De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS

8 minuten leestijd

Vraag en antwoord 19. Vr. Waaruit weet gij dat? Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijn eniggeboren Zoon vervuld.

32

In onze catechismus treffen we niet een opzettelijke behandeling aan van het leerstuk aangaande de H. Schrift als het Woord Gods. Begrijpelijk. De reformatie leefde uit de Heilige Schrift als het Woord van God. Zij had de H. Schrift als zodanig mogen herontdekken en zij wist bij ervaring van de absolute overmacht en heerschappij van het Woord van God. Het kind bewijst niet zijn vader, maar kent zijn vader en diens woord. Niet anders is het met de Kerk, die in de Heilige Schrift haar levende God hoort spreken. Zoals Calvijn zegt „als met hoorbare stem van de hemel". De Heilige Geest is het Woord, de Heilige Schrift heeft voortgebracht en met de Heilige Schrift verbonden is, woont ook in de Kerk. Hoe kan het dan anders, dan dat de Kerk zich buigt onder de Heilige Schrift als het Woord van haar God. Daarom vinden we in de catechismus niet een leer aangaande de Heilige Schrift, maar komt hij geheel op uit de Heilige Schrift, is er de vertolking van.

Van vraag 1 tot en met 129 geeft de catechismus getuigenis van het sola Scriptura, de Schrift alleen. Zo wordt door de catechismus de H. Schrift aan de leerling toegeëigend.

In onze dag kunnen we helaas niet meer voorbijgaan aan een nadere bezinning op de belijdenis dat de Heilige Schrift het Woord van God is, niet omdat het geloof der Kerk in deze zou wankelen, maar omdat de eenvoud des geloofs van Gods Kerk zo zeer wordt aangevochten door allerlei beschouwingen en ook 't geloof gevaar loopt daardoor vertroebeld te worden. Daarom moeten we - nu we toegekomen zijn aan de bespreking van het Evangelie, zoals dat van het Paradijs af geopenbaard is, verkondigd en afgebeeld en tenslotte in Christus vervuld - bij ons onderwijs heden ten dage wel stilstaan bij de betekenis van de Heilige Schrift, wat we dan ook willen doen. Men begrijpe echter, dat we hier niet alles aan de orde kunnen stellen. Doch we willen trachten enkele hoofdlijnen te trekken.

Als wij het hebben over Gods Woord, dan bedoelen we daarmee de Heilige Schrift, de Bijbel dus. We zijn er ons van bewust dat elke zin die we hier neerschrijven in de theologische bezinning onzer dagen kritiek oproept. Maar - om daarmee maar te beginnen - we laten ons daardoor niet ontnemen de eenvoudige belijdenis die voor het kinderlijk geloof der Kerk de diepste en innigste realiteit vertolkt. De Heilige Schrift IS haar wezenlijk de openba­ring van haar Drieënige God, Die in DIT Zijn Woord op haar toetreedt. Hierin kan voor haar geen sprake zijn van scheiding van vorm en inhoud van elkaar, zelfs niet van onderscheiding, wijl zij God niet anders kent dan door deze stem en het God behaagd heeft Zich alzo verstaanbaar te maken en Zich wezenlijk te openbaren. God boog Zich neer, ontzaglijk diep neer tot ons mensen en vond een weg en middel om menselijk met ons te spreken, zó, dat Hij wezenlijk Zijn wezen en raad bekend maakte.

Dat wil niet zeggen dat God nooit anders en nooit meer gesproken heeft dan we thans in de Bijbel hebben. We zouden immers kunnen wijzen op Gods algemene openbaring in de werken der schepping. Die laten we nu echter rusten. Maar dan nog kunnen we denken aan de omgang van God met Zijn mens in het paradijs, waar deze levensomgang immers gestempeld werd door een voortdurend Zich openbaren van God en het horen en opnemen en verwerken van die openbaring door de mens. Voorts zijn er ook allerlei woorden Gods geweest tot de profeten, waarvan God het niet nodig oordeelde dat ze bewaard bleven voor de Kerk der navolgende eeuwen. In de Heilige Schrift hebben we echter thans de bijzondere openbaring Gods, waarvan Hij het nodig oordeelde dat ze bewaard bleef in de schoot der Kerk tot Zijn eer en de zaligheid der Zijnen. We zijn gewoon om deze openbaring te noemen „het geschreven Woord van God". Dit kan gezien worden als dienend ter onderscheiding van het „ongeschreven" Woord in de eeuwen die aan de teboekstelling van de openbaring voorafgingen. Maar we kunnen ook van het „geschreven" Woord spreken om het te onderscheiden van het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, die de inhoud en kracht van het geschreven Woord is.

