UIT DE PERS
Verticalisme en horizontalisme in de prediking.
Wie enigermate op de hoogte is van het huidige theologisch denken weet hoe de aandacht sterk gericht is op de aarde en de wereld. Het „Broeders, blijf de aarde trouw" is voor velen het abc van alle theologie. En uitingen als „Hier beneden is het niet" worden als de ergste ketterijen beschouwd. Toch zijn hier nog wel een aantal vragen te stellen. In de eerste plaats kan men vragen: houdt de geciteerde zinsnede van Lodenstein een ontkenning van de schepping in of moet ik dit lied niet veeleer beluisteren tegen de achtergrond van Filip. 3 : 20: Maar onze wandel is in de hemelen ... " ?
En voorts is het goed te overwegen dat men vandaag uit reactie tegen het: „God en de ziel, de ziel en haar God" in een andere — minstens zo gevaarlijke — eenzijdigheid vervalt, waarbij de gerichtheid op de aarde, de wereld, de mens dusdanig is dat het evangelie versmald wordt tot een sociaal programma, een boodschap van humaniteit zonder meer. In dit verband is het goed te luisteren naar de opmerkingen van ds. J. Overduin, die in het blad „Woord en wereld" een belangrijk artikel schreef over de prediking en daarin ook inging op deze punten. Uit dit artikel, overgenomen in „De Wekker" van 18 februari citeren we het volgende:
Dit geldt ook voor het tegenwoordig veel besproken verticalisme en horizontalisme. Wat is dat voor een evangelie, waarin de mens alleen maar interesse heeft voor zijn „onsterfelijke ziel", die gered moet worden voor de „nimmer eindigende eeuwigheid" (alles verticaal), zonder dat men Christus ontmoet in de naaste? Dat is religieus egoïsme, waarbij de mens onmenselijk wordt.
Een ontzaglijke schuld heeft de kerk in vele eeuwen hierdoor op zich geladen. Zo kan de kerk geen licht der wereld en zout der aarde zijn. Jezus heeft niet gezegd: Heb God lief en de naaste komt er niet op aan. Maar tegenwoordig moeten wij met evenveel ernst en bezorgdheid vragen: Wat is dat voor een evangelie, waarin de mens alleen interesse heeft voor de naaste en de medemenselijkheid (alles horizontalisme) en waarin men meent dat God Zich alleen laat ontmoeten in de naaste? Dat is religieus humanisme, waarbij God steeds meer ontgoddelijkt wordt.
Velen zijn nu bezig een enorme schuld op de kerk te laden door Christus als Verlosser onzichtbaar te maken, omdat ze Hem verstoppen in de naaste. Jezus heeft evenmin gezegd: Heb uw naaste lief en God komt er niet op aan.
In het eerste geval verliest men de mens als mens, waardoor men ook God als de levende God verliest, want wie beweert, dat hij God liefheeft en zijn broeder niet liefheeft, is een leugenaar. In het tweede geval verliest men God als God, waardoor men ook de mens als mens Gods verliest. Je ziet het proces voor je in de moderne theologie. Wanneer alles medemenselijkheid is wat de klok slaat, dan staat ook de „theoloog" op, die zo eerlijk en nuchter is om te zeggen: Jongens, laten we het woord Gods niet meer gebruiken, want het is zinloos; we bedoelen er toch wat anders mee. Ook hier zien wij de ontzaglijke gevaren, wanneer wij het verticale scheiden van het horizontale, hetgeen God saamgevoegd heeft.
Daarom moet ook het dubbel liefdegebod integraal en niet naast elkaar en gescheiden gepredikt worden. We zien reeds dat allen in een „theologisch atheïsme" terecht gekomen zijn.
De hele Schrift laat op elke bladzijde zien, dat de wan-verhouding tot de naaste haar wortel heeft in een wan-verhouding tot God. Het gaat maar niet om het humane-sec en de medemenselijkheid-sec en om liefde sec, maar om een christelijk gekwalificeerde humaniteit, medemenselijkheid en liefde.
Daarom moet elke oproep tot een ethische bekering altijd ten diepste zijn, een oproep tot een religieuze bekering. Zoek Mij en leef.
Hemel en aarde.
