Boekbespreking
Mevahor: „Simon Gieke, de ketter van Scherpenisse", 2 delen, 242 en 208 blz., 3e druk, geb. ƒ 7,50 per deel. Uitgeverij De Banier, Utrecht, 1965.
Het verhaal verplaatst ons naar de woelige dagen van Alva en speelt in Zeeland. Hoofdfiguur is Gieke, een uitgestotene uit de dorpsgemeenschap vanwege zijn ruw en wild leven. Met de nieuwe leer komt hij in aanraking als hij op zijn eenzaam jachtgebied een rondreizend prediker redt. De houding van de dorpelingen verandert nu wel. Een tweede keer redt hij de predikant, nu uit de gevangenis en niemand begrijpt, dat het Gieke is die de bevrijder was voor de gevangene en die meerdere malen vluchtelingen onderdak bereidt in zijn jachthut. Het Evangelie heeft grote invloed op deze woeste man. Hij strijdt mee de ongelijke vrijheidsstrijd van het volk. Ook hij moet vluchten; te Veere doet hij mee bij het beleg. Tenslotte zoekt men Tholen van de Spanjaarden te bevrijden, de overmacht is te sterk; velen vallen, ook Gieke wordt zwaar gewond en sterft te Veere, dat juist in die tijd van de Spanjaarden bevrijd werd.
Het is een boek vol van spannende avonturen, dat een beeld geeft van de zware strijd om vrijheid uit de dagen van de tachtigjarige oorlog. Onze jonge mensen zullen van dit boek stellig genieten.
Utrecht, H. Bout
Dr. C. P. van Andel, Ethiek van arbeid en rust. Uit de serie: Ethische verkenningen, 112 blz., ƒ 5, 90, G. F. Callenbach N.V., Nijkerk, 1965.
Een onderwerp wordt aan de orde gesteld, dat actueler is dan voorheen omdat in het algemeen de mens, althans grote categorieën van mensen, over meer vrije tijd beschikt of beschikken dan vroeger. Toenemende automatisering van en geringere differentiatie in het productieproces voeren daartoe. Daardoor valt de vrije tijd niet meer samen met „tijd van verademing" (76) Wij hebben geen vrije tijd, wij hebben vrijheid en dat wij dit hebben openbaart zich in onze bereidheid tot alle goed werk" (47); die vrijheid geeft verplichtingen in arbeidstijd en rusttijd beide.
Voor de arbeid houdt dit volgens schr. in, dat niet „ons dagelijkse werk roeping is, maar wel, dat WIJ tot heiliging geroepen zijn" (73); het geciteerde 1 Thess. 4 : 10-12 lijkt m.i. echter meer in de richting van het op grond van Gen. 1 : 28 geroepen-zijn-tot-arbeid van Luther en Calvijn te wijzen. Hoe dit zij, het lijkt te verdedigen wat schr. zegt: op grond van de Bijbel is geen ethos van de arbeid vast te stellen. Er is alleen een roeping ook in de arbeidssituatie — evenals in de rustsituatie — te zorgen dat mensen „tot een rechtvaardiger bestaan kunnen komen" (74). B.v. door invoering van een soort bedrijfsdemocratie (81 e.v.). Waar in de ethiek in het algemeen en die in het sociale leven in het bijzonder een oplossen van religie in humanistische intermenselijkheidsbeschouwingen dreigt, treft de opmerking onder “de taak der kerk ...." (93), dat de dagelijkse arbeid voor ons dagelijkse brood parergon (nevenwerkzaamheid) blijft naast het ergon van het werk van en voor God. De kerk moet erop uit zijn, deze beide in de juiste verhouding op elkaar te gaan of te blijven betrekken; op de blz. 108111 worden enkele suggesties hiertoe gegeven.
