn treên van 't spoor der godsvrucht afgegleên. Daar hebt u het. Hoewel mijn ziel dit weet, toch ben ik bijna bezweken en moet ik roepen: „Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil". Hoewel uw ziel dit weet, kan ze toch zo verlaten zijn, dat ze nergens licht ziet en steun vindt.

In zulke omstandigheden laten alle leringen en belijdenissen u in de steek. Ze hebben geen vat op onze ziel. Dan blijft er maar één ding over, te roepen, te bidden: „O Here, zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil. Doe mij Uw heil weer zien in de enige Heilbrenger, Jezus Christus, opdat ik heden van harte betuige: „Mijn Here en mijn God".

Die levensechte schreeuw naar Gods heil, kennen met een David alle gekenden des Heren. Hier heeft u een kenmerk van het ware geloof. Want zulk bidden, als van David, is niet uit de mens. Een natuurlijk mens wil zichzelf redden, heeft God niet nodig. Maar als een mens gaat zuchten tot de levende God, is dat een werk van de Heilige Geest. Als wij zo roepen tot God, dan is Hij al in ons werkzaam, dan is in het gebed al een stuk verhoring en groeit, terwijl de twijfel nog natrilt, de zekerheid reeds in het hart: „De Here IS mijn heil".

Dat alles staat in vers 9: „Zo zal mijn ziel zich verheugen in den Heere, zij zal vrolijk zijn in Zijn heil". Al biddende en verlangende wordt David boven zijn twijfel uitgeheven en leert hij zien, dat zijn heil vastligt in die trouwe hand van God. Verleden, heden en toekomst komen voor hem in één lijn te liggen. De Here is zo getrouw als sterk. Hij zal Zijn werk voor mij volenden. De Here laat zijn twijfelend kind niet omkomen in ongeloof, al geeft Hij wel tijdelijke verlatingen.

Kent u iets van dat roepen tot God in uw leven? Want we worden allemaal door het heil van God omringd. Bij de Doop heeft Hij het u al gezegd: „Ik wil uw heil zijn". Verder denk ik aan de ure der openbare geloofsbelijdenis, ik denk aan de belofte, afgelegd bij de doop van de kinderen. Ik denk aan hen, die wel eens aan het Avondmaal geweest zijn. Ja, door het heil elke zondag omringd te zijn geweest en er persoonlijk nog buiten te staan. Dat kan. Maar, zegt u, hoe weet ik, dat ik dat heil bezit? Wel, dan moet u kennen dit roepen van David. God moest eerst een onuitsprekelijke leegte scheppen in uw ziel. Zijn heil kan alleen gelegd worden in de kribbe van de lege ziel. U leerde schreien om de Here. U verlangde van de zonde verlost te worden en met God verzoend te zijn. U dorstte naar het heil, naar Hem, Die het Heil bereid heeft. En dat blijft zo de levenslange dorst van alle heilbegerigen.

Met een David kunnen we dat heil wel weer eens helemaal kwijt zijn en we gaan denken, dat we voor eeuwig omkomen. En toch zal dit opnieuw de weg zijn: te bidden: „O Here, zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil". Want hoe meer we dat heil kennen, des te meer krijgen we ook te maken met de duivel. En wat blijft er dan over van je bekeringsweg? Wat is er dan te bouwen op je eigen belijden? Wie durft dan naar voren te komen met zijn geloof, met zijn ijveren voor de Here? Het is alles één tekort. Alleen in een biddend leven, kan God laten zien, dat Zijn heil er is en nooit vergaat. God heeft gehoord en heil gegeven op een moment, dat u dacht: nu is alle hoop vergaan. En terugziende op dat heil, dat hen gegeven is, ziet Gods Kerk uit naar het heil, dat komt in de voleinding. Dat is een roepend leven: „Och Here, geef heil. Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil". Maar er is ook al de jubel: „Bij de Here is ons heil". Het is de roep der aanbidding voor Hem, Die al ons heil bewerkte. En dit tweevoudige heilgeroep is de strijdkreet van de Kerk in deze heilloze wereld.

Waverveen, J. Broekhuis

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GOD IS MIJN HEIL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's