Dat deze vragen diep ingrijpen in de huidige problematiek blijkt ook uit enkele opmerkingen van André de Leeuw in het maandblad „Kontrast", een blad op marxistische grondslag. Schrijvend over de verhouding van Christendom en Marxisme merkt deze scribent onder meer op:
Een vruchtbare dialoog tussen marxisten en progressieve christenen zal echter in de eerste plaats niet over de hemel, maar over de aarde moeten gaan. Op dat vlak zullen naast de tegenstellingen vooral de overeenstemmingen gezocht moeten worden om het gesprek van de contemplatie naar een gezamenlijke inzet voor vrede en democratie te leiden. Het aardse welzijn, daar ligt immers een gemeenschappelijke preoccupatie.
U ziet: ook hier dezelfde geluiden: Niet over de hemel, maar over de aarde. „Ja!" zeggen vele theologen: „Het gaat God om de aarde..." We zullen hier m.i. toch wel scherp moeten luisteren naar het geheel van de Schrift. Zeker, de aarde is des Heeren mitsgaders haar volheid (Ps. 24). Voor een dualisme dat de schepping minacht en prijsgeeft is geen plaats in de Schrift. Maar we zullen daarnaast nooit mogen vergeten dat deze wereld bezet gebied is. In ons spreken en denken over de verhouding van God en Zijn wereld mogen we Genesis 3 niet uitschakelen. En voorts is het toch niet zonder betekenis dat in het N.T. vaak gesproken wordt over het „Koninkrijk der hemelen". Dat betekent geen verwaarlozing van de schepping en de aarde. Dat laat ons wel zien dat Gods Koninkrijk geen verlengstuk van onze inspanning voor vrede en democratie is. Het breekt zich baan vanuit de hemel in de komst van het werk van Jezus Christus. Wie dit aspect voorbijziet kan wel tot de progressieven gerekend worden, maar het is een levensgevaarlijke progressiviteit, die aan de wezenlijke inhoud van het Evangelie voorbijgaat. Terecht schrijft drs. J. Plomp in het „Geref. Weekblad" (Uitgave Kok, Kampen) van 18 februari j.l.: „De hemel heeft daarom zijn plaats in het komen van dat rijk op aarde. Daar ligt het vast bestek van alle gunstbewijzen, die God voor onze wereld in petto heeft".
De vraag van Luther.
De gerichtheid op de aarde en de mens brengt met zich mee dat velen de vraag van Luther: „Hoe vind ik een genadig God" voor de moderne mens weinig relevant meer vinden. Naar aanleiding hiervan merkt Plomp in het zojuist aangehaalde artikel op:
Tenslotte is er toch altijd de vraag wie „het gezegend aardrijk beërven" zal. Hoe in verschillende tijden de accenten ook mogen verschuiven dit blijft in alle tijden een vraag van de eerste orde. Ze kan natuurlijk uit puur egoïsme gesteld worden: „Als ik maar in de hemel kom". Toch geloof ik dat we met dat woord egoïsme voorzichtig moeten zijn. Was Luthers vraag: hoe krijg ik een genadig God? egoïstisch? En de vraag van de scharen, de tollenaars en de soldaten aan Johannes de Doper, toen hij hun de doorbraak van het Koninkrijk Gods verkondigde: Wat moeten wij dan doen? Of hebben deze mensen er notie van gehad dat het Koninkrijk Gods een nieuwe wereld betekende, die vroeg om nieuwe, veranderde, bekeerde mensen? Inderdaad, zonder wedergeboorte (van hart èn leven) zal niemand het rijk binnengaan, al heeft hij er nog zoveel stenen voor aangedragen. Dat zal toch altijd een onvervreemdbaar bestanddeel van de prediking moeten zijn.
Uit de hierboven gegeven citaten blijkt overduidelijk hoe belangrijk het is dat wij ons niet verstrikken in onvruchtbare dilemma's maar als leerlingen van Gods Woord de Schrift aan het woord laten. Reformatorische prediking staat en valt met het „bewaren van het Woord", opdat wij niet in een zucht naar progressiviteit de inhoud van Gods Woord opofferen aan de mode-theologoumena van een bepaalde tijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's