OVER DE ALGEMENE OPENBARING
2
In het vorig artikel over de algemene openbaring wees ik erop, dat de uitdrukking natuurlijke godskennis in samenhang met de algemene openbaring tot groot misverstand aanleiding kan geven. Daarmede wordt de algemene openbaring niet ontkend, integendeel. Aan iedereen wordt het excuus: „ik wist er niets van, kon er ook niets van weten", uit de hand geslagen. Ook de natuurlijke mens is niet los van God, maar „de geest des mensen is blind voor het licht der natuur, dat in alle schepselen schijnt, totdat hij door de Geest verlicht, door het geloof begint te verstaan, wat hij anders nooit begrijpen zou" (zo tekent Calvijn aan bij Hebr. 11 : 3). Want de kennis Gods zoals die nu de mens is overgebleven is niets anders dan een vreselijke bron van afgoderij en bijgeloof (Calvijn op Joh. 3 : 6). De ware Godskennis is door en uit het Woord en daarmede beginnen wij. In de Institutie schrijft Calvijn: mdat het verstand des mensen vanwege zijn zwakheid op generlei wijze God bereiken kan, tenzij het door Zijn heilig Woord wordt geholpen en opgeheven, daarom moeten noodzakelijk alle volken, de Joden alleen uitgezonderd, in ijdelheid en dwaling gewandeld hebben, omdat zij God zonder Zijn Woord zochten.
Calvijn schreef bij Rom. 1 : 21 : God heeft de mens daartoe geschapen, dat hij aanschouwer zou zijn van het uitnemende werk van de wereld, dat hem de ogen gegeven zijn, opdat de mens bij het zien van zulk een schoon beeld er toe gebracht zou worden om de auteur zelf, die dit gemaakt heeft, te erkennen. - Wij moeten dus deze onderscheiding vasthouden, dat de openbaring Gods, waardoor Hij Zijn heerlijkheid in Zijn schepselen toont, duidelijk genoeg is ten aanzien van het licht, dat er is, maar door onze blindheid is het licht niet voldoende. Maar wij zijn niet zo blind, dat wij ons op onze onwetendheid kunnen beroepen. - Er is een groot verschil tussen de kennis, die alleen dienst doet om alle verontschuldiging weg te nemen, en de andere, die tot zaligheid is, waarvan Christus spreekt in Joh. 17 : 3. — De mens verstikt het zaad van de ware Godskennis voordat het wast en vrucht draagt.
In dit verband wil ik nog wijzen op de prediking van Paulus in 1 Cor. (1 : 20 V.). Daar zegt de apostel dat de mens de wijsheid Gods niet opmerkte en opmerkt. Zelfs de menselijke wijsheid eindigt niet bij God. De menselijke wijsheid doet 't tegenover Gód maar slecht. Eigenlijk had dat gemoeten, dat de mens door zijn wijsheid terecht kwam bij de erkenning van de heerlijkheid Gods, dat zou de legitieme orde zijn geweest in zijn beschouwing van Gods werken, daardoor God kennen en erkennen. Maar de mens kwam in zijn wijsheid niet tot de aanbidding Gods, integendeel. De mens had de roeping om de stralen van Gods openbaring op te vangen en daardoor God te kennen in diens onmetelijke wijsheid, - de tekenen van Gods wijsheid zijn toch van de beginne in deze wereld, - maar er was geen opmerken van de deugden Gods. Toen is God het anders gaan doen: omdat in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft 't God behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken wie geloven. - Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen met al hun wijsheid en het zwakke Gods sterker dan de mensen (1 Cor. 1 : 20, 25). Het schijnt de wijze wel dwaas, wat God doet, het schijnt wel, dat God zwak wordt, maar dat is juist de wijze waarop en het ogenblik waarin Hij over menselijke wijsheid en kracht triomfeert. Zo maakt God de dwaasheid der prediking tot de weg naar de ware Godskennis.
De algemene openbaring is geen voorbereiding voor de bijzondere, die in de H. Schrift gegeven is, geen soort voorhof, die wij moeten passeren om daardoor het heilige te kunnen binnentreden. De heidense religies zijn dus ook geen voorportaal voor de christelijke leer. De algemene openbaring ontneemt de mens excuus en roept tegelijk om meer licht!
