DE DOOPVRAGEN 1
Het is altijd een bijzonder moment, wanneer bij de Doopsbediening de ouders verzocht worden van hun zitplaatsen op te staan. De onderwijzing van het formulier is dan ten einde; het liturgisch deel is ingeleid door het gebed (dat even goed een waarachtig gebed bedoelt te zijn als een zgn. „vrij" gebed, hoewel veel gemeenten door hun gebedshouding blijkbaar verschil maken; men blijft b.v. bij het formuliergebed zitten, tenzij, zoals bij het dankgebed van het formulier, nog weer een vrij gebed daarbij aansluit).
Maar als dan de ouders opstaan, wordt het stil in de kerk. Ook al is het maar vaag, wordt beseft, dat hier iets plaats heeft tussen God en deze ouders, die voor Zijn Aangezicht staan en straks hun kinderen in Zijn Naam laten dopen.
In het formulier staat hierboven: „Vermaning aan de ouders en die mede ten Doop komen".
De laatste woorden herinneren aan het stelsel van de Doopgetuigen, dat de Hervorming aanvankelijk uit de Roomse Kerk overnam. Men deed dat met tegenzin, omdat het nu eenmaal altijd moeilijk is ingewortelde gebruiken terzijde te stellen. We zijn er dankbaar voor, dat heel dit instituut met al z'n bindingen en misbruiken is verdwenen en dat getuigen alleen nog maar dienst doen in noodgevallen. Maar normaliter wordt aan de ouders (ook de moeder is aanwezig) gevraagd op te staan.
Dit opstaan hangt samen met het feit, dat nu aan de ouders vragen gesteld zullen worden.
De Hervorming en daarbij speciaal in zoverre zij haar stempel ontvangen heeft van de Reformator van Geneve, heeft klaar beseft, dat de genade niet een soort fijne materie is, die mechanisch en automatisch medegedeeld wordt door bepaalde sacramentele handelingen der kerk, maar dat de genade tot ons komt in een boodschap Gods, die Hij tot ons brengt in Zijn Woord. Dat Woord is het middel waardoor God met de mens onderhandelt, waardoor Hij hem aanspreekt, hem roept, hem bepaalde dingen belooft, hem Zijn verbond voorstelt en bekrachtigt, hem verantwoordelijk stelt voor hetgeen hij in en met dat verbond doet.
Ook bij het Sacrament gaat het om het Woord der genade, waarmede God tot de mens komt. Het Sacrament dient alleen om de inhoud van dat Woord beknopt samenvattend voor te stellen en te bekrachtigen.
Er heeft dus ook bij de Doopsbediening een ontmoeting plaats. En in die ontmoeting is er altijd Woord en wederwoord.
God spreekt altijd de mens aan. En Hij doet dat met vragen. Hij vraagt: Adam, waar zijt gij? Hij vraagt: wie zegt gij, dat Ik ben? Hij vraagt: wat wilt gij dat Ik u doen zal? Let er maar eens op, hoe menigmaal de Here vragen stelt. Als de kamerling de begeerte te kennen geeft gedoopt te worden, wordt hij voor de vraag gesteld, of hij van ganser harte gelooft. En pas wanneer hij die vraag bevestigend heeft beantwoord, wordt hij gedoopt. Dat bewust reageren op het Woord Gods in de ontmoeting met Hem kan vanzelf alleen gebeuren door mensen, die tot hun verstand gekomen zijn. Die kleine kinderen kunnen noch het Woord horen, noch het Woord beantwoorden.
Maar zozeer zijn onze vaderen doordrongen geweest van het feit, dat er in het Verbond een ontmoeting plaats heeft tussen de levende God, Die komt met de welmenende, oprechte prediking van de belofte des Evangelies en mensen, die deze belofte dan ook welgemeend en oprecht hebben te omhelzen, zal het Verbond niet krachteloos gemaakt worden, dat zij de bediening van de Heilige Doop aan de kleine kinderen der gelovigen niet zonder vraag en antwoord gelaten hebben.
Zij hebben er niets van willen weten, dat de kleine kinderen buiten de tegenwoordigheid en de deelname van de ouders om, zo maar gedoopt zouden worden, zoals in de Rooms-katholieke kerk gebeurt. Zo komt het ook bij ons wel voor, dat er mensen zijn, die eigenlijk eerlijk moeten toegeven, dat zij de vragen van het formulier niet kunnen en niet begeren te beantwoorden. Maar die dan toch hun kind willen gedoopt hebben en als dat niet geschiedt, ach en wee klagen, omdat dat kleine kind het toch niet helpen kan. Maar deze mensen verstaan evenmin als die Rooms-katholieken, dat de Doop geen magische gebeurtenis is met een mysterieus effect, doch een verbondshandeling tussen God en Zijn gelovigen met hun zaad.
We gaan nu niet uitvoerig in op de verschillen tussen de vragen, die gesteld werden in de eerste tijd van de Reformatie en die van ons formulier.
Luther heeft b.v. nog van 1517-1523 de oude doopritus in de latijnse taal gevolgd. Na 1523 gebruikt hij de moedertaal, maar behoudt nog het oude ceremonieel. In 1526 laat hij in zijn nieuwe Doopboek je wel enkele gebruiken vallen zoals de toediening van zout en olie en het overreiken van een brandende kaars, maar hij blijft een kruisteken geven, terwijl de duivelbezwering (exorcisme) en de afzwering van de duivel een grote plaats blijven innemen.
Daarbij worden ook "vragen gesteld en beantwoord. Maar nog door de peten. Zij doen dit namens het kind. Aan het kind wordt gevraagd: zweert gij de duivel af? En de peten antwoorden: ja. In de naam van het kind belijden zij ook hun geloof in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. En op de vraag aan 't kind: wilt gij gedoopt worden? antwoorden deze peetouders: ja.
Hoeveel eenvoudiger en werkelijker is het dan, wanneer in ons formulier de eigen ouders rechtstreeks als bondgenoten optreden, als God hen in Zijn dienst tegemoet treedt en hun, ook door onderwijzing van het formulier, van Zijnentwege gezegd wordt: „Ik richt Mijn verbond op tussen Mij en u en uw zaad na u in hunne geslachten, om u te zijn tot een God en uw zaad na u".
Op het moment, dat dit verbond gaat bezegeld worden, wordt van deze ouders gevraagd, dat zij zullen uitspreken, dat zij dit verbond met een waarachtig geloof begeren in te willigen en dat zij door een oprecht geloof begeren uit en naar dit verbond te leven ook met hun kinderen. Daartoe worden die ouders thans aangesproken.
De woorden van deze aanspraak zijn opmerkelijk: geliefden in de Here Christus.
Daarover de volgende maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's