De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

Verwarring en verontrusting.

De kritiek die in „Waarheid en Eenheid" telkens weer gegeven wordt op allerlei gebeurtenissen in de Geref. Kerken liegt er niet om. Men is verontrust over de koers die vele leidende figuren varen; een koers die naar de mening van genoemd blad leidt tot relativering der reformatorische belijdenis. Zo lezen we in de rubriek „Kerkelijk leven" in het nummer van 25 februari onder meer:

In de kapel van de R.K. Kweekschool aan de O. Amersfoortseweg is een gebedssamenkomst gehouden van R.K. en Geref. jongeren voor de Eenheid der Kerken. „De woorden van Dr. F. H. van Meijenfeldt, met als hoofdthema dat wij als christenen één zijn, al hoeven we het niet eens te zijn, was voor vele jongere Roomsen een openbaring”. Voor mij trouwens ook, zij het een valse openbaring. Het initiatief werd genomen door de geref. jeugdvereniging Centrum.

Er is niet alleen een jeugd-initiatief. Er zijn ook in de gebedsweek van januari samenkomsten gehouden met rooms, remonstrants, protestantenbond, oud-katholiek, hervormd. Leger des Heils. Ook ds. J. L. Wielenga en dr. O. Jager waren daarbij.

„Toevallig” stond er onder het bericht een opmerking die er wel niet onder bedoeld zal zijn („Gooi-en Eemlander" 12-I-'66):  “hele inventaris afschrijven... ". Markanter kan het haast niet worden uitgedrukt.

Overigens is de voorlichting van de Gereformeerden in Hilversum nog veel breder. Onder de titel „Wees geen zwijger in uw kerk" verschijnt een maandblad, dat op een bepaalde zondag wordt uitgereikt. „Uit de inhoud: de heer J. Nagel, hoofdbestuurslid van de Partij van de Arbeid, zal u vertellen, waarom hij op deze partij stemt. Voorts 't tweede artikel van frater W. Brouwer over het Concilie”. Voorts bestaan er „oecumenische contacten in de ontspanningssector van de jongerensociëteit „TRIANGEL”.

Ik denk, dat hier wel uit op te maken valt, dat er inderdaad niet alleen verschil van mening tussen gereformeerden meer bestaat, maar inderdaad verschil in inhoud van belijden. Daar zal ds. Wielenga wel gelijk in hebben. Gelukkig dat het ditmaal niet van onze kant alleen geconstateerd wordt. Het is goed daar nota van te nemen.

Niet dat Hilversum alleen staat. Middelburg geeft hetzelfde beeld. In het kader van de week van gebed voor eenheid der Christenen werd in de Engelse kerk de dienst der gebeden geleid door ds. A. van Santen, vrijz. herv. predikant, ds. J. van Wilgenburg, geref. predikant, verzorgde de liturgie en pastoor H. H. Snel hield een korte predikatie. Blijkbaar is dit het klimaat, waaruit de leidende figuren van ons kerkelijk leven moeten gekozen worden.

De schrijver, ds. J. B. van Mechelen constateert hier een andere belijdenis, die de kloof in de Geref. Kerken laat uitkomen. In dit verband gaat hij ook in op de deelname van ds. J. H. Sillevis Smitt in de dienst op 10 maart in de Westerkerk. Wat maakt men nog drukte over het feit, dat ds. Sillevis Smitt samen met de vrijzinnige ds. Kater in een hervormde dienst preekt?

Formeel maakt het betoog van dr. Kunst, dat ds. Sillevis Smitt geen emeritus predikant van onze kerken is, maar van de voormalige geref. kerken in Indonesië een povere indruk. Onze kerken ontspringen zo de dans van een uitspraak over deze zaak op een magere formele grond. Want de vraag, die rijst, is tevens, of een man die samen met een vrijzinnige in een hervormde kerkdienst voorgaat, nog toegestaan kan worden in een geref. kerk voor te gaan. Distantiëren onze kerken zich van ds. Sillevis Smitt? Of doen ze voor dit geval een oogje dicht?