Nu schijnt deze opvatting niet te kloppen met wat wij in art. 2 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis dienaangaande lezen: ij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld, overmits deze voor ons is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven, namelijk Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Rom. 1 : 20: elke dingen alle genoegzaam zijn om de mensen te overtuigen en hun alle onschuld te benemen. Ten tweede geeft Hij Zichzelf ons nog klaarder en volkomener te kennen door Zijn heilig en Goddelijk Woord, te weten, zoveel als ons van node is in dit leven tot Zijn eer en de zaligheid der Zijnen.
Over de juiste zin van dit artikel is heel wat gestreden; meer dan één theoloog, ook in deze tijd, meent, dat wij hier te doen hebben met een rest van middeleeuwse theologie, dus eigenlijk met een concessie, die gedaan is zoals dat wel meer in belijdenissen het geval zou zijn geweest. - Vooral tegen de uitdrukking „klaarder en volkomener" richt men zich, omdat hier de bijzondere openbaring als op een fundament van de algemene zou rusten en deze niet anders zou betekenen dan een wel noodzakelijke aanvulling, maar in elk geval een completering van de algemene openbaring. Ik geloof niet, dat dit de bedoeling van de belijdenis is. -
Voor het juiste begrip van dit gedeelte is het nodig terug te gaan naar de geschiedenis van het ontstaan van de belijdenis, waarin wel aanvankelijk één man spreekt - het is immers Guido de Brés, van wie wij afgedacht van kleine redactiewijzigingen, onze belijdenis hebben, - maar deze mens weet dat de belijdenis een zaak is van kerken, zoals de titel luidt Belijdenis des geloofs, gemaakt met een gemeen akkoord door de gelovigen, die in de Nederlanden overal verstrooid zijn, die naar de zuiverheid van het heilige Evangelie van onze Here Jezus Christus begeren te leven. Guido de Brés heeft zich nauw aangesloten bij de belijdenis, die in 1559 te Parijs is vastgesteld en aangenomen en die in 1571 te La Roebelle werd aanvaard. Wij spreken in het algemeen van de Franse Belijdenis, de Confessio Gallicana, in Frankrijk van de Confessie van La Roebelle. Hoezeer wij de ogen niet gesloten mogen houden voor het klein-menselijke, dat ook in die dagen de belijders menigmaal heeft vervuld, dat ook voor hen het beste met schuld is besmet, wij mogen nooit vergeten, dat de Synode van Parijs, gehouden in de tijd, toen de schavotten en brandstapels overal in Parijs voor de belijders werden opgericht. Over de Franse belijdenis en zijn ontstaan nu het volgende: Morel, die een groot aandeel heeft gehad in de voorbereiding van de Synode te Parijs, had aan Calvijn gevraagd om een ontwerpbelijdenis te sturen, die dan op de Synode na bespreking zou kunnen worden vastgesteld. Op zijn eerste brief kreeg hij geen antwoord; waarom is niet duidelijk, misschien omdat Calvijn in die dagen ziek was en allerlei arbeid moest blijven liggen, of omdat hij de brief nooit ontvangen heeft. In elk geval. Morel schrijft opnieuw; dan is de vastgestelde datum voor de Synode al erg dichtbij. Calvijn's antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: Hij heeft er niet veel hoop op, dat de brief nog bijtijds zal worden ontvangen, maar bovendien, hij gevoelt niet veel voor een belijdenis. Enigen dringen er sterk op aan om een confessie te redigeren. Wat ons betreft, schrijft Calvijn, wij nemen mensen en engelen tot getuigen, dat deze ijver ons mishaagt. Het spijt mij levendig, u zo haastig te zien. - Toch zorgt hij ervoor, dat een concept op de Synode te Parijs ter tafel is: de brief kwam op de derde dag van de vergadering, die vier dagen geduurd heeft. Calvijn's aandeel in deze belijdenis wordt bestreden. Maar in elk geval draagt het zijn stempel en hij gaat met de inhoud accoord. Dit ontwerp - ook dit had een voorgeschiedenis, maar het voert te ver die er bij te halen - telde 35 artikelen. Dit geschrift heeft men op de Synode te Parijs praktisch geheel overgenomen, behalve het artikel over de H. Schrift, waarmede het ontwerp begon. Dit artikel nemen