Vaak wordt nog op een derde, of eigenlijk vierde gestalte van het Woord gewezen, n.l. het gepredikte Woord. Ten onrechte, omdat hiermee de prediking van het Evangelie dreigt gelijkwaardig gesteld te worden met het geschreven Woord. De preek is echter ondergeschikt aan het Woord van God, is bediening des Woords aan de gemeente. Dat laatste is heel wat anders. We hebben dan ook de typering van de preek als bediening des Woords te handhaven. En als aanduiding van de prediking mag deze uitdrukking dan ook niet in onbruik geraken.

De vraag waaraan de Heilige Schrift haar gezag ontleent, hebben we eigenlijk reeds beantwoord. Hier treedt dan ook sterk aan het licht het onderscheid tussen Rome en Reformatie. Rome stelt immers het instituut der Kerk boven de Heilige Schrift. Niemand zou weten de Heilige Schrift Gods Woord te zijn, zo de kerk, de paus, de priester dat niet leerde. De Reformatie beleed daartegenover dat de Heilige Schrift autopistos is, d.w.z. gezaghebbend in zichzelf is. Het Woord dat de Kerk uit de dood tot het leven geroepen heeft, komt met zijn overmacht en doet buigen, wijl het God zelf is die in Zijn Woord komt. Zo liggen aan elkander verbonden de getuigenissen: gij zijt wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad door het levende en eeuwig blijvende Woord van God; en: Alle Schrift is van God ingegeven (niet: elke van God ingegeven Schriftplaats); wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is ... want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.

Dat we Rome's dwaling van het stellen van de Kerk boven het Woord bestrijden wil nu echter niet zeggen, dat we zouden ontkennen dat op hen die op het erf der kerk opgevoed worden invloed van de kerk uitgaat tot het groeien van de overtuiging in hen dat de Bijbel Gods Woord is. Natuurlijk niet. Was er in de gezinnen maar meer een levend omgaan met de Heilige Schrift en een leven in eerbied voor het Woord, er zou rijke zegen uit voortkomen voor de kinderen, ondanks alle machten die het tegenovergestelde zoeken te bewerken.

Maar deze eerbied en overtuiging, waarin ongetwijfeld de Heilige Geest werkzaam is, is toch niet genoegzaam. Wat uit opvoeding is meegekregen zal het persoonlijk eigendom hebben te worden in het persoonlijk geloof. Neen, niet moet maar alles wat de student van huis uit meegebracht heeft, overboord gegooid worden, opdat hij zich een nieuwe visie verwerve, die hem straks laatdunkend doet neerzien op het achtergebleven gebied thuis. Maar wel moet wat hij meebracht zijn persoonlijk geloofsbezit worden, het dierbaarste wat hij heeft. Dat dat heden vaak slechts verworven, of beter ontvangen wordt door een ernstige crisis heen zal wel waar zijn. Maar de vrucht ervan is dat hij zichzelf vindt in art. 5 van de confessie: Al deze hoeken (n.l. Gen.—Openb., opgesomd in art. 4) ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfel al wat daarin begrepen is; en dat niet zozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zodanig houdt; maar inzonderheid omdat de Heilige Geest ons getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn. — Dat laatste: „omdat de Heilige Geest ons getuigenis geeft in onze harten" is een aangrijpende zaak. Het is voor het ongeloof het meest absurde, maar voor het geloof het absoluut en ontwijfelbaar bewijs. De reformatie wist zo goed wat dat getuigenis inhield, dat daarmee de zaak voor haar was afgedaan. Met dat getuigenis kan de reformatorische christen alléén staan, niet slechts in een wereld van ongeloof en spotternij, maar ook onder een christenheid, ja op het erf van een kerk die zich steeds verder verwijdert van de bron, welker water haar alleen redden kan van de ondergang.

Alléén staan met dit getuigenis! Ja zeker! Want Gods kinderen zijn door dat Woord in de dood geworpen, niet als waarderingsoordeel aanvaardend, maar in der daad geveld; doch zij zijn door dat Woord ook overgezet in het leven, in een reële geboorte. Naar het zichtbare en zelfs naar de maatstaf der historische ontwikkeling in de na-reformatorische eeuwen moge dit beroep op het getuigenis van de Heilige Geest het zwakste punt der reformatorische belijdenis schijnen te zijn, in werkelijkheid — naar dat geldt voor de troon van God — is het de machtige geloofsgreep der Kerk, waarin zij zich vastgeklonken weet aan haar God, als ziende de Onzienlijke en Hem horend.

Als er dan ook werkelijk van geloofsbelijden in de geschiedenis sprake is, openbaart zich altijd daarin dat onvoorwaardelijk staan en vallen met het Woord van God. De geschiedenis der Kerk geeft daarvan veel bewijzen. Het ware te wensen dat in onze dagen deze dingen meer werden bedacht, bovenal dat dit reformatorisch geloof meer functioneerde in de kerk en haar ver gaderingen,

J. VAN SLIEDREGT

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's