Er wordt kennelijk met twee maten gemeten. Schijnbaar wordt er nog een strenge maat aangelegd, als men b.v. een deel van het rapport over de intercommunie leest; hiermede moeten de „zware" broeders stilgehouden worden; in werkelijkheid is dit alles krachteloos. (Of, zie ook wat moet worden gedaan, als men een gemeenschappelijke dienst wil houden).

De generale synode vaart met volle zeilen op de Wereldraad af, de verschillen van belijdenis worden vervlakt doordat immers alles christelijk is (Wereldraadideaal). Men is het nog niet in alles eens, o zeker, op nog belangrijker punten is men 't oneens, maar hosanna, we zijn één.

Laat ons tezamen zingen, dansen en ons verzwageren. Reeds Bileam zag in dat dit een perfecte methode was. De dansvloer is stellig de beste plaats om religieuze hindernissen in ritmische roes te nemen. Eerst samen zingen voor de hostie, dan van elke denominatie een spreker, dan allemaal dooreen trouwen en het kerkelijk vraagstuk is opgelost. Zo gaat het niet helemaal nog maar het lijkt er aardig op. Er zijn natuurlijk nog allerlei remmen waardoor de genoemde ontwikkeling niet helemaal doorgaat. Maar men is in elk geval gedurig bezig met een streven van relativering, dat onheilspellend is.

Ik wil openlijk zeggen, dat ik mij met zulke oecumenisten in onze kerken nauwelijks meer verbonden voel en dat ik meer geestverwantschap heb met velen buiten onze kerken, die deze Wereldraadgeest evenzeer verfoeien.

Dat alles is scherp gesteld. Het blijkt overduidelijk dat het verschuivingsproces ook de Geref. Kerken niet onberoerd laat en daar nogal wat deining veroorzaakt. Ds. v. Mechelen spreekt van „een streven van relativering". Al vragen we ons wel af, of de toon waarin een en ander gesteld wordt bevorderlijk is voor hét wederzijdse begrip, we begrijpen de vrees van „Waarheid en Eenheid" dat door allerlei maatregelen geruisloos de belijdenis der Kerk op non-actief gezet wordt met behulp van 't begrip „interpretatie" en daardoor in prediking en catechese niet meer voluit functioneert. We menen dat de Geref. Kerken wanneer dit inderdaad de koers zou zijn, de oecumene een slechte dienst bewijzen.

Eén bepaalde koers?

Reeds eerder heeft „Waarheid en Eenheid" klachten geuit over het feit dat het kerkelijk leven één bepaalde koers uitgedreven wordt. Zo naar aanleiding van de benoeming van dr. G. P. Hartveld tot hoogleraar. In het nummer van 28 januari lezen we daarover:

Dan is er ook de benoeming van de nieuwe prof. dr. Hartvelt. Deze benoeming lijkt me een duidelijke overwinning voor de „achttien" koers. Deze „achttien" zijn afgezwaaid aan de vooravond van een van hun grootste triomfen. Door onze kerken vaart een stille oecumene-terreur, een fluwelen terreur, die menigeen beangstigt. Wie een stuk als van de 64 durfde te ondertekenen, wordt zachtkens weggezaagd. De symptomen zijn steeds duidelijker waar te nemen. Wie wil meetellen moet zich, zeker als jongere, distantiëren van al wat naar „verontrusten" of zo iets riekt, want als hij zich daarmee inlaat, is hij weg.

