De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERRICHT GEVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERRICHT GEVEN

7 minuten leestijd

Dit artikel behandelt 1 Tim. 2 : 12, dat ik eerst overschrijf uit de Statenvertaling en daarna uit de Nieuwe Vertaling. „Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar (wil), dat zij in stilheid zij". „Maar ik sta niet toe, dat de vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden". Het enige opvallende verschil tussen beide vertalingen is, dat de Statenvertaling „stilheid" leest, waar in de Nieuwe Vertaling „rustig" staat. We komen daarop straks nog terug.

Het verband van de zwijgtekst.

In hoofdstuk twee van de eerste Timotheüsbrief spreekt Paulus over de gemeentesamenkomsten en voornamelijk over het gebed in die vergadering. Vs. 8 luidt: „ik wil dan dat de mannen bidden in alle plaatsen met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist". Dan volgt vs. 9: „evenzo, dat de vrouwen zich sieren met waardige klederdracht, zedig en ingetogen ... ". De Statenvertaling geeft de tekst weer met de enigszins verouderde zinsconstructie: „desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren ... ". De bedoeling lijkt echter duidelijk, welke vertaling men ook gebruikt.

Intussen bestaat er over dit negende vers toch verschil van mening. G. Huls beweert, dat men niet slechts in gedachten uit vers 8 moet aanvullen „ik wil" "), maar dat we moeten lezen: „evenzo wil ik dat de vrouwen het gebed uitspreken in eerbare verschijning". Het is niet de bedoeling om in dit artikel breedvoerig op deze uitlegkundige kwestie in te gaan. Wij constateren slechts, dat er grote taalkundige bezwaren bestaan tegen de door dr. Huls voorgestelde exegese. Het is daarom te betreuren, dat hij aan die exegese een belangrijke conclusie verbindt. Hij meent dat in de door Paulus bedoelde samenkomsten het openbaar gebed door mannen èn vrouwen blijkt te geschieden. Hij acht dat zelfs vanzelfsprekend.

Met vers 9 begint een vermaning aan de vrouwen in de gemeente. Zij mogen niet door opschik en onwaardige kleding de aandacht op zich vestigen. Niet kostbare kleding maar goede werken vormen het sieraad van de vrouw.

Wat betekent „leren" hier?

Het „leren" dat Paulus de vrouw verbiedt, is waarschijnlijk het geven van aanwijzingen vanuit de Schrift voor het dagelijks gedrag. Hierover zijn de uitleggers het in het algemeen gesproken wel eens. Men kan zich afvragen, wat we in dit verband moeten verstaan door de woorden „vanuit de Schrift". Hiermee kan in de jonge gemeenten alleen het Oude Testament (en eventueel de apostolische brieven) zijn bedoeld. Uit de andere teksten waar „leren" in de brieven voorkomt, blijkt dat het onderwijzing betreft aangaande het dagelijks gedrag van de christenen; dit moet in overeenstemming zijn met de leer des Heren.

Het „leren” is hier niet, zo merkt Huls op, het woord voeren in iedere vorm, in prediking, onderricht, catechese, enz. Een algemeen leer-en spreekverbod voor de vrouw in de gemeente is er volgens hem in de tekst niet te vinden. Door een dergelijke redenering baant men zich na een kort onderzoek van de tekst met grove stappen een weg naar het punt, waar men zijn wil.­

Paulus staat aan de vrouw niet toe in de gemeente ethische vermaningen vanuit de Schrift uit te delen. Is het dan denkbaar dat haar de gehele Evangeliebediening, waarvan de ethische vermaning slechts een onderdeel vormt, wèl mag worden opgedragen? Wij moeten weliswaar rekening houden met he verschil tussen de tijd van Paulus en de onze. De inrichting van de gemeentesamenkomsten was in de tijd toen de apostel zijn brieven schreef anders dan nu. Als echter aan iemand het dessert wordt verboden, mag men daaruit toch niet de conclusie trekken, dat het gehele diner (inclusief dessert) wèl is toegestaan?

Rustig zijn.