wij geheel (uit de aard in vertaling) over: Omdat het fundament van het geloof, zoals de heilige Paulus zegt, het Woord van God is, geloven wij, dat de levende God zich heeft geopenbaard in Zijn Wet en door de Profeten en uiteindelijk in het Evangelie en Hij heeft erin getuigenis gegeven van Zijn wil, zoveel als dienstig is voor het heil der mensen. Wij houden dan ook de boeken van de Heilige Schrift van het Oude en van het Nieuwe Testament voor de summa van de enige onfeilbare waarheid, van God uitgegaan, dewelke te weerspreken niet geoorloofd is. Omdat zij de volmaakte regel van alle wijsheid bevat, geloven wij ook, dat het niet geoorloofd is er iets aan toe te voegen of er iets van af te doen, maar dat men erin moet toestemmen in alles en overal. En omdat deze leer zijn gezag niet ontvangt van mensen of van engelen, maar van God zelf, geloven wij (want het is een ding, dat alle onze menselijke bevatting (zinnen) te boven gaat, te onderscheiden, dat het God is, die spreekt), dat het God zelf is, die de zekerheid over deze leer geeft aan Zijn uitverkorenen en haar verzegelt in hun hart door Zijn Geest. - Calvijn begint dus met de Schrift voorop te stellen als de volmaakte regel der waarheid.
Nu is het merkwaardig, dat èn de Franse belijdenis van Parijs èn die van La Roebelle (1571) èn onze Geloofsbelijdenis in plaats van dit artikel een aantal andere hebben. Men ging spreken over de algemene en bijzondere openbaring. In Parijs verving men dit artikel van Calvijn's ontwerp door een vijftal, dat sprak van God, de Openbaring (art. 2), de H. Schrift (art. 3), de Schrift regel van het geloof (art. 4), de autoriteit van de Schrift (art. 5). Art. 6 bevat dan de belijdenis over het stuk der Drievuldigheid. Onze Belijdenis begint ook met de belijdenis van God, de Openbaring (art. 2), de Schrift (art. 3), de canon (art. 4), de autoriteit van de Schrift (art. 5), het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken (art. 6) en over de volkomenheid van de H. Schrift als enige regel des geloofs (art. 7).
Het tweede artikel is korter dan het onze en luidt aldus: „Het is deze God, die zich op deze wijze aan de mensen openbaart: ten eerste door Zijn werken, zowel door hun schepping als door hun bewaring en de manier, waarop Hij die bestuurt. Ten tweede en nog duidelijker door Zijn Woord, hetwelk in de beginne mondeling geopenbaard is (par oracles) en vervolgens op schrift gesteld is in de boeken, die wij Heilige Schrift noemen". Vergeleken met het tweede artikel van de Ned. Geloofsbelijdenis zien wij, hoe deze laatste meer ingaat op de betekenis van de algemene openbaring, maar de grondgedachte is dezelfde: duidelijker dan in de algemene openbaring maakt God zich bekend in de H. Schrift.
Waarom heeft men in Parijs het artikel van Calvijn niet overgenomen ? Men heeft wel gezegd, omdat men in Frankrijk geen filiaal van Geneve wil de zijn. Morel zou ook de betekenis van de verandering hebben willen verkleinen in een brief, die hij aan Calvijn na de Synode van Parijs schreef: Men heeft gemeend enige dingen te moeten toevoegen aan Calvijn's ontwerp en de andere heeft men bijna zonder veranderingen aanvaard. Ik kan mij niet voorstellen, dat bij Morel de idee voorzat om tegenover Calvijn te doen alsof de veranderingen erg klein waren, terwijl ze in werkelijkheid de verhouding van de algemene en bijzondere openbaring op een andere wijze wilden stellen dan Calvijn deed in zijn ontwerp en in zijn werken in het algemeen. Daar had de theoloog Calvijn echt wel achter gekeken! - Wel blijft het een vraag, hoe het mogelijk is, dat Calvijn ook later, niet teruggrijpt op zijn ontwerp of herinnert aan de Franse belijdenis. Te zeggen, zoals men wel doet, dat wij hieruit moeten concluderen, dat de Franse Belijdenis voor Calvijn niet van grote betekenis was, lijkt mij verder gaan dan de bronnen veroorloven. Heeft Dr. Nijenhuis gelijk als hij meent, dat Calvijn daarom niet voor een Franse belijdenis gevoelde, omdat dat zijn plannen voor een universele evangelische kerk in de war zou kunnen sturen?