Hetzelfde verschijnsel, dat we in 1942-'43 gehad hebben ten aanzien van hen, die meenden, dat we ons moesten beperken tot binding aan de 3 formulieren. Dan werd je verdacht gemaakt en gekraakt door de o zo (in eigen oog) verdraagzame meerderheid. We zien ook nu in welke richting de proffenbenoemingen vallen. Dat we ook hiermede verdacht worden bij andere gereformeerden, lijkt voor de hand liggend. Uit „Opbouw" citeer ik R. H. Bremmer (pag. 315): „Het is in het licht van heel de ontwikkeling van de leer omtrent het avondmaal te betreuren, dat een knap dogmaticus als G. P. Hartvelt, die enkele jaren geleden bij prof. Berkouwer promoveerde op een dissertatie over de reformatorische avondmaalsleer, zo kritisch staat tegenover de avondmaalsleer van Calvijn en zelfs vanuit die kritiek een tegenstelling construeert tussen het spreken over het avondmaal door de Nederlandse geloofsbelijdenis en de H. Catechismus”.

Verder valt te herinneren aan de kritiek op het boekje „In de kring", dat hij samen met dr. Kuitert (één van de achttien) uitgaf.

Ik denk voorts aan een artikel in „Woord en Wereld" waar ik b.v. deze uitspraak aantrof: „Inspiratie is dus een religieuze categorie. Het is de plotselinge, verrukkende herkenning van de toen handelende God in mijn eigen leven, zo duidelijk dat zelfs „de blinden tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden", Ned. Geloofsbelijdenis art. 5”. Ik vraag: is dit inspiratie?

En dan spreekt hij verder over het aanvaarden van de oneffenheden der Schrift, de astronomische cijfers uit de Israëlitische oorlogen, die zouden moeten dienen om de klaarblijkelijkheid van Gods handelen zo duidelijk uit te drukken.

Afgezien van wat we van dit alles moeten denken, acht ik het bedenkelijk, dat ons kerkelijk leven kennelijk een bepaalde kant uitgestuurd wordt en dat de leidinggevende figuren van een bepaalde koers en instelling blijken te moeten zijn. Eenheidspogingen (intern) en vinden van vertrouwen (extern) zullen daarop wel kapot moeten breken. Ook hier de „pressure-groups": De progressieven, die de „verontrusten" geen plaats gunnen en niet aan bod laten komen. Wie dit als hervormde leest, beluistert geen vreemde klanken. Nog onlangs kon men in het orgaan van de Confessionele Vereniging ten aanzien van de koers in de Hervormde Kerk een dergelijke klacht lezen: Een heersende stroming die op allerlei wijzen het kerkelijke leven beïnvloedt en allerlei beslissingen van vitaal belang „er door drukt". Het is m.i. het meest trieste en funeste gevolg van de modaliteitenvisie, waarachter men de richtingsstrijd camoufleert en verdoezelt.

Gaat het in de Geref. Kerken dezelfde kant uit? Volgens „Waarheid en Eenheid" zit men er midden in. En geheel te loochenen valt het m.i. niet, al zullen er ongetwijfeld zijn in de Geref. Kerken die protest zullen aantekenen tegen de visie van „Waarheid en Eenheid". Dat is het verdrietige, dat men over en weer in de beschuldiging elkaar niet meer verstaat en dan - langs elkaar heen spreekt. Het is voor een buitenstaander moeilijk te volgen. Enigszins gechargeerd gesteld zou men kunnen zeggen: Wie regelmatig kennis neemt van het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) en zich daarnaast verdiept in „Waarheid en Eenheid" verkeert doorgaans in twee werelden, en heeft het gevoel bladen te lezen uit twee verschillende kerkelijke groeperingen.

Bevreemdend protest.

Of is dit te scherp gesteld en schromelijk overdreven? Mag men als hervormde lezer deze dingen niet zeggen? Ik schrijf dit naar aanleiding van het nogal geprikkelde commentaar dat hetzelfde blad „Waarheid en Eenheid" geeft op het artikel van ds. L. Kievit in de rubriek „In Gesprek" (Zie „de Waarheidsvriend", Jaargang 53, no. 50). Voor de inhoud van dit artikel verwijs ik naar genoemd nummer. Ondermeer stond daarin, dat de golf van het nieuwe modernisme ook de Geref. Kerken niet onberoerd laat en dat de progressieve vleugel daar niet veel verschilt van die der hervormden en rooms-katholieken. In de Persschouw van „Waarheid en eenheid" van 11 februari j.l. geeft ds. Vreugdenhil hierop het volgende commentaar:

Zou L. K. eens willen zeggen, wie onder ons de Schrift kritisch beschouwt? Gaat het allen onder hen, die „nieuwe" verklaringen voorstaan, die „nieuwere" hermeneutische vragen stellen, naar hun eigen zeggen niet om het kritiekloos aanvaarden van de Heilige Schrift, maar dan om het kritiekloos aanvaarden van hetgeen de Heilige Schrift echt zegt?