De opmerkingen over de zondag voldoen minder. Die dag te omschrijven als dag van taboe's of als dag van dienstbetoon (104) is te beperkt, te bekrompen. Vermoedelijk wordt de gemeente te weinig in zijn (soms nogal tegenstrevende) leerlinggestalte gezien en daarom te vlot naar het dienstbetoon verwezen. Voor ze wat door kan geven moet ze eerst wat ontvangen hebben, want ze heeft uit zichzelf niets; dit ontvangen moet toch als centrum de zondag beheersen. Niettemin: wie zich door schr. mee wil laten nemen in het graafwerk in de achtergronden van de in dit boekje aangesneden problematiek ~ hier en daar denkt men: met de achtergrond waarvan zijn we nu ook alweer bezig? — wordt daar stellig door verrijkt.
Arnhem, H. Smit
W. Strongfellow, Mein eigenes volk ist mein feind, 230 S., DM 12, 80. Krcuz-Verlag, Stuttgart, 1965.
Over het rassenvraagstuk raakt men niet uitgeschreven en uitgepraat; dat is wel te begrijpen en ook wel nodig; wij moeten er ons van bewust worden, dat hier vragen liggen, die uiteindelijk de gehele wereld raken. Wij kennen dit probleem in ons land niet en zijn er niet direct bij betrokken, en wij zullen niet mogen vergeten, dat elk land zijn eigen probleem kent, waarover een vreemde gemakkelijk praten kan. Bovendien velt men soms een oordeel zonder de feiten voldoende te kennen en al kennen wij de feiten, dan zijn wij er nog niet: de zieke is nog niet genezen al weten wij precies wat hij heeft en hoe het gekomen is. Met een hoogmoedig oordeel moeten wij wel oppassen; ieder volk heeft zijn eigen collectieve schuld.
Deze dingen moeten wij wel op de voorgrond stellen, als wij het werk van de Amerikaanse advocaat Strongfellow, dat hier in Duitse vertaling voor ons ligt, aankondigen. De schrijver heeft een zevental jaren in de slums van East Harlem, de negerwijk van New York, gewoond en gewerkt. Van zijn ervaringen en zijn klachten vertelt hij uitvoerig. Wat een aanklachten en wat een trieste verhalen! Hij laat zien welk een diepe kloof van vervreemding er gaapt tussen de blanke bevolking en de negers. De negerbevolking is in massa in beweging geraakt en wijst heftig de blanken af. Dit heeft zijn oorzaak. Deze afwijzing aldus schrijver, is door een driehonderdjarige uitbuiting der negers door de blanken geprovoceerd. De Kerk, die in deze niet schuldvrij uitgaat, zal deze complexe vijandigheid moeten verdragen zonder protest of gejammer zonder lang naar schuld of onschuld te vragen. Met andere woorden: in de liefde van Christus tot de gehele wereld.
Dit boek zegt toch niet alleen iets over wat aan de andere kant van de Oceaan aan de orde is en waarbij wij tenslotte ook zijn betrokken, al is het niet direct. — Hij waarschuwt voor sommige methoden van benadering: „De verzoeking van de kerk is groot met de wereld in te stemmen en haar boodschap en haar opdracht aan de wereld aan te passen aan de maatschappij waarin zij zich bevindt, in plaats van de onafhankelijkheid van het Woord van alle maatschappen lijke en menselijke voorwaarden, van ruimte en tijd naar voren te brengen. — De Kerk moet zoveel vertrouwen in het Evangelie hebben, dat zij naar de armen gaat en niets anders te bieden heeft dan het Evangelie".
Het boek is een aangrijpend getuigenis; misschien eenzijdig, maar zeer waard om gelezen te worden.
Utrecht, H. Bout
H. te Merwe, Het gezonken Zilverschip, 119 blz., ƒ 1, 90, Uitg. De Banier, Utrecht.
De schrijver verplaatst zijn lezers naar de tijd van de zeventiende eeuw. Twee broers uit Vlaardingen monsteren op „de Hollandtsche Tuyn"; geen gemakkelijke reis wacht hen voor zij het Caraïbische gebied bereiken. Spannend is de geschiedenis over de berging van een zilverschat uit het wrak van een Spaans schip. Het boek dat in de serie „Banier-pocket-boek voor de jeugd" uitkwam, zal onze jonge mensen stellig boeien.
Utrecht, H. Bout
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's