Ook bij de formulering van de Franse belijdenis, waarbij men niet bij de Schrift begon, is men geheel gebleven in de lijn van Calvijn. Niet, dat onze uitleggers van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zich altijd ervan bewust waren, hoe sterk de invloed van Calvijn's denken en ideeën op de formulering in onze belijdenis is geweest. Menigmaal leest men in oudere werken een verklaring van de artikelen 2 en volgende, waarbij men een algemene Godskennis uit art. 2 afleidt. De uitbreiding, die wij in art. 2 van de N.G.B, vinden, is niet anders dan een verduidelijking en uitwerking van art. 2 van de Franse Geloofsbelijdenis en dat art. 2 blijft eveneens geheel in de lijn van Calvijn.
Wij mogen niet vergeten, dat de Kerk hier belijdenis doet van zijn gelóóf, naar binnen als een bezinning op eigen geloofsbezit, met beurtelings de klemtoon op bezit en op geloofsbezit. De verandering van Calvijns ontwerp heeft niet het karakter van een fundamentele verbetering. Men heeft het op de Synode blijkbaar nodig gevonden toch in te gaan op de algemene openbaring. Naar buiten betekent de belijdenis een getuigenis en een veroordeling van wat met deze belijdenis strijdt.
Als wij spreken van natuurlijke Godskennis, dan kunnen wij daar alleen onder verstaan een vage mening over God, omdat tussen ons en de openbaring Gods de zonde zich als barrière tussenschoof.
De Kerk belijdt: wij kennen Hém - Een andere formulering was: Wij belijden Hem te kennen (nous confessons Ie cognoistre).
De formulering is in de verschillende uitgaven anders; hier en daar zijn kleine veranderingen aangebracht. De kritiek richt zich vooral op de woorden: nog duidelijker en klaarder geeft Hij zich te kennen. Men trekt daaruit de slotsom, dat men God ook duidelijk en klaar kan kennen uit de natuur.
De oorspronkelijke uitgave van 1561 had alleen: plus manifeste - nog klaarder. De oudste Nederlandse druk van 1562 heeft: noch openbaerlicker ende klaerlicker. - . De Latijnse tekst van de Synode van Dordrecht heeft: longe manifestius en plenius : nog klaarder en rijker. Waarom deze twee woorden? Heeft men de formulering van de Franse belijdenis en die van de (oorspronkelijke) Ned. Gel. Belijdenis bijeengevoegd? Hebben wij hier ook één van de aanwijzingen, dat art. 2 van onze Belijdenis geheel in de zin van Calvijn's opvattingen mag worden gelezen? Calvijn schrijft (Institutie 1-6, 1): Hij heeft naast de gewone bewijzen van Zijn Godheid Zijn Woord daarbij gedaan, hetwelk een juister en zekerder merkteken is om Hem te kennen (rectior et certior).
Voor de gelovige is de algemene openbaring een versterking van zijn geloof; Wie God in Christus gevonden heeft, heeft een bril ontvangen waarmede hij de letters van het boek der schepping weet te lezen. Zo zingt de psalmist (19 ; 104, 8) de lof des Heren, als hij opmerkt hoe de hemelen Gods eer vertellen en het uitspansel Zijner handen werk.
Ook hier is onze Belijdenis norma normata, geen norma normans, een norm, die zich niet als zodanig oplegt, maar één die zelf haar norm ontvangt en vindt in het eeuwig blijvende Woord van God.
Utrecht, H. Bout
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1966
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's