DE DOOPVRAGEN 3
Nadat de ouders aangesproken zijn als „geliefden in den Here Christus", worden de vragen, die aan hen gesteld zullen worden, ingeleid door een korte en bondige samenvatting van alles wat het formulier uit het Woord Gods heeft geput en heeft voorgehouden: „geliefden in den Here Christus, gij hebt gehoord, dat de Doop een ordening Gods is......”
Er ligt een grote mate van gezag in die woorden: gij hebt gehoord. De Kerk is er zich van bewust, dat zij de mensen niet confronteert met betrekkelijke, menselijke opvattingen en beschouwingen, maar dat zij Gods inzettingen te vertellen heeft. Wie daar met zijn kinderen voor de Doop verschijnt, kan zich niet verontschuldigen vanwege onwetendheid. Eenvoudig, klaar en duidelijk is hun voorgehouden, dat hij staat voor een ordening van God, een gebod Gods, een inzetting, die God bestemd heeft voor het grote huisgezin van Zijn Kerk.
Het doel van die ordening is: „aan ons en aan ons zaad Zijn verbond te verzegelen”.
Hier zijn enkele kanttekeningen bij te plaatsen.
Ie. Het is Gods verbond, dat verzegeld wordt.
Wie het tot zich laat doordringen, wat dat betekent, zal tot de bediening van dit Sacrament niet anders dan met eerbiedige schroom, met ootmoed, verwondering en dankbaarheid kunnen naderen.
2e. Hoewel het kind gedoopt wordt en niet de ouders, wordt het verbond niet alleen aan het kind verzegeld, maar ook aan de ouders. Er is geen lijn (althans wat betreft deze bevestiging van het genadeverbond in de lijn der geslachten) naar het kind, dan via de ouders. Het ware te wensen, dat bij onze Doopsbediening, de ouders zich wat meer ook zelf bij deze verzegelende daad Gods betrokken wisten en zichzelf toeriepen: hoor en zie! welk een wonder, dat God aan óns (en wie zijn wij!) Zijn verbond wil verzegelen!
3e. De kinderen worden dus niet gedoopt, zonder dat de ouders erbij betrokken zijn. Maar ook omgekeerd: de ouders worden niet als deelgenoten van het verbond Gods aangemerkt zonder hun kinderen. Na al wat reeds eerder geschreven is over de onderwijzing van het formulier, behoeven we niet weer breedvoerig hierbij stil te staan. De genade doet de scheppingsordinanties niet teniet, maar gebruikt en heiligt ze.
4e. Het verbond van God wordt niet in het moment van de Doopsbediening opgericht. Het wordt alleen bevestigd. Het bestond reeds krachtens Gods belofte.
Hier is dus een uitdrukkelijke daad Gods.
Men zegt vaak, dat er wat met de mens gebeuren moet. Het is duidelijk, dat men hierbij denkt aan wedergeboorte en bekering. Maar laat men hierbij niet uit het oog verliezen of, verwaarlozen, wat er gebeurd is.
En juist, omdat wij hier staan voor 't wonder van een uitdrukkelijke daad Gods, is er sprake van een ergerlijke schuld, wanneer door onze ongelovigheid en ongeestelijkheid een daad van de levende God gedegradeerd wordt tot een zaak van dode, geesteloze sleur.
Alweer: het ware te wensen, dat onze Doopouders er voor huiverden, dat dit bij hen het geval zou zijn. Dan zouden zij de bediening van de heilige Doop tegemoet gaan met het gebed: „Here, bewaar mij ervoor, dat ik mij daaraan zou schuldig maken en dat ik, in plaats van tot U te naderen in Geest en in waarheid, zou komen als tot een dode handeling en zodoende zou zondigen tegen het tweede gebod, U behandelende als een dood, stenen beeld".
Niet minder te vrezen is, dat de ouders een bijgelovig gebruik zouden maken van het zegel van Gods verbond. Die neiging tot bijgeloof i.v.m. het Sacrament is al zeer vroeg in de Christelijke Kerk tot ontwikkeling gekomen, heeft zich vastgezet in bepaalde Rooms-Katholieke leerstellingen omtrent de Doop, en hangt samen met diep ingewortelde tendensen van ons vleselijk hart.
Dat is zonde tegen het eerste gebod.
Onze Catechismus heeft in Zondag 34 afgoderij én bijgeloof in één adem genoemd. Telkens wordt daarbij gesproken van het vertrouwen op de schepselen (of dat nu de „heiligen" zijn of iets anders). En in vraag 95 van die Zondag wordt gezegd: afgoderij is in de plaats van den enigen waren God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.
Nu komt God de Here weliswaar in het Woord en met het Sacrament, dat dit Woord van Zijn zegel voorziet, maar niet opdat wij op IETS zouden vertrouwen, n.l. het Sacrament op zichzelf, los van Hem. Maar veeleer opdat wij zouden bouwen OP GOD ZELF, komende in Zijn Woord en Sacrament.
Dat deze waarschuwingen nog even actueel zijn als zovele eeuwen geleden, toen de massa der Hervormden Rome pas verlaten had, leert de praktijk in iedere gemeente.
Daarom moet aan de gemeente en in het bijzonder aan de Doopouders nog steeds het wezenlijke van het Sacrament worden voorgehouden. Het moet steeds voor ogen worden gesteld wat Gods bedoeling hiermede is en hoe Hij jegens ons en onze kinderen gezind is. Het Sacrament is de tastbare en concrete openbaring van de „benevolentia Dei", d.i. welwillendheid Gods.
Maar wat nu van Godswege oprecht en welgemeend bedoeld is, moet ook van de zijde der „bondgenoten" oprecht en welgemeend ontvangen worden. Gods bedoeling is Zijn verbond te verzegelen.
Tot hetzelfde doel moeten de ouders de Doop ontvangen. Opdat het dan openbaar zal worden, dat zij alzo gezind zijn, wordt gevraagd, dat zij op enkele vragen „ongeveinsd" zullen antwoorden. Die ongeveinsdheid mag gevraagd worden jegens een God, Die in alles waarachtig en ongeveinsd is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's