Men kan bezwaren hebben tegen hun opvattingen, men kan zelfs zeggen, dat onze „nieuweren" door hun theorieën komen, waar ze niet komen willen — de Schrift kritisch te zien — maar mag men zeggen, dat de Schrift door hen kritisch beschouwd wordt?

Zo zijn meer vragen te stellen over hetgeen L. K. zegt.

Maar L. K. aanvaardt de Schriften! Doet hij ernaar? Hij heeft gemeenschap met mensen, die veel erger doen, zie het onderschrift van de persschouwer, ds. de Vries? Breekt hij in gehoorzaamheid aan Gods Woord de gemeenschap? L. K. zal zeggen, dat kan niet, want dan krijgen we de repeterende breuk van de afscheiding. Geref., chr. Geref., geref. gemeente, vrijgemaakt, oud-geref. enz. enz. Maar dat is berekening. Moeten we het Woord Gods niet gehoorzaam zijn? Het blijft mij een raadsel... een Geref. Bonder zit liever met loochenaars van God en de Here Jezus Christus in één kerk met alle gemeenschap, die daarmee gegeven is dan bijv. in de I.C.C.C. samenwerken met mensen, die afscheiding verdedigen. Of toelaten, dat een vrouw een ambt bekleedt...

Hier rijzen toch vragen. Wie onder ons beschouwt de Schrift kritisch? Volgens ds. Vreugdenhil: niemand. Hooguit zou het ervan kunnen komen. En de klachten over de benoeming van prof. Hartveld? We mogen toch aannemen dat dit protest op eerlijke motieven berust en niet voortvloeit uit persoonlijke gekrenktheid. Volgens ds. Vreugdenhil is het allemaal veel onschuldiger dan men zich voorstelt. Het gaat alleen om nieuwere hermeneutische vragen. Alsof die niet alles te maken hebben met de aard van het Schriftgezag. Zeker, we mogen niet generaliseren, maar het zal toch ook ds. Vreugdenhil bekend zijn dat in menig theologische beschouwing 't woord „hermeneutiek" moet dienen als de camouflage voor schriftkritische beschouwingen. De gehele discussie rondom Bultmann, Ebeling, Fuchs gaat toch juist over deze hermeneutische vragen.

En bovendien, als het allemaal zo onschuldig is, als de Schrift kritiekloos aanvaard wordt door elkeen en een ieder in de Geref. Kerk, hoe kan men dan spreken over „streven naar relativering". Kan dat dan samengaan: Relativering van de Bijbelse boodschap en kritiekloos aanvaarden van de Schrift? Wanneer Vreugdenhil gelijk heeft, is de bewering van v. Mechelen uit de lucht gegrepen. We willen daarmee niet de ene scribent tegen de andere uitspelen. Maar we zouden toch wel willen stellen, dat door het commentaar van ds. Vreugdenhil de positie van „Waarheid en Eenheid" in het geheel van de Geref. Kerken allerminst verhelderd wordt. Ik zou me kunnen voorstellen dat zij, die week aan week in „Waarheid en Eenheid" worden aangevallen zich kunnen verdedigen met een beroep op dit commentaar: „Waar maakt u zich druk over! Uw eigen orgaan vertelt ons dat er geen reden tot bezorgdheid is”.

Daarom is enige opheldering wel gewenst. Opdat we niet in een formalistisch woordenspel verzeild raken, waarin men datgene wat men poneert tegelijkertijd van zijn kracht gaat beroven.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's