NIEUW LAND
NIEUW LAND. De 18. Derde publicatie in de reeks: Van Kerken tot Kerk. Ing., 144 blz., ƒ 1.95. Carillon-Reeks no. 35. W. ten Have N.V., Amsterdam.
Dit is de derde en wellicht de laatste publicatie van de 18. De eerste was: Van Kerken tot Kerk; de tweede: Aanvaardt elkander.
In het derde deel geven de 18 verantwoording van hun positie en beantwoording van de vragen, die in de loop der jaren hen gesteld zijn.
De eerste vraag is die naar eenheid en waarheid. Deze vraag wordt niet alleen gesteld door gereformeerden, die bezwaren hebben tegen de onduidelijke houding van de Hervormde Kerk ten aanzien van de vrijzinnigheid, maar ook door de gereformeerde bond en de confessionele vereniging in de Hervormde Kerk. Hoe genuanceerd het standpunt van de gereformeerde bond en van de confessionelen moge zijn, volgens de 18 stemmen zij hierin overeen, dat zij de waarheid aan de eenheid laten voorafgaan.
Op deze bezwaren gaan de 18 breed in. Zowel de Hervormde als de Gereformeerde Kerken worden aanvaard, zoals zij krachtens eigen belijdenis en kerkorde verklaren te zijn. Ideaal is het bij geen van beide.
Bij de waarheidsvraag moeten wij niet denken aan dogmatische formules, maar aan een Persoon. ledere tijd moet de Schrift en de belijdenis in het heden vertolken. Wij kunnen niet volstaan met een herhaling. Hier heeft de vrijzinnigheid een functie, zolang de kerken haar vragen niet overnemen.
De beoefening van de leertucht is een hachelijke zaak. Aan een positief belijden wordt de voorkeur gegeven boven het treffen van tuchtmaatregelen. Volten's gedachten over een leertucht in de fundamentele punten van het heil worden afgewezen. De 18 houden zich aan Art. 10 van de Kerkorde: De Kerk weert wat haar belijden weerspreekt.
Andere bezwaren dan de genoemde houden de eenheid tegen. Men wil deze eenheid niet. Men vreest de versterking van de midden-orthodoxie. Voor deze bezwaarden is een legitieme plaats, maar zij moeten niet de plaats willen hebben.
Daarom moet er ruimte zijn bij alle verscheidenheid. In die ruimte is er de eenheid met Christus als geschonken realiteit en als onontkoombare opdracht.
In het evangelisatiewerk worden de verschillen klein en blijkt, dat er van weerskanten dezelfde vragen zijn. De jongeren blijken, na aanvankelijk enthousiasme, weer lauw te zijn. Zij vragen om echtheid. Vandaar de noodzaak van een algehele vernieuwing.
De 18 willen niet in de eerste plaats de eenwording van de instituten, maar voorlopig een kerkordelijke zichtbare vorm, b.v. A en B kerken. Verder overleg van synoden, kerkeraden, enz. Zij vrezen verdere opsplitsing en willen niets forceren. Vandaar dat de 18 terugtreden en de daad verder laten aan de gemeenten.
In het volgend hoofdstuk worden nog concrete wegen gewezen voor de gemeenten en de gemeenteleden om het begeerde ideaal te verkrijgen.
Het boekje besluit met vier schetsen voor gesprekskringen over Ezechiël 34, Jes. 11 : 1-10, Joh. 10 : 1-21 en 1 Cor. 1 : 12-2 : 4 en enkele toespraken, gehouden op de congressen van 1964.
Na deze korte informatie een korte bespreking.
De 18 hebben zich aan de bezwaren, die tegen hun streven zijn ingebracht, niet afgemaakt. Zij zijn er breed op ingegaan. Of zij aan alle bezwaren recht gedaan hebben? Wat mij betreft, gevoel ik mij geen recht gedaan met het citaat uit een lezing: De gereformeerde gezindte nu en in de toekomst, op blz. 11. Inderdaad is daar een bezwaar tegen de gang van zaken in de Hervormde Kerk geuit en weergegeven. Maar de conclusie, dat ik de waarheidsvraag vóór de eenheidsvraag wil opgelost zien en dan pas eenwording met de Gereformeerde Kerken onder ogen zou willen zien, is in zoverre onjuist, dat dit strijdt met de conclusies, waartoe ik gekomen ben op blz. 26 van genoemde inleiding, waar staat: „Deze twee brandpunten (n.l. de eenheid in hetzelfde verbond van de uitgeroepen gemeente èn van de volle aanwezigheid van God in Christus door de Heilige Geest) kunnen ons ook vandaag de weg wijzen uit het slop, waarin wij door onze gemeenschappelijke zonden gekomen zijn. Deze weg is: eenheid door reformatie en reformatie door eenheid. Of anders: eenheid door waarheid en waarheid door eenheid. Of nóg anders: eenheid en waarheid in Christus. De rechte verbinding van deze twee zijn er in Christus".
Daarmee beweer ik niet, dat de conclusies van de 18 dezelfde zijn als van mij, maar wèl, dat wij elkanders standpunten duidelijker moeten weergeven. Het is mij niet mogelijk het idealistisch standpunt van de 18 ten aanzien van de Hervormde Kerk mee te maken. Ook de Hervormde Kerk is niet ideaal - de 18 erkennen dat - , maar wij moeten èn de Hervormde Kerk èn de Gereformeerde Kerken aanvaarden zoals deze zijn. De verdere ontwikkeling dient aan het werk van de Geest overgelaten te worden. Dit beroep op de Geest slaat slecht aan, wanneer dit niet gepaard gaat met een radicale bekering van onze kerk. Daarbij komt, dat de waardering van de Waarheid als een Persoon een hele vracht theologie in zich besluit, die een ander gezicht geeft op de kerkelijke plaats en functie van de belijdenis der kerk.
