De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Toejuichen en daarin verwerpen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Toejuichen en daarin verwerpen

10 minuten leestijd

En die voorbijgingen en die volgden riepen, zeggende: osanna! Marcus 11 : 9a.

I

In het lijden van Christus is veel onbegrijpelijks. Ieder jaar opnieuw stellen de lijdensweken ons voor de vraag: waarom de joden Jezus hebben verworpen en gekruisigd? Jezus was de Beste en Edelste der mensen. Waarom heeft Zijn volk hem op zo smadelijke en smartelijke wijze ter dood gebracht? Wel, zegt misschien iemand, dat is een gevolg van de zonde. Ik antwoord met een wedervraag: welke zonde? Ik wil graag weten of het een zonde is, die in mijn hart woont dan wel één, die ver van mij afstaat. Dit ene staat vast: het joodse volk heeft Jezus verworpen. De Schrift zegt: „Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Toch neem ik aan, dat niet allen dezelfde motieven hadden. Ik zie drie groepen: de schare, de godsdienstige mensen, de gelovigen.

Waarom heeft de schare Jezus verworpen? Om dat te verstaan moeten we bij de intocht beginnen. De laatste opgang naar het Paasfeest brengt ons nieuwe dingen. Zo is het vroeger niet gebeurd.

Jezus is nu voor het eerst aan 't hoofd van een grote menigte opgegaan naar het feest. Marcus 10 : 46 zegt: En als Hij en Zijn discipelen en een grote schare van Jericho uitging". Het leek wel of de grote dag nabijgekomen was, dat Jezus het koningschap ging aanvaarden. Het was immers nog nooit geschied, dat de Meester aan het hoofd van een grote mensenmassa was opgegaan naar een feest.

Dan wordt het de eerste dag der nieuwe week. Jezus maakt zich op die dag naar Jeruzalem te gaan en wandelt naar de nabijheid van het dorpje Vijgenhuis (Bethfagé). De mensen zijn vol van Jezus door de opwekking van Lazarus. En nu gaat er weer iets ongewoons gebeuren. Twee discipelen worden uitgezonden om een ezelin te vorderen. Overal langs de weg zijn mensen. Het trekt dus goed de aandacht als de twee uitgezondenen met een ezelin en een veulen tegen de stroom in wandelen. Prachtig is het: wee vissersmensen met twee ezeltjes. Wellicht zijn sommigen blijven staan en anderen mee teruggelopen. Het schijnen nogal gewillige dieren geweest te zijn. In Psalm 110 staat, dat er voor de Messias een gewillig volk zal zijn op de dag Zijner heirkracht. Er zijn zelfs gewillige dieren. De ezelin stond klaar voor Jezus. De eigenaar was gewillig gemaakt. Nu moest het dier alleen nog maar tot de Messias gebracht worden. Zo zijn er wel mensen, die gebonden langs de weg staan en de wereld niet meer kunnen dienen. Doch om Jezus te dienen, moeten zij nog losgemaakt en tot Hem gebracht worden. Hierin is de Voorzienigheid Gods, die zorg draagt, dat alles er is, als het nodig is. Toen de discipelen bij Jezus terug waren en het ezeltje hadden gepresenteerd, legden ze hun klederen op het veulen en hielpen hun Meester opstijgen. Het was een jong, onbereden dier, zoals het koningen past. Waarom moest het nu juist een ezelsveulen zijn? De ezel, krachtiger en flinker dan bij ons, was in Israël een geliefd rijdier. Een paard was voor Israël een beetje heidens, te wild. De ezel is als de wateren van Silóa, die rustig vloeien. Hij is een beeld van rust, nederigheid, zekerheid. Jezus volgt hier de oude zede, Hij handelt ouderwets. Zo zag ook Zacharia in het rijden op een ezel een teken van nederigheid. „Uw Koning zal komen, rechtvaardig en Hij is een Heiland; arm en rijdende op een ezel, op een veulen, een jong der ezelinnen". (Zach. 9 : 9). De Zaligmaker kiest geen oorlogspaard, maar een vrededier.