„Een vrouw late zich leren in stilheid; ik wil dat de vrouw in stilheid zij". Zo las de Statenvertaling. De Nw. Vertaling geeft de zin als volgt weer: Een vrouw moet zich rustig laten onderrichten; zij moet zich rustig houden. De woorden die door in stilheid of door rustig zijn vertaald, duiden niet aan, dat iemand zwijgt, maar dat hij of zij zich kalm houdt. Het „in stilheid" uit de Statenvertaling mag dus niet als „zwijgend" worden opgevat. Paulus gelast de vrouwen zich kalm te houden. Hun rustig gedrag moet de onderschikking van de vrouw onder haar man tot uitdrukking brengen.

De onderdanigheid.

’t Leerverbod berust op de onderdanigheid waartoe de apostel de vrouw oproept. Ook de Nieuwe Vertaling gebruikt hier dit woord. Na de behandeling van de nieuwtestamentische gegevens over de vrouw en het ambt willen wij op het begrip „onderdanigheid" terugkomen. In de loop der eeuwen is het soms verstaan op een meer heidense dan evangelische wijze. Het is te vrezen dat het in de twintigste eeuw helemaal niet meer wordt verstaan.

Thans zij er slechts op gewezen dat „onderdanigheid" niet synoniem is met slavernij. Het werkwoord waarvan „onderdanigheid" in het Grieks is afgeleid, komt in het Nieuwe Testament vele malen voor. Eén voorbeeld kan aantonen dat de positie die de apostel de vrouw hier toekent, in het geheel niet oneervol is. Ef. 5 : 22 luidt: Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here". Hetzelfde woord vinden we in vers 24: Gelijk de gemeente onderdanig is aan Christus, zo ook de vrouw aan haar man, in alles". De vermelding van de verhouding van de gemeente tot Christus is terecht in ons huwelijksformulier opgenomen. Ze ontneemt aan de onderdanigheid van de vrouw elke vorm van minderwaardigheid. De man wordt vermaand zijn vrouw lief te hebben zoals Christus de gemeente heeft liefgehad. Is dit nog niet voldoende om iedere gedachte aan slaafse onderworpenheid van de vrouw uit Paulus' woordgebruik weg te nemen? Men lette dan nog op vs. 21 Dit bespreekt niet de verhouding van man en vrouw, maar de verbondenheid van de gemeenteleden onderling. Het luidt: Weest elkander onderdanig in de vreze van Christus". De wederkerigheid van het gebod, uitgedrukt door het woordje „elkander", maakt dat de onderdanigheid van de één nimmer aan de heerszucht van de ander tegemoet komt.

De apostolische voorschriften worden verkeerd beoordeeld, als men Paulus' woorden opvat naar de betekenis die ze nu hebben. Men moet ze beoordelen aan de hand van andere teksten, die licht over de gebruikte termen verspreiden.

De tegenstanders van de openstelling van de kerkelijke ambten voor de vrouw moeten er de schijn van vermijden, dat zij een middeleeuwse opvatting van de onderdanigheid van de vrouw aanhangen. De vrouw moet ten volle erkend worden als naar Gods beeld geschapen mens. In Christus is geen mannelijk en vrouwelijk. Dit is geen kwestie van emancipatie, maar van geloof. Het geloof blijft echter binnen de door de Heilige Schrift getrokken grenzen.

Rotterdam, H. Goedhart.

  1) De Dienst der Vrouw in de Kerk, Wageningen, 1951, blz. 47; De Vrouw in de Kerk, Baarn, 1965, blz. 48.

2) Zo b.v. dr. C. Bouma, Korte Verklaring, ter plaatse.

3) Het werkwoord „zich versieren" (gr. kosmein heautas) kan slechts afhankelijk zijn van „ik wil" (gr. boulomai) en niet van „ik wil dat zij uitstrekken". Wil men de tekst als volgt splitsen: „evenzo wil ik, dat de vrouwen de handen uitstrekken (tot gebed) met waardige klederdracht, dat zij zich zedig en ingetogen versieren...", dan laat men het „zich versieren" toch ook weer alleen van „ik wil" afhangen. Het bevreemdt daarom niet, dat Huls de tekst niet volledig vertaalt.

4) K. H. Rengstorp, Theol. Wörterb. II, S. 149f.

5) In 2 Thess. 3 : 12 komt het woord ook voor en betekent rustig aan de arbeid blijven. Het Commentaar op de N.V. verstaat „rustig" in de zin van: onder op de voorgrond te treden. In Hand. 22 : 2 betekent het woord zwijgen; althans deze betekenis is daar waarschijnlijk.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERRICHT GEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's