Is het waar, dat ieder nieuw geslacht tot de Schrift en de belijdenis komt met eigen vragen en dat wij niet kunnen volstaan met een herhaling van de Schrift en de belijdenis, maar die in samenhang van onze eigen tijd moeten geloven en belijden?
Weliswaar wordt op pagina 14 erkend, dat Schrift en belijdenis de onmisbare bron en maat van de kennis der waarheid is, maar dit wordt weer gezet in het kader van de confrontatie met de eigentijdse vragen, zonder de voortgang van dit belijden duidelijk te honoreren. Met erkenning van de waarheidselementen in deze woorden, waar is op deze wijze de voortgang èn het behoud van datgene wat de vaderen, sterker, wat de kerk beleed? Ligt het nieuw belijden op de weg van het oude belijden of is het een afbuiging? Deze vraag klemt temeer, omdat op blz. 19-21 een ander geluid gehoord wordt.
Is het juist op de weg van de confrontatie de vrijzinnigheid een plaats en een functie te geven, vanwege hun openheid voor de wereld van nu? Weliswaar wordt erkend, dat de vrijzinnigheid overbodig zou moeten zijn, maar zolang de kerk de vragen van de vrijzinnigheid niet tot de hare maakt, zal de vrijzinnigheid blijven.
Wonderlijk is deze redenering. Immers hier wordt de zaak op geen enkele wijze vanuit de Schrift benaderd, maar vanuit deze tijd en vanuit de vragen, die deze tijd stelt. Hier laten de 18 het spoor van het Woord Gods los en komen in het struikgewas van deze tijd. Dan valt het ook niet moeilijk de leertucht zó wazig te maken, dat er weinig van overblijft. Wel wordt erkend, dat de Schrift de leertucht stelt, maar in de praktijk weten de 18 er geen raad mee.
Na deze verdediging gaan de 18 tot de aanval over en zeggen, dat de bezwaarden geen echte eenheid willen. Zij hebben de indruk, dat men deze niet wil. Zelfonderzoek van alle kanten is zeker geboden. Maar ik kom hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat de 18 geen gereformeerde kerk willen in de reformatorische zin van het woord en zoals deze in ons vaderland gestalte heeft gekregen vanuit Geneve via Dordt.
Lees de blz. 19-21 van Nieuw Land ! Dat is een ander land, dan wat de reformatie voor ogen stond. Ook de 18 zijn geraakt door de toverstaf van het relativisme. Ook zij willen - wellicht wat minder uitbundig - de ruimte van de Hervormde Kerk. De bezwaarden wordt de uniformiteit verweten. Welke uniformiteit? Het volle gezag van 't Woord Gods èn het kerkelijk gezag van de belijdenis? Is dat traditie?
Wie wil de kerk binden aan de kleine traditie? Laten de 18 hier man en paard noemen!
De strijd om de helderheid in het belijden in onze kerk dient recht en eerlijk gestreden te worden. Daarbij helpen onderscheidingen tussen Traditie en traditie (blz. 20) niet, wanneer niet duidelijk wordt gemaakt, wat de 18 daarmee bedoelen. Zij (de 18) suggereren, dat sommigen hun leef-en denkpatroon aan de gehele kerk willen opleggen. Dergelijke uitdrukkingen acht ik vertroebelend. De strijd van de gereformeerde bond gaat niet over een leef- en een denkpatroon buiten de Schrift en de belijdenis om, maar over de rechte helderheid in de kennis des Heeren, zoals de kerk daarvan belijdenis doet. Het zal de duidelijkheid dienen, wanneer hier onder de voorkeur voor het eigentijdse belijden niet een tegenstelling met het belijden van de kerk der eeuwen schuil gaat.
Wanneer dan ook de 18 op blz. 21 een duidelijke uitspraak willen horen, dat wij de traditie van ons leef-en denkpatroon niet willen opleggen aan de anderen, dan hebben zij — wat ons betreft — deze uitspraak hier. Daar gaat het ons niet om.
Deze weg van de 18 loopt dood! Mogelijk komen er op de duur resultaten in de eenwording van instituten. Is daarmee - zonder meer - iets gewonnen? De gemeente van Christus is over verscheidene instituten verdeeld, helaas. Dat is het benauwende probleem, dat ons allen aangaat. De 18 zijn er niet uitgekomen. Wij wel? Dit maakt ootmoedig en bescheiden.
Maar hoe gecompliceerd ook het kerkelijk vraagstuk is en hoezeer wij gevangen zijn door de banden van onze eigen zonden, wanneer niet een hartgrondige reformatie doorbreekt, blijft het knutselwerk van bepaalde instituten met wat geven en nemen, waarbij de verwording doorzet.
Prof. dr. H. Ridderbos schreef, dat er een andere ploeg nodig is om een nieuw land te ontginnen. Dat beaam ik van harte. Wij hebben een ploeg nodig, die veel scherper is en dieper gaat. Laten wij het niet vergeten, dat echt gereformeerd echt bijbels is. Elke mindering op het gereformeerd karakter van de kerk is een vermindering van het bijbels gehalte. Om dit bijbels karakter van de kerk gaat het, ook vandaag.
Katwijk aan Zee, G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's