Waarom rijdt Jezus? Onderzoekingen uit deze eeuw hebben doen zien, dat Bethfagé naar alle waarschijnlijkheid de plaats was, waar de feestgangers een bad namen. Men moest immers, om de tempel te mogen binnengaan, rein zijn. Als het zo is, wilde Jezus in koninklijke reinheid Jeruzalem binnenrijden. Daar zit Hij dan; op een ezel, koninklijk. De schare raakt in vervoering. Niet weinigen trokken hun kleren uit en legden die op de weg, opdat het rijdier een tapijt voor zijn voeten zou hebben. Zij wuiven voorts met palmtakken en trekken opgewonden verder. Op een bepaald punt van de weg krijgen zij het volle gezicht op Jeruzalem. Dat is als zij de Olijfberg zover zijn op- en omgetrokken, dat ze de afdaling kunnen beginnen. Lucas: „als zij de afgang van de Olijfberg genaakten". Bij het gezicht op de stad groeit de geest­ drift aan tot een ovatie. „Geef nu heil", roept de menigte. Zo van buiten gezien is het prachtig. Het is alsof de nieuwe Koning Zijn intocht houdt in de hoofdstad en het volk de koningsjubel aanheft: „Gezegend is Hij, die komt in de naam des Heeren". En eeuwig bloeit de gloriekroon. Op 't hoofd van Davids grote Zoon. „Gezegend het Koninkrijk van onze vader David, dat nu komt. Geef nu heil" ...

Met welke vraag ben ik ook alweer begonnen? Was het niet de vraag, waarom Zijn volk Jezus verworpen heeft? Deze vraag schijnt niet bij onze tekst te passen. Men is geneigd te zeggen: eindelijk. Eindelijk krijgt Jezus de hulde, die Hem toekomt.

De geestdrift kende geen grenzen meer. En Jezus zelf zit daar in het midden, rustig, als een Koning. Hij schijnt deze hulde te aanvaarden. Als sommige farizeeën Jezus vragen Zijn discipelen te kalmeren, zegt Hij: „Indien deze zwijgen, zullen de stenen roepen". Jezus wilde het. Hij wilde, dat men Hem als Koning zou huldigen op Zijn laatste grote Paasfeest op aarde. Het ezelsveulen met Jezus daalt voorzichtig af naar Jeruzalem. Wat een feest.

De juichende schare en de stille Jezus staan voor de poorten der stad. De stad, met zijn tempel en trotse gebouwen ligt aan hun voeten, rijst voor hen op. „Jeruzalem, dat ik bemin. Wij treden uwe poorten in".

Maar nu wordt het merkwaardig. Hoor hoe de duizenden juichen. Zie, hoe de Ene weent. Een juichend volk en een wenende Koning. Dat is de intocht in Jeruzalem. „En als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: och, of gij ook bekende, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen" (Luc. 19 : 41, 42).

Waarom weende Jezus, terwijl het volk Hem toejuicht? Spits gezegd: Jezus weent, omdat deze juichende mensen Hem verwerpen. Wat zij bij Jezus zoeken kan Hij niet geven, en wat Hij wil geven, willen zij niet hebben. De juichende schare hoopte en meende, dat Jezus nu Jeruzalem ging verlossen van de aardse vijanden. In hun gedachten zagen zij de Romeinse legioenen al vluchten voor de geweldige Koning Israëls. Maar hiertoe was de Christus niet in de wereld gezonden. De intocht in Jeruzalem had een grote betekenis. Zijn intocht was een oproep tot gans Israël om Hem te erkennen tot hun Vorst. Maar voor Hem was de wedergeboorte van iedere zondaar het doel en niet de wedergeboorte van de joodse staat. Jezus deed Zijn wettige aanspraak op de troon van David gelden. Maar dan om het Koninkrijk der hemelen op te richten.

Dit Koninkrijk is niet van deze wereld. (Joh. 18 : 36). Dit Koninkrijk is van geestelijk karakter. Men kan er alleen deel aan verkrijgen door bekering, wedergeboorte, worden als een kind, door met Christus in de dood te gaan en in Hem op te staan tot een nieuw leven.

De joden hebben moeten kiezen tussen dit rijk van Christus en de nationale staat. Zij hebben deze laatste gekozen. In 1948 hebben zij hem ook verkregen. Is dat de bekering van Israël?

Als ik het goed zie, staat de kerk ook heden ten dage voor de keuze tussen het Koninkrijk der hemelen als verbetering van deze wereld in een moeizame strijd te verwerven en het Koninkrijk der hemelen als een nieuwe schepping door de ondergang van deze aarde heen te bereiken. Vrijzinnigen en een groot deel midden-orthodoxen zijn ijverig bezig met het Koninkrijk. Maar zij bedoelen de verbetering van deze aarde, van deze mensheid. Met behulp van Jezus en van God hopen zij hun ideaal te kunnen omzetten in werkelijkheid.

Het is in de grond de godsdienst van het streven, zoals deze ook in de rooms-katholieke kerk is. Maar de Bijbelse prediking is de godsdienst van het sterven. Elk uitverkorene sterft aan zichzelf, zijn oude mens sterft, zijn nieuwe staat alleen op in Christus. Het wordt geen verbeterde mensheid, het wordt een mensheid in Christus. Elk uitverkorene sterft in het stuk van de rechtvaardigmaking en wordt een goddeloze. Elk uitverkorene sterft in het stuk der heiligmaking en hij wordt een onheilige. Het tarwegraan valt in de aarde en sterft. Straks gaat heel deze wereld onder met al haar instellingen, wetten, voorzorgen, verbeteringen. Alle elementen dezer wereld zullen brandende vergaan. Dan schept God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Zeer velen echter in de kerk verwachten het van de verbetering van deze wereld. Daarom verwerpen zij de prediking van Christus en de Christus Zelf, zoals Hij werkelijk is. Hierover weende Jezus. Zovelen zien de ondergang niet en erkennen niet, wat tot hun vrede dient.

Men zou kunnen denken, dat wij in de kerk met de verwerping van Jezus niets te maken hebben, aangezien wij behoren tot de gemeente, die Hem eert als Koning. Maar nu wordt ons in deze geschiedenis getoond, dat het volstrekt niet uitgesloten is, dat wij Jezus toch verwerpen. Ook bij ons zou toejuiching en verwerping samen kunnen gaan. Een sombere gedachte. Een dominee preekt van Jezus, prijst Hem aan en zou hij Hem dan tegelijkertijd kunnen verwerpen? Wie zou dit willen ontkennen? Het is juist de werkelijkheidszin van de nadere reformatie, de telkens weer op deze mogelijkheid de aandacht vestigt. In elk van Gods uitverkorenen komt de strijd tussen het vasthouden aan zichzelf en het verliezen van zichzelf om onvoorwaardelijk Jezus te kiezen tot profeet, priester en koning. Het is juist de levendgemaakte zondaar, ook onder de predikanten, die weet krijgt van deze verwerping.

Zo kan een ouderling bij jong en oud aandringen om de prediking van Christus te gaan horen en Hem aan te nemen, terwijl de ouderling zelf Hem in de grond zijns harten (nog) verwerpt. Dat deed de ouderlingen vroeger zuchten: „Hoe raak ik nog mijzelve kwijt Om Jezus voor een eeuwigheid, Recht hartelijk te kiezen".

Laat toch niemand denken, dat alleen de joden zalig wilden worden zonder wedergeboorte, zonder sterven aan zichzelf, zonder bekering. Vele christenen willen evenzeer een Koninkrijk der hemelen, waarin men zomaar, zonder werkelijke bekering — d.w.n.z. zonder verbetering! — kan binnentreden, waaraan ieder kind van Abraham zo maar deel heeft.

Zo kunnen de mannen en vrouwen die onderwijs geven graag laten zingen: „Er ruist langs de wolken", terwijl zij toch de echte Jezus van de ondergang van eigen ik en van de volkomen overgave verwerpen. Men zegt meestal, dat de schare Hem op zondag toegejuicht heeft en op vrijdag verworpen. Zouden verwerping en toejuiching niet dichter bij elkaar liggen? Terwijl wij Hem toejuichen, verwerpen wij Hem, doordat wij Hem met verkeerde gedachten en verwachtingen toejuichen. Dat is niet uitgesloten.

Delft   -   L. Vroegindeweij

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Toejuichen en daarin